
De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 77, bl. 275. Dit lied, zegt d.C., aan Duinkerke eigen, is zeer populair en wordt vooral gezongen op de vastenavonddagen. Bazinne beteekent vrouw van een visscher, die eene schuit bezit. Zij geniet in het door haar bewoonde kwartier en onder de visscherlui achting naarmate haar man's vermogen grooter is. Vroeger had de bazinne een bijzonder kostuum dat tamelijk kostbaar was, daar de kant, de gouden ketting, het diamanten kruis en andere kleinooden er niet aan mochten ontbreken. Doch reeds ten tijde van d.C. was het door de moderne kleederdracht vervangen, zoodat het in September 1853, tijdens een bezoek van Keizer Napoleon III en de Keizerin, eenige moeite heeft gekost om enkele bazinnen te bewegen het oude kostuum aan te trekken.
In een liedje voorkomend bij Lootens et Feijs, Chants pop. flamands, nr. 84, bl. 160, met wijsaanduiding: ‘Air de Cadet Roussel’, vindt men in de derde echter onvolledige strophe, het woord ‘bazinne’ gebruikt in den zin van ‘de grootste’:
Volgens L. en F. heeft het woord ontrouwe (str. I) den zin van ‘diefachtig’.
De welbekende melodie van het Fransche liedje: ‘Cadet-Rousselle a trois maisons’, is o.a. te vinden bij Larousse, Grand dict., op het woord ‘Cadet-Rousselle’; over dit lied kan men ook raadplegen onze aanteekeningen in Wallonia, Luik, VIII (1890), bl. 110 vlg.