


A. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 141, bl. 399; - B. Lootens et Feys, Chants pop. flam., 1879, nr. 78, bl. 149. Het liedje, door d.C. onder de zeer verspreide kinderliedjes gebracht, wordt door L. en F. onder de comische, satyrieke stukjes gerangschikt. L. en F. deelen den inhoud mede van het lied, dat zij vruchteloos trachtten te volledigen: een boer met geleende kleeren bekomt eene rijk uitgedoste boerin tot vrouw; na het huwelijk zien zij, dat zij elkander hebben bedrogen en vervallen zij in de uiterste armoede.