terug  begin  verderprepost
[p. 1183]

325. Daer was eenen man, eenen fraeyen man.

A.



illustratie

 
Daer was eenen man,
 
eenen fraeyen man,
 
eenen man van complaisantie,
 
en hy wiegt het kind,
 
en hy roert den pap,
 
en hy laet zyn vrouwtje dansen.

B.

 
Een schoone man, en een zoete man,
 
en een man van complaisance.
 
Hij roert zijn pap, en hij wiegt zijn kind,
 
en hij laat zijn vrouwtje dansen.
 
En hij gaat naar de markt
 
en hij koopt drie blauwe schorten,
 
eene voor mij, eene voor u,
 
en eene voor Bonaparte.
 
Bonaparte met al zijn knechten,
 
hij wilde tegen de reuze gaan vechten,
 
maar de reuze was al te kloek,
 
en Bonaparte scheurde zijn broek.
[p. 1184]

C.

 
Hop Mariannetje, drinkt e' kannetje,
 
laet je vrouwtje dansen.
 
En ik ben e' man en e' goeje man
 
en e' man van complaisance.

D.

 
1.
 
Hop, Marjannetje, koffiekannetje
 
hop, Marjannetje Jansen,
 
hij wiegt het kind en hij roert de pap,
 
en laat zijn hondje dansen.
 
 
 
2.
 
Hop, Marjannetje, tap me een kannetje,
 
tap me een hallef pintje;
 
een goede man en een brave vrouw,
 
en ook een heel lief kindje.

1, 1. Ook wel: ‘nog een kannetje’, en mostertkannetje’. - 1, 4. Ook wel: ‘Hij veegt den vloer en hij roert de pap // en laat de vrouw maar dansen’.

E.

 
1.
 
Hop, Marjannetje,
 
stroop in 't kannetje,
 
laat de popjes dansen;
 
eertijts was de Prins in 't land
 
en nu die kale Franschen.
 
 
 
2.
 
Hop, Marjannetje,
 
stroop in 't kannetje
 
hop Marjannetje Jansen.
 
Hij wiegt het kind, hij roert de pap
 
en laat zijn hondje dansen.

F.

 
Hop Marjannetje,
 
nog een kannetje,
 
nog een hallef pintje;
 
't is niet voor mijn,
 
maar voor Katrijn,
 
en voor haar beste vrindje.
[p. 1185]

G.

 
Hopsa, Jannetje!
 
stroop in 't kannetje,
 
moeder, mag ik eens likken?
 
Een goeie man en een brave man,
 
en een man van complaisance:
 
hij roert de pap en hij voêrt het kind,
 
en laat zijn vrouwtje dansen.

Tekst.

A. De Coussemaker, Chants pop. des flamands de France, nr. 78, bl. 276; - B. Lootens et Feys, Chants pop. flam., nr. 131, bl. 223, ‘air: Marie trempe ton pain’. De eerste vier regelen behooren alleen tot den oorspronkelijken tekst; wat volgt is een later bijvoegsel, waarin ‘de reuze’ voor ‘den Rus’ wordt gebruikt; - C. Variante uit Veurne (West-Vlaanderen); mondelinge overlevering; - D-G. Dr. van Vloten en M.A. Brandts Buys, Nederlandsche baker- en kinderrijmen, 4de druk, 1894, nrs. 41-44, bl. 107.

Dr. Kalff, Het lied in de M.E., bl. 424, vergelijkt dit lied met nr. 208, Antw. lb., aangehaald bl. 953 hiervoren, waar een ongelukkig echtgenoot klaagt:

 
Ic wassche, ic backe, ic vage den vloer, enz.

Het kinderprentje van Jan de Wasscher, dat men onder de vroegere Zantjes-Wale aantreft, geeft denzelfden huwelijkstoestand terug. Jan de Wasscher, zoo noemt men in Vlaanderen een man die ‘onder den rok staat’, wiens teedere wederhelft ‘de broek draagt’. - Zantje of Santje-Wale = image française (d'Épinal), Fransch prentje. Zantje is letterlijk een prentje, waarop een Sant, een heilige afgebeeld is, vandaar prentje in 't algemeen.

Een aanverwante tekst: ‘Hopp Marjanken, hopp Marjanken’ - ‘Tanzreim, sonst zum ‘Zweitritt’ gesungen, jetzt noch Liedchen für kleine Kinder - aus dem Elsass und vom Rhein, seit dem Anfang des 19. Jahrh. in ganz Deutschland gekannt’, is te vinden bij Böhme, Deutsches Kinderlied und Kinderspiel, 1897, nr. 545, bl. 121; zie de daar aangegeven bronnen; zie mede Firmenich, Germaniëns Völkerstimmen, I, 457, en Dr. G. Eskuche, Hessische Kinderliedchen, Kassel, 1891, bl. 15.

Melodie.

De Coussemaker, t.a.p.; - Dr. J. van Vloten en M.A. Brandts Buys, t.a.p., onder de ‘Spring- en dansrijmen’, bl. 107, met deze variante voor het tweede deel:



illustratie

 
Eer - tijds was de Prins in 't land
 
en nu die ka - le Fran-schen.

Eene andere variante diende voor eene lezing ‘vom Rhein (1800)’, zie Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1833, bl. 589. Böhme deelt deze zangwijs

[p. 1186]

ook mede als ‘Zweitritt oder Schreiter’, in zijne Geschichte des Tanzes in Deutschland, II, nr. 277, bl. 170.

Deze melodie is van Franschen oorsprong. In La clef du caveau, Paris 1811, waar zij, bl. 57, nr. 61 van de tafels, ‘Air de la Sauteuse (walse) du vaudeville d' Ida’ wordt genoemd, vindt men, onder nr. 777, deze zangwijs:



illustratie

Volgens Larousse, op het woord Sauteur, was de ‘sauteuse’ een snelle dans ‘à deux temps de danse et non à deux temps de musique’.

Ida ou Que deviendra-t-elle? is de titel van eene ‘Comédie anecdotique en deux actes et en prose mêlée de vaudevilles’, door J.B. Radet (1751-1830), voor de eerste maal vertoond te Parijs op ‘le théâtre du Vaudeville’, den 28 frimaire an X (14 Dber 1801). In dit stuk komt een couplet voor op de wijs van ‘La valse sautée’:

 
Un hasard heureux
 
Vaut mieux qu' esprit, savoir, prudence,
 
Un hasard heureux
 
Souvent prévient, remplit nos voeux.

Doch daar de slotregels ‘Eertijds was’, enz., zooals door G.J. Boekenoogen, Onze rijmen, Leiden, 1893, bl. 5, wordt gezeid, van o. 1795 dagteekenen, - het eigenlijke liedje ‘Hop Marjannetje’ kan nog eenige jaren hooger opklimmen, - moet de melodie reeds vóor het verschijnen der genoemde ‘Comédie anecdotique’ zijn bekend geweest. Inderdaad dezelfde zangwijs, evenals de bovenstaande Nederlandsche varianten met 6/8-maat gezongen, dient voor het thans nog bekende, wellicht oudere, Fransch kinderliedje hierboven als stem aangegeven, dat men o.a. aantreft in Weckerlin's Chansons de France pour les petits Français, Paris, z.j., bl. 9, en waarvan de tekst aanvangt:

 
Tremp' ton pain,
 
Marie, tremp' ton pain (2 maal)
 
dans la sauce;
 
tremp' ton pain,
 
Marie, tremp' ton pain (2 maal)
 
dans le vin.

Ook in Wallonia, Luik, III (1895), bl. 110, vindt men eene variante van onze melodie voor een wiegeliedje: ‘Abéye l' éfant, abéye l' éfant’.

prepostterug  begin  verder