

Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 2e uitg., 1864, nr. 117, bl. 126, één strophe.
Eene tweede strophe is nog heden te Gent algemeen bekend:
Een ‘Gentsch volksliedeken’ getiteld ‘Jan, mijne man’, gedicht door Pr. van Duyse, is te vinden op bl. 75 van Volksalmanak voor 1853, uitgegeven door het Willems-Fonds te Gent. Daarbij wordt aangeduid dat alleen de laatste zes verzen van de eerste strophe te Gent gezongen worden. Ziehier deze strophe:
Lootens et Feys, Chants pop. flam., nr. 221, bl. 217, die, op den slag aanvangend, de melodie tegendraads noteeren. Hier insgelijks heeft de tekst slechts één strophe.
Onder de Nederlandsche baker- en kinderrijmen van Dr. J. van Vloten en M.A. Brandts Buys, vierde druk, 1894, vindt men bl. 58 het liedje:
Of:
G.J. Boekenoogen, Onze rijmen, 1893, bl. 6, sprekende van verschillende 18de-eeuwsche volksliedjes tot kinderrijmen vervormd, herinnert aan het welbekende: ‘Altijt is Kortjakje ziek’, ontleend aan ‘Een nieuwe lied van Kortjakje, of 't leve en bedrijf van een secrete vrouw in dese stad, die so gaere de borrel had’. In het oorspronkelijke luidt het:
In O. en n. Hollantse boeren lieties, 2e uitg. Amst., c. 1700, komt, onder nr. 357, met opschrift: ‘Kort Jakie is weer levendigh geworden’, eene melodie voor met aanvang:
