





Mone, Anzeiger, 1838, bl. 385, medegedeeld door C. Serrure, hierboven weergegeven; de schrijfwijze geeft min of meer den Gentschen tongval weer. - Varianten: Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1852, nr. 69, bl. 41; 2de uitg. 1864, nr. 91, bl. 99, met de melding: ‘Gent’; - Hoffmann v.F., Niederländische Volksldr., nr. 162, bl, 285; - De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, nr. 139, bl. 397; - Lootens et Feys, Chants pop. flamands, nr. 105, bl. 199; - 't Daghet, Hasselt, 1888, bl. 188, opgeteekend te Beverloo; de melodie heeft geen andere maataanduiding dan het woord ‘rap’, d.i. vlug; - Nederlandsch lb. uitg. door het Willems-Fonds, II (1892), nr. 85, bl. 180; - Nederlandsch volkslb., door D. de Lange, J.C.M. van Riemsdijck en Dr. G. Kalff, 1896, nr. 122, bl. 163, opgenomen onder de kinderliedjes. - Dr. J. van Vloten, Nederlandsche baker- en kinderrijmen, 4de uitg. 1894, bl. 44, met eene melodie van L.F. Brandts Buys; - F.E. Delafaille, Gesch. van Mechelen, Mech. z.j. [1903], II, bl. 69.
Duitsche varianten worden vermeld door Hoffmann v.F., Schlesische Volkslieder, nr. 261, bl. 302, waar tekst en melodie van eene tienstrophige variante met aanvang: ‘Unser Bruder Malcher der wult a Reiter wârn’, te vinden zijn. De melodie heeft met bovenstaande niets gemeen. - Voor verdere Nederduitsche varianten, zie Firmenich, Germaniens Völkerstimmen, I, 124, 125; II, 284; III, 58, 113, waar men ook, bl. 658, eene lezing in Brabantschen tongval aantreft. - B.J. Docen, Miscellaneen, II, 257, vermeld door Mone, Uebersicht, bl. 204, § 291, geeft zeven vierregelige strophen van een lied van c. 1580, die alle, zooals ze hier volgen, met ‘Jan mine man’ aanvangen:
I. De Coussemaker, t.a.p., - II. Snellaert, t.a.p., ook te vinden in Nederl. lb. van het Willems-Fonds, t.a.p. Deze melodie is ontleend aan een liedje uit de opera in een bedrijf: Les deux petits savoyards (Paris 1789), woorden van Marsollier, muziek van Dalayrac, bl. 91 der partituur:


In de eerste helft der vorige eeuw zong men op diezelfde melodie eene Histoire de Cendrillon ‘racontée par le caporal Gobin à son retour d' Afrique, sur l' air: Ramonez-ci, ramonez-là’, woorden van Ch. de Lange, begeleiding van Ch. Plantade; Parijs, J. Meissonnier et fils. Deze zangwijs treft men ook aan, ofschoon ingekort, in La clef du caveau (1811), onder nr. 612. Het refrein: ‘Ramonez-moy ma cheminée’, was overigens reeds in de XVIde eeuw bekend. Men vindt het voor eene zeer vrije strophe, waarschijnlijk de eerste, van een liedje: ‘Une dame la matinée’, in La fleur de la poésie françoyse, Parijs, 1543; zie Weckerlin, L'ancienne chanson populaire en France, Paris, 1887, bl. 428. Rob. Eitner bracht in partituur de bewerking van dit lied, te vinden onder de van 1538 tot 1549 te Parijs, bij P. Attaingnant, verschenen vierstemmige chansons. De partituuruitgave met eene bijgevoegde vertaling van de oude Fransche teksten in moderne Fransche taal, door Dr. J. Bolte, komt voor onder de verzameling: 60 Chansons zu vier Stimmen, enz. ‘Publication älterer praktischer und theoretiker Musikwerke herausgegeben von der Gesellschaft für Musikforschung, Jahrg. XXVII (1897), Band XXIII’, bl. 55. Hetzelfde refrein vindt men o.a. terug voor een lied: ‘On dit que j'ai pour devise’ (‘L'air du ramoneur, etc.’) in La clef des chansonniers van Ballard, Parijs 1717, II, bl. 232 (de daar voorkomende melodie ging, doch niet ongedeerd, over in: Les parodies du nouveau théatre italien, Paris, 1738, II, nr. 73, bl. 72 der muziekbijlagen), en voor een ander lied: ‘Nous allons femmes et filles // vous revendre des coquilles’, op de nederlaag in 1690, bij Stafarda, door den maarschalk Nic. de Catinat, toegebracht aan den Hertog van Savoye, in Le nouveau siècle de Louis XIV, Paris 1857, bl. 137.
Eene variante dezer melodie diende insgelijks voor een rondedansliedje: ‘Pietje Verbond zat op den toren // Lulleman speelde op zijn trompet’, te vinden bij A. de Cock en Is. Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust, II (1903), bl. 94. Eene variante van den tekst van dit liedje ving aan, naar eigen herinnering: ‘Lamme Paret zat op den toren // en hij speeldege op zijn trompet // ret, tet, tet’; zij werd voorgedragen op de wijs van een jachtlied, het welbekende ‘Hallali’. - In Den singende swaan (Antw. 1655), Leyden 1728, bl. 353, vindt men de wijsaanduiding: ‘Grobbendoncq sat op den toren’, die wel eenige gemeenschap met het voornoemde rondedansliedje zou kunnen hebben. De melodie, hier naar de metriek van den tekst genoteerd, dient voor een geestelijk lied en is weer anders:

III. Lootens et Feys, t.a.p.; - IV. 't Daghet, t.a.p.; - V. Nederlandsch volkslb., t.a.p.