Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1864, nr. 119, bl. 127.
In Le musée de la conversation van Roqer Alexandre, 3de uitg., Parijs 1897, leest men, bl. 69, onder het opschrift: ‘Les canards l'ont bien passé’, het volgende: ‘Chacun se souvient de l'air sur lequel le refrain se chantait dans le Pont-cassé (dezelfde melodie als de bovenstaande), une des pièces les plus classiques du théâtre des ombres chinoises. Nous transcrivons ce fragment de la scène II, d'après Feu Séraphin, Histoire de ce spectacle depuis son origine jusqu'à sa disparition, 1776-1870 (Lyon, Scheuring, 1875):
Na le Pont-cassé, die eerst le Pont-rompu heette, te hebben toegeschreven aan Ch. J. Guillemain (Parijs 1750-1799), denkt de schrijver van Feu Séraphin, dat het stuk wel zou kunnen uitgaan van L. Fr. Archambault, bijgenaamd Dorvigny (1742-1812), die reeds door Manne et Ménétrier, Galerie historique de la troupe de Nicolet (het Guignol-theater), Lyon 1869, als schrijver daarvan wordt aangeduid. - Onder de door Ach. Jubinal, te Parijs in 1839 uitgegeven werken van Rutebeuf, den 13de-eeuwschen Franschen trouvère (OEuvres complètes de Rutebeuf I, bl. 474), komt eene dergelijke kluchtige tweespraak voor:
In moderne taal:
Hetzelfde woordenspel komt ook voor in een Anglo-Normandisch gedicht uit de XIIIde eeuw, samenspraak tusschen den koning en een minstreel: ‘Le dit du jongleur de Ely et de mon seignour le roi de Engleterre’, aangehaald door Leroux de Lincy, Recueil de chants historiques français, 1841, I, bl. XXVI vlg. De Koning ondervraagt den minstreel en deze antwoordt: Waar is de kerk, mijn vriend? - Sire, in de stad Ely. - Waar ligt Ely? - Sire, op 't water. - Hoe noemt men (Comment appelle-t-on) het water? - Men roept het niet (On ne l'appelle pas), maar het komt altijd:
Het door J.H. Scheltema, Nederl. ldr. uit vroegeren tijd, Leiden 1885, nr. 125, bl. 282, uitgegeven stuk, is eene navolging van le Pont-cassé. Het voert tot titel: ‘Het nieuwste lied ofte zamen-spraek voorgestelt door twee personen, in vragen en antwoorden, staende elk aen een kant van een stukkende brug. - Op een aerdige wys.’ Ziehier de eerste strophe met de melodie:

Scheltema ontleende den tekst aan Het vernieuwde lb. van de Hond in de pot, 4de uitg., Amst. 1783, bl. 72 (er bestaat eene uitgave van 1776), de melodie, aan J.W. Wilms, 21 zangwijzen van o. en n. Holl. ldr. en liedjes, Amst., bl. 3.
J. ter Gouw, De volksvermaken, bl. 650, geeft ons met de melodie - de eenige melodie voorkomende in het fraaie werk, waarin zooveel liedjes worden aangehaald - eene variante te kennen van de eerste strophe, ter plaatse waar hij schrijft: ‘Bij winteravond vertoonde de poppenkast de Chineesche schimmen op plein en brug, en 't klonk drie grachten ver, als de bruggeman zijn gezang aanhief: ‘Ik zal deze brug gaan maken’. De melodie insgelijks met 2/4-maat, doch met verdubbelde notenwaarde geschreven, is dezelfde als de onmiddellijk voorgaande, buiten het slot, dat luidt:

Het door Snellaert medegedeelde liedje, ook in Holland bekend als: ‘Al mijn eendjes’, nog heden in Vlaanderen verspreid, vooral te Gent populair door eene grove parodie, is dus, hoogst waarschijnlijk met de melodie, in Frankrijk ontstaan omstreeks het laatste kwartaal der XVIIIde eeuw. Deze zangwijs in Nederland bekend als: ‘Al mijn eendjes’, kan dus geen gemeenschap hebben, zooals wordt vermoed
door Dr. J.P.N, Land, Het luitboek van Thysius, nr. 9, met de melodie van het oudere ‘Daer is een leeuwerck doot ghevalle’; zie hierna het lied: ‘Daer is ä kindje in 't water gevallen’. Het komt ons voor, dat deze melodie integendeel verwant is met den aanvang van een dans uit Grétry's opera: La caravane du Caire (Parijs 1783), bl. 242 der partituur:

In de Inleiding op Willems' Oude Vl. ldr., bl. XXXIII, wordt door Snellaert de meening geuit, dat van ‘sommige algemeen verspreide deuntjes, als daar zyn, “Waer kan men beter zyn”, - “Klaes en trouw uw leven niet”, - “De brug is in het water gevallen”, enz., de muzyk, misschien ook de woordentext, uit vreemde opera's is overgenomen.’ Het eerste lied is voor den tekst en de melodie - geen ‘deuntje’, maar een van de fraaiste melodieën die bestaan - ontleend aan Grétry's Lucile, 1769, de melodie van het tweede is van denzelfde (zie nr. 327, bl. 1190 hiervoren), de Nederlandsche tekst is hier de tegenvoeter van den Franschen; de derde zangwijs herinnert aan Grétry, maar heeft bij hem geen tekst.