




4, 1. Zippeken, bovenvest, van het Fr. jupe. - 9, 3. siksken, van het Fr. chique.
A. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 129, bl. 374, Boerentevredenheyd. De eerste melodie te Belle, de tweede te Veurne opgeteekend. De wanklinkende taal in beide zangwijzen: ‘Als dé boer éen paer’ - die overigens verdwijnt in de melodie van B: ‘En áls de bóer een paar blókskens héeft’ - laat zich alleen begrijpen uit den overwegend populairen rhythmus der maat met 6/8.
B. J. Bols, Honderd oude Vlaamsche liederen, nr. 71, bl. 175, De boer. De laatste acht maten zijn aan de wijs ‘van den koekoek’ ontleend; zie hiervoren I, nr. 209, bl. 750; ‘'k Kwam laestmael door een groene wey’.
Eene lezing van den tekst ‘gehoord te Asch in de Kempen’, met aanvang: ‘En als de boer e paar blokskes heeft’, vijf strophen, komt voor in 't Daghet, Hasselt, 1890, bl. 143.