
2, 4. t.: andere.
1, 2. t.: 't is dag. - 1, 3. uis = uus, ons. - 3, 3. tin = toen, dan. - 4, 2. kruische = kruisje van Aschwoensdag. - 4, 3. gehen = geven. - 5, 3. me = wij. - 6, 3. evrocht = gewrocht, gewerkt. - 6, 4. m'en an = wij hebben eene. - 7, 2. doa = daar. - 7, 3. = wij hebben al ons geld verteert. - 7, 4. me ken = wij kunnen.
6, 4. speunder = spaander, spanen hoed. - 7, 4. hemme = hebben wij.

6, 3. preeken, loon.
A. Willems, Oude Vl. ldr., nr. 250, bl. 520, ‘De goede week’, zonder bronaanduiding. Snellaert teekent daarop aan: ‘Woorden en muzyk van eene my onbekende hand geschreven’; - Hoffmann v.F., Niederländische Volkslieder, nr. 158, bl. 277; - B. De Coussemaker, Quelques recherches sur le dialecte flamand de France (Extrait des Annales du comité flamand de France, tome IV), afzonderlijke druk, Duinkerke 1859, bl. 18, ‘De weeke’, tongval van Bergen (Bergues); - C. Ons volksleven, III (1891), bl. 54, opgeteekend te Antwerpen; - D. J. Bols, Honderd oude Vlaamsche ldr. nr. 73, bl. 179, die nog vermeldt: Volk en taal, 1891, bl. 106. Een dergelijk lied is ook in Duitschland bekend, doch schijnen de teksten van vroegeren datum te zijn; zie Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1617, bl. 437: ‘Am Sonntag, am Sonntag’. Bij de daar aangegeven Duitsche bronnen kan men voegen: Oscar Schade, Deutsche Handwerkslieder, Leipzig 1855, bl. 178. - T.a.p., nr. 2134, bl. 833, deelen Erk en Böhme nog een geestelijk lied mede onder den titel: ‘Fromme Vorsätze für die sieben Wochentage’, met aanvang: ‘Am Montag da fängt die Woche an’. - Op bl. 548 van Willem's werk, zegt Snellaert: ‘Dit lied was reeds in de zeventiende eeuw bekend. Ik bezit een vliegend blad met houtsneêplaten van 't jaer 1638 (Antw. Jos. Jacops), waarop o.a. staet een Nieu kluchtigh liedeken van den Geusen Haes op uyt Calloy, op de wijse: Hebbense dat ghedaen, doense, doense, enz.’ Het eerste van de tien coupletten - het eenige door Snellaert medegedeeld - luidt aldus:
Over dit lied, waarvan wij den volledigen tekst niet mochten terugvinden, zijn wij de volgende aanteekeningen verschuldigd aan Prof. Paul Fredericq:
‘Het lied, waar Snellaert (bij Willems, bl. 548) de eerste stroof van opgeeft, is een gedicht op de gevoelige nederlaag bij Calloo door het leger der Vereenigde Nederlanden in 1638 geleden.
‘Frankrijk en de Nederlandsche Republiek hadden een onderling verbond gesloten om Spanje in de Zuidelijke Nederlanden te komen aanvallen.
‘Richelieu zond een leger naar Artois en liet St. Omaars belegeren. De stadhouder, Frederik Hendrik, rukte met zijn leger 't hertogdom Brabant in en had het op Antwerpen gemunt. Aan zijn neef, graaf Willem van Nassau, gaf hij last om met eene afdeeling van 't Statenleger te Liefkenshoek op den Vlaamschen oever der Schelde te gaan post vatten en van daar Calloo te bezetten. Willem van Nassau had 6000 voetgangers en vier compagnieën ruiters. Den 17 Juni 1638 kwam de Spaansche veldheer, markies de Sfondrato, hem aldaar aanvallen en dreef hem uit de schans van Calloo. Graaf Willem's 21-jarige zoon, Maurits van Nassau, sneuvelde er met veel volk. Maar in den nacht tusschen 21 en 22 Juni 1638 moest hij voorgoed wijken en zijn terugtocht werd eene echte krijgsramp. Veel soldaten verdronken of vielen onder de vijandelijke kogels. Paarden, geschut, bagage en schepen gingen verloren. 2400 krijgsgevangenen namen de Spanjaarden. Frederik Hendrik, die op het gelukken dier onderneming wachtte, om op den Brabantschen oever der Schelde Antwerpen te naderen, keerde ontmoedigd naar Holland terug (Zie Arend, Algemeene gesch. des Vaderlands, derde deel, 5e stuk, bl. 108-110).
‘Die nederlaag, zeer beduidend en zeer vernederend, werd door de Spaansch-gezinden in de Zuidelijke Nederlanden naar de gewoonte van den tijd met schimp-liederen gevierd. Het lied door Snellaert bezeten en waarvan hij slechts de eerste der tien strofen, mededeelt, is er een bewijs van.
‘In een lied bij van Lummel (bl. 529), op de inneming van 't Sas van Gent door de Geuzen in 1644, lied met aanvang: ‘Alweer geen deeg, de kuyp is leegh’, leest men:
‘Nog in een ander lied op de verovering van 't Sas (1644), met aanvang: ‘Juycht nu vereende Nederlanden’, wordt met bitterheid een schimplied der Gentsche Spaanschgezinden op de nederlaag te Calloo (1638) herdacht (van Lummel, bl. 535):
‘Die verovering van 't Sas van Gent in 1644 was overigens eene belangrijke gebeurtenis. Ook wordt zij bij van Lummel (bl. 529-539) in niet minder dan zes liederen bezongen. Het eerste, op 't refrein: Hebbende (l.: hebbense) dat gedaen, doense, doense, waarin gesproken wordt van ‘'t malle liedt’ van Callo, dat (blijkens Snellaert's aanteekening) op dezelfde wijze voorgedragen werd, schijnt er een bepaald antwoord op te zijn geweest.
‘Over het moeielijk beleg van 't Sas van Gent, zie Arend, derde deel, 5e stuk, bl. 467-469 en 488-491 (Begonnen beleg in Juni, 5 Sept. 1644 't Sas ingenomen)’.
Zooals de zangwijs bij Willems, t.a.p., voorkomt is ze volkomen ongenietbaar:

Wij deelen onder A eene verbeterde notatie mede. Naar ons oordeel komt de beste lezing voor, zonder tekst, in Anciens airs et chansons populaires de Termonde, uitgegeven door Klemens Wytsman, Dendermonde, 1868, nr. I, ‘van Ste Crispijn’. W. teekent daarbij aan, bl. 12: ‘Le plus ancien air de corporation qui nous soit parvenu, appartient à la confrérie de St. Crépin (cordonniers). Il porte le cachet archaïque du commencement du XVIe siècle’. Deze melodie waarop wij den tekst van Willems brengen, kan ook wel van de tweede helft der XVIde eeuw zijn. Wij brengen deze zangwijs op een tekst nagevolgd van A:

Wij laten thans verschillende andere lezingen derzelfde zangwijze volgen.
De eerste, te vinden onder de melodieën gevoegd bij het ter K. Brusselsche Bibl. berustend zoo genoemd Hs. van Anna Bijns, bl. 156, draagt tot opschrift ‘de Geuzen’ en wijst duidelijk op de door Snellaert medegedeelde strophe. Het slot dezer zangwijze, te oordeelen naar de twee lezingen die onmiddellijk achterna komen, is onvolledig:

De tweede lezing komt voor in de verzameling van Pers, getiteld: De laetste vernieuwde Urania, ‘zijnde het tweede deel van Bellerophon’, Amst. 1656, bl. 187, ‘stemme: Doense, doense’, met den tekst: ‘Slyp schaar en mes’ herdrukt door J.H. Scheltema, Nederlandsche liederen uit vroegeren tijd, 1885, bl. 239:

De derde lezing treft men aan in O. en n. Hollantse boeren-lieties, Amst. c. 1700, nr. 12, met het opschrift: ‘T' Slooterdyk’:


De vierde lezing wordt gevonden onder De Coussemaker's Chants pop. des Flam. de France, nr. 131, bl. 378, voor een lied op de spotnamen van de steden van Merris, Belle, Hazebroek en Boeschepe:

De zangwijze die volgt, medegedeeld door Pol de Mont, Het lied van den boom en leugenliederen, in Nederl. Museum, Gent, 1889, tweede deel van den jaargang, bl. 260, schijnt, wat den aanhef betreft, een van den mol- naar den parallellen durtoonaard overgeloopen afstammeling van de voorgaande melodieën, alhoewel het slot dan ook naar de oude Fransche zangwijs: ‘la Faridondaine’, is overgewaaid:

Gansch anders en modern klinkt de zangwijze medegedeeld door Bols, t.a.p., hierboven weergegeven onder D. Anders ook zijn de melodieën van de hierboven gemelde Duitsche liederen.
Onder verschillende benamingen wordt de besproken zangwijs aangehaald, o.a. door Van Lummel, Nieuw Geuzenlied-boek, bl. 529, voor het reeds vermelde lied op de verovering van 't Sas van Gent: ‘Alweer geen deeg, de kuyp is leegh’ (5 September 1644), ‘op de wyse: Hebbense dat gedaen, doense, doense’. - De wijs ‘Hebbense dat gedaen’ vindt men nog aangehaald bij Focquenbroch, Alle de werken, enz., Amst. 1696, II, bl. 180, voor: ‘Ons Leisje buur’; - De wijs: ‘Van doen, doen, doen’, is vermeld in Thirsis minnewit, Amst. 1752, I, bl. 60, voor: ‘Ontsluyt, ontsluyt uw venstertje’, een lied dat op het einde der laatste eeuw nog herdrukt werd in Het zingende nachtegaeltje, Amst., Holst, z.j., bl. 4, en G. van der Linden, Amst. z.j., bl. 4. De wijs ‘Doense, doense, etc.’, wordt gevonden in 't Groot Hoorns lb., bl. 268, voor een lied van J. de Regt: ‘Dat Sinter-Klaas / dien ouden baas’; ook te vinden in Thirsis minnewit, Amst. c. 1752, III, bl. 46 (zie hierna het lied: ‘Sinte Niclaai van Tolentijn’).
wordt aangehaald door J. ter Gouw, De volksvermaken, bl. 557, t.p., waar de schrijver van het ‘maandag maken’, naar het Fransch ‘faire le lundi’, over: ‘maandag vieren’ der ambachtsknechten spreekt, een gebruik dat de ‘zittende ambachten 't langst volgehouden hebben’. Naar het schijnt is het ‘maandag maken’ in Holland nog niet verloren gegaan, vooral bij de werklui van het bouwvak, van daar genaamd ‘maandaghouwers’; heel België door wordt de ‘maandag’ nog wekelijks gevierd.