
1, 3. Willems, sic; t.: drollig deuntjen. - 1, 2 en verder. t.: Pier la la. - 1, 7. t.: Pier la la ha ha. - 2, 2. t.: vaertjen en moertjen. - 2, 3. t.: hem seyden. - 2, 6. t.: wat dat. - 3, 2. t.: uwe. - 5, 3. nu, bijgev. - 6, 6. t.: gy lodelyk. - 12, 5. t.: boven; l.: beven, voor bevend. - 14, 6. t.: kokte een zuypken; zuypken = Fr. chaudeau; Ndl. kandeel, warme drank met eieren en suiker. - 15, 4. raeken, Westvl. 1e persoon = ik raak. - 16, 1. g'eten voor: gedronken. - 17, 5. t.:
den trom. - 18, 1. Willems sic: tekst: kiste. - 18, 3. al, bijgev. - 20, 1. Willems, sic; t.: Voords ging Pierlala regt, enz. - 20, 2-3. naeste bloed en vrienden = nauwe en verre verwanten. - 21, 3. Willems, sic; t.: en hy kwiste niet, enz. - 22, 3. t.: 'k ben. - 23, 3. t.: hem vragen vroeg en laet.
Los blad, Van Paemel, nr. 51, ‘Kluchtig liedeken op het wonderbaer leven en dood van den beroemden Pier la la. Stemme: Als Pier la la in 't kistjen lag met zijn twee billekens bloot’, wijsaanduiding ontleend aan eene variante van str. 17 hierboven, de eenige thans nog algemeen in Vlaanderen bekende:
Nederl. lb. uitg. door het Willems-Fonds, Gent, 1892, II, nr. 81, bl. 165; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 129, bl. 300, tekst van Van Paemel, met eenige veranderingen en inlassching van enkele Fransche woorden meer bij het refrein, en met weglating van str. 4, 5, 8, 9, 22, 23 en 24; - Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, Gent, 1852, nr. 57, bl. 32, en 1864, nr. 75, bl. 83, tekst naar Willems, met weglating van str. 5 (str. 7 van Van Paemel); - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., 1856, nr. 161, bl. 281, naar Willems; - Lootens et Feys, Chants pop. flamands, 1879, nr. 87, bl. 166, tekst naar V.P., met nieuwere spelling en enkele varianten; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1756, naar Willems.
Salomon van Rusting, Vol-geestige werken, Amst. 1693, bl. 344, geeft een ‘Lietje van St Jutmuts, bequaem om in verscheiden voorvallen gezongen te worden’, met aanvang: ‘Wy zyn er wel beestigh mee gebruyt’, en aanduiding: ‘op de vois: Pier la la lagh in de kist’. ‘St Jutmuts’ zal wel hetzelfde zijn als ‘St Juttemis’. ‘'t Gebeurde 't’, zegt J. ter Gouw, De volksvermaken, bl. 190: ‘dat op Vastelavond “het ijs nog in 't water lag”, dan had men 't Karneval op 't ijs, waardoor de vreugd verdubbeld werd. En vermoedelijk is de oude spreekwijs: “Te St. Juttemis als de kalven op 't ijs dansen”, daarvan afkomstig. Daar een “jut” een dwaas beteekent, is St. Juttemis een narrefeest, en past volkomen op den Vastelavond.’ Volgens Pr. van Duyse, Spreuken aan geestelyke zaken ontleend, in Belgisch Museum, V (1841), bl. 219, wijst de bedoelde spreekwijs op een tijd ‘die nooit komt’. Aan zijnen kant leert Prof. J. Vercoullie, Etym. Wdb., 2de uitg., dat St Jutmis zooveel beteekent als: ‘op den dag van de mis van St Jut’, d.i. van St Johanna. Jut is het Friesche diminutief van Johanna, en de hier bedeelde Johanna is de pausin Johanna. In de eerste uitgave der Volgeestige werken, 1665 - Van Rusting's rijmelarij beleefde in 1712 een
vierden druk - treft men ‘'t Lietje van St Jutmuts’ niet aan. Het lied ‘van Pierlala’ was dan toch reeds vóor het einde der XVIIde eeuw bekend en kan, zooals door Willems, t.a.p., wordt gezegd, opgekomen zijn sedert de invallen van de Franschen onder Lodewijk XIV (van Maart tot September 1678). W. voegt er bij: ‘De tekst neemt by elke nieuwe gewigtige gebeurtenis een nieuwe vorm aen, doch telkens staet Pierlala uit zyn graf op en spreekt zyn vonnis uit over de plaets hebbende omstandigheden. Hy vertoont zich dan als een Waelsche Epimenides, die den Vlaming komt bezoeken om hem tegen dreigend gevaer te waarschuwen. Zyn refrein bestaet veelal uit een paer fransche woorden.’
Een feuilleton (van P. Müllendorff) uit de Kölnische Zeitung van 26 Juli 1895, legt Pierlala uit als een Vlaming die, ofschoon met de Fransche taal weinig bekend, steeds Fransche uitdrukkingen in den mond had, als ma foi; c'est bon; là, là; ça, ça of c'est çà, van waar zijn naam. Cf. Van Paemel's Pier la la.
Parodieën van ons lied vindt men o.a. in Het Brabandsch nachtegaeltjen, Antw., Thys, z.j., bl. 47: ‘Liedeken van Peer la la // op eene vermaekelyke wyze’; aanvang: ‘Peerlala reyst de wereld rond’; - bij de Coussemaker, Chants pop. des flam. de France, 1856, nr. 93, bl. 303: ‘Als Pierlala nu ruym twee jaer’; lied op de Fransche omwenteling van 1789, en ten tijde van De C. nog bekend; - bij Pol de Mont, Volkskunde, Gent, III (1890), bl. 219: ‘Hoort, Pierlala is weergekeerd’, onder den titel: Pierlala uit Holland wedergekeerd, eene platte, grove parodie, uit de jaren 1830-1831.
‘Pierlala’ wordt aangehaald als stem in: De zingende koddenaar, Amst. 1771 (1ste druk), bl. 87, voor: ‘Komt vrienden luistert na de klugt’; - Het zingende nachtegaaltje, Amst., F.G.L. Holst, z.j., bl. 51, voor: ‘Gij vergt mij, dat ik zingen zal’; - De jonge pellekaen, Amst. B. Koene, z.j., bl. 3, lied ‘op het vinkje van Pierlala. op een fraaie voys’, met aanvang: ‘Als Pierlala met min doorwond’; verder, bl. 22 en 40, ‘stem van Pierlala’, de liederen: ‘Ik heb laatsmaal eens overdacht’ en ‘Goede avond! lieve bolle meid’; - Liedekens op den bly-geestigen sang-meester, Brussel, I (1800-01), bl. 5, 16, 63; - Snoecks liedjesboek, verzameling van liederen verschenen van 1830 tot c. 1880, Gent, bl. 16, 32, 46, 67; - Volksliedjes, getrokken uit het weekblad Het Gentsch vosken, 1848, bl. 1; - De dulle Griete, Vlaemsche liedekens op den tijd, door een waren volksvriend (P. Lebrocquy), z.j. (1848), bl. 20 ‘Pier, onze oude goede vriend’, hetzelfde lied als het hierboven vermelde uit Snoeck's lb., bl. 16; - Uit vader Bergmann's gedenkschriften, Gent, 1895, bl. 208, De Belgische Pierlala, 1830; - Gentsch museum, Gent, I (1895), bl. 146: De zeven-jaerige ronde van Pier-la-la binnen de stad Gent (1821): ‘Met de feeste der maend august. - In verschillende Gentsche nieuwsbladen bij gelegenheid van verkiezingen rondgestrooid, zooals in De vrije kiezer van 28 October 1894, Roelandt van 7 November 1895 en Stadswelzijn van 16 November van hetzelfde jaar, vindt men nog politieke liederen op de wijs van ‘Pierlala’.
In het Gentsch dagblad La Flandre libérale van 29 Juni 1903, komt onder den titel Notes et souvenirs een belangwekkend artikel voor van Prosper Claeys, over de te Gent verschenen ‘Pierlala’-liederen. Onder deze worden vermeld: een lied op
het vertrek der Franschen, die eene eerste maal Gent hadden bezet (12 November 28 Maart 1793), en verschillende liederen dagteekenend van de Fransche overheersching. De schrijver vond geen enkel ‘Pierlala’-lied van den tijd van het Hollandsche bewind; wat hem doet gelooven dat ‘Pierlala’, zooals de meeste zijner Gentsche medeburgers, over Koning Willem's bestuur tevreden was en het onnoodig vond ook een oogenblik uit zijn graf op te staan. Het hierboven aangehaalde liedje van 1821 verzet zich tegen die zienswijs niet, wel integendeel. Andere ‘Pierlala’-liederen door Pr. Claeys aangehaald slaan uitsluitend op politieke gebeurtenissen van 1848, 1856, 1857, 1875, 1877, 1879, 1882. De schrijver besluit met van ‘Pierlala’ te zeggen: ‘C'est un gantois de vieille race, franc du collier, van den ouden stempel en recht voor de vuist, ne ménageant pas ses expressions et disant franchement son opinion sur les choses et les hommes de son temps.’
Ons lied waaide, doch ingekort, naar Duitschland over. Eene vijfstrophige lezing uit Oldenburg: ‘Pierlala war ein einzger Sohn’, komt voor, met eene andere dan de voorgaande melodieën, bij L. Erk, Deutsche Volksldr., II, dl. aflev. 4-5 (1845), nr. 14, en bij denzelfden Volksldr. für Männerstimmen, II, nr. 77, vierstemmig. - In de Duitsche studentenliederboeken werd onze held tot een ‘Bierlala’; zie het Commersbuch van Max Friedlaender, Leipz. 1892, nr. 32, bl. 34: ‘Der Bierlala war der einz'ge Sohn’. Met de Duitsche melodie en het opschrift: ‘Vlämisches Volkslied’, vindt men eene tienstrophige, aan Willems, en aan Hoffmann ontleende lezing, in Niederdeutsches Lb., Hamb. u. Leipz., 1884, nr. 54, bl. 64.
Mondelinge overlevering (zie hierboven); -
Willems, t.a.p.; - Snellaert, t.a.p., uitg. 1852:

Nederl. lb., uitg. door het Willems-Fonds, II (1982), nr. 81, bl. 165, zelfde melodie, met begeleiding van J.C.M. van Riemsdijk, buiten den aanvang en het slot beide met: a a a a b cis d d d.
Lootens en Feys, t.a.p.; de aanvang als bij Willems, verder:


De Coussemaker, t.a.p.:

Zelfde melodie bij Snellaert, uitg. 1864, t.a.p. - Het Duinkerksche lied: ‘Ali, alo, pour Mashero’ (De C., bl. 271) heeft gelijken aanvang.
Lootens et Feys, bl. 167, ‘autre air’:

J. Bolte, Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, XVIII (1892), overdruk, bl. 17, en nr. 5 der muziekbijlagen, geeft naar nr. 32 van het 18de-eeuwsche Hs. 34, der Amsterdamsche Maatsch. tot bevordering der toonkunst, eene op de eerste strophe van Willems' tekst gebrachte zangwijs, zangwijs die
overigens ook te vinden is in het gedurende de XVIIIde eeuw aangelegde Hs. 45, bl. 63b, der zelfde maatschappij. Deze zangwijs is eene variante van E:

Ook onder de Nederl. baker- en kinderrijmen van Dr. J. van Vloten en M.A. Brandts Buys, 4de uitg. 1894, bl. 38, vindt men een liedje aanvangend met eene variante van str. 17 van den Van Paemelschen tekst. Het slot der melodie herinnert aan het refrein: ‘Den boer zal 't al betaelen’ (zie onze verhandeling: Het eenstemmig ... lied, Gent 1896, bl. 338 en 373):
