1, 3. en vlg. str., Wagenaer = voerman, een woord dat Van Dale verouderd noemt. In Bredero's Klucht van de koe, leest men: ‘Ick slacht de oude wagenaers, hoor garen 't clappen van de swiep’. Naar een welwillende mededeeling van den heer J.H. Scheltema, wordt het woord Wagenaar te Scheveningen nog wel gebruikt in de beteekenis van: voerman, wagenmenner, koetsier. - 7, 1. waare schous is het Duitsch wahres haus.






A. Het speel-schuytje met vrolyke naay-meysjes. ‘Zingende en queelende de aldernieuwste gezangen, alle op zoete en aengenaeme voysen. Den derden druk. In 's Grav., by Corn. van Zanten, Stads-drukker, woonende op 't Spuy 1751’, bl. 9: ‘Een seer vermakelyke klugt, die daer is voogevallen (sic) tussen een Switzer en den Vogel, binnen Amsterdam. Voys als 't begint’; hierboven weergegeven; - Het speel-schuytje met vrolyke naay-meisjes. ‘Waer in te vinden zyn de aldernieuwste liederen / die hedendaegs gezongen worden. De achste druk (sic). 't Amst. By S. en W. Koene’, z.j., bl. 10: ‘Een zeer vermakelyke klugt, die er [is] voorgevallen’, enz., zooals hierboven. - Beide drukken in k. 8vo, voorhanden in de Universiteits-Bibl. te Leiden.
Deze, de tot hiertoe oudst bekende lezing, wordt aangehaald door J.H. Scheltema, Nederl. ldr. uit vroegeren tijd, 1885, bl. VII.
B1. Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 2e uitg. 1864, nr. 120, bl. 128; - J.H. Scheltema, t.a.p., nr. 118, bl. 267. ‘Het lied’, zegt de verzamelaar, ‘behoort tot die liederen, welke ik reeds aan moeders schoot hoorde zingen. De woorden (in de lezing volgens Sch.) zijn aangevuld naar den tekst door Snellaert medegedeeld ... Bij dit lied behoort een zeil, waarop de voorwerpen staan afgebeeld, welke onder het zingen met een stokje worden aangewezen.’ - Ook in het Vlaamsche land wordt het lied nog voorgedragen, met een zeil of doek, in den aard van de ‘schilderijen’ onzer liedjeszangers. - B2. Medegedeeld door Prof. J. Vercoullie te Gent. -- C. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, nr. 87, bl. 290, ‘De vogel’. - Bij deze teksten sluit zich de lezing aan uit Elewijt (Brabant), met andere melodie, te vinden bij J. Bols, Honderd oude Vl. ldr., nr. 67, bl. 163, ‘De Poetsemscheer’, waar varianten uit St. Genesius-Rode, Mechelen en Brasschaat worden aangeduid; - D. De Coussemaker, t.a.p., nr. 86, bl. 288, Jan de mulder’, uit Belle.