
1, 2. stougen = stonden. - 1, 4. en verder, heeft de tekst farlala, terwijl men onder de melodie leest: fadrira.



A. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 89, bl. 294, uit Belle (Bailleul) en omstreken. ‘Men ziet’, zegt d.C., ‘dat de “chansonnettes”, waarin men met den Normandischen boer den draak steekt en die sedert eenige jaren in de Parijsche salons ingang vonden, niets nieuws bevatten. Sedert lang hebben de stedelingen met het eenvoudig en naïef karakter van den Vlaamschen boer den spot gedreven’. Of de Vlaamsche boeren thans nog zoo eenvoudig zijn, mag wel betwijfeld worden. Indien Plompaert en zijn wijveken nog leefden, zou de stedeling gevaar loopen hun ‘stulleken botere’ niet ‘ongemargarineerd’ ter markt te zien aankomen; - B. De Coussemaker, t.a.p., nr. 90, bl. 296, variante uit Burburg en St. Winocksbergen; - J.H. Scheltema, Nederlandsche ldr. uit vroegeren tijd, nr. 121, bl. 274, die in de voorrede van zijn werk, bl. VII, doet kennen dat de wijs van ‘Plompert en zijn wijveken’, reeds wordt opgegeven in Het Otterken, Haarlem 1628. Volgens A.J. van der Aa, Biogr. Woordenb., die waarschijnlijk steunt op eene aanteekening te vinden op het exemplaar berustend te Leiden, verscheen eene vroegere uitgaaf in 1616. Op bl. 49 van deze verzameling, voorhanden in de bibliotheek van den heer D.F. Scheurleer, en waarvan de volledige titel luidt: Het Otterken, ‘waer in dat zijn vergaert // liedekens / om zingen // die daer sonderlingen // oock hebben Otters aert. Door M[arin] de Brauwer’. Haerlem, Vincent Casteleyn, z.j. vindt men: ‘Een nieu liedeken / na de wijse: Plompert en zijn wyveken / etc.’, met aanvang:
De dertiende en laatste strophe luidt:
Dit lied is geteekend met de kenspreuk van M. de Brauwer: ‘Schickt u na den tijt’. Scheltema, t.a.p., bl. 383, vermeldt nog van denzelfde: Schalmeye, inhoudende veel geestelijcke liedekens, Haarl. 1611.
Het hier behandelde liedje is nog heden bekend in het gedeelte van de Rijnlanden, dat voorheen tot Gelderland behoorde. Het komt voor bij Dr. Hans Zurmühlen, Des Dülkener Fiedlers Liederbuch, Viersen, 1875, nr. 71, bl. 62, met aanvang: ‘Plompert on sin Wieveke’. Daar het reeds in den aanvang der XVIIde eeuw tot wijsaanduiding verstrekte, kan het wellicht in de XVIde eeuw worden thuis gebracht; - C. Lezing uit Veurne (West-Vlaanderen), mondelinge overlevering; - D. Hildebrand, Camera, obscura, 13de druk, 1880, bl. 84, zonder wijsaanduiding.
A. De Coussemaker, t.a.p., de notatie in nader verband gebracht met de metriek; - B. Dezelfde, t.a.p.; - J.H. Scheltema, t.a.p.; - C. Deze variante werd voorgedragen op de melodie van: ‘Klaes die sprak zyn moeder aen’ (zie nr. 327, bl. 1190 hiervoren).