1, 5. t.: wonderlijch. - 1, 6. t.: genoechtelijch. - 1, 8. t.: ondenchlic. - 1, 9. t.: unde. - 3, 5. = men bond zijn hemdje met flarden. Vgl. B, 5, 5. - 3, 7. wrachte = schiep. - 3, 9. donren = donderen. - 5, 1. t.: quets.
3, 4. verwondert = verwonderde 't. - 3, 6. was = die was. - 3, 10. den bijgev.: vgl. D, 4, 10. - 4, 10. zuken = zuigen; vgl. A, 5, 10, C1 4, 10, en C2, 5, 10. - 5, 9. t.: dónré.

3, 4. der bijgev. - 3, 8. t.: dat hi die, enz. - 6, 10. t.: ay hy, enz. - 7, 1. t.: bescreff. - 7, 10. t.: wil en̄ vrede.
2, 8. Vgl. C1 2, 8: tegenwoerdig ende veer. - 3, 5. t.: son. Na dit woord is er eene opening in 't papier; er heeft waarschijnlijk gestaan: gewan.
A. Haagsch Hs. nr. 721, uit de XIVde eeuw, afkomstig uit de verzameling van Joncher Johan, Grave zo Nassou zo Vyanden, aldaar, nr. 54, ‘vander moeder Gods’, uitgegeven door Mr. L. Ph. C. van den Bergh, N. werken van de Maatsch. der Nederl. lett., Dordrecht 1841, dl. V, stuk 2, bl. 112-4. Aan den uitgever medegedeeld door D. Buddingh, die naderhand zelf het stuk ten deele herdrukte in Verhandelingen over het Westland, Leyden 1844, bl. 364, en steunende op de onderteekening No, het lied toeschreef aan Noydekin. - Dit vermoeden, zegt L.D. Petit, Bibliographie der Middelnederl. taal- en letterk., Leiden 1888, bl. 184, nr. 787, berust op eene dwaling: ‘de letters NO onder dit lied beteekenen toch niet Noydekijn, maar Notabel’. Zie over het Hs. zelf: J.A. Nijland, Gedichten uit het Haagsche Liederhandschrift, enz., Leiden, 1896, bl. 125 vlg. - B. Haagsch Hs. uit de XVde eeuw; meegedeeld door Mr. L. Ph. C. van den Bergh, t.a.p., bl. 105. Bij dezen tekst sluiten zich aan de varianten C en D, die volgen.
C1. W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr. (Vierteljahrsschrift, 1888), nr. 10, bl. 184, met de melodie, naar het 15de-eeuwsch Hs. van Weenen, nr. 7970.
C2. Bl. 31 van het Hs. van Antonius Ghyselers, vervaardigd van 1505 tot 1518, beschreven door C.P. Serrure, Vaderlandsch museum, IV (1861), bl. 181, vlg., met wijsaanduiding: ‘Cleve, Horn, Batenborch’ (zie hiervoren II, bl. 1544, een lied dat nochtans anderen strophenbouw heeft) en het opschrift: ‘Deese selve leysene’ (de Latijnsche tekst ‘Dies est leticie’ gaat in het Hs. onmiddellijk vooraf) ‘in Duytschen’. Deze met eene Duitsche tint overgoten tekst sluit zich aan bij den onmiddellijk voorgaanden.
D. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 21, bl. 50, met wijsaanduiding: ‘Dies est leticie’, naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs. 8. 190; - E. Id. t.a.p., nr. 22, bl. 52, zelfde wijsaanduiding, naar het Berlijnsch Hs. 8. 155. Verder wordt de tekst gevonden: Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 239, uitg.
D.F. Scheurleer, bl. 277, aant. bl. 317 en 324; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 6 ro, aanvang: ‘Het is heden den dach van vroolijckheyt’ - op de wijse: ‘Doe Jesus ghebooren wert’ (voor deze wijs zie hierna het lied: ‘Wildi horen singhen // enen soeten sanc’); - Het hofken der gheest. liedekens, Loven 1577, bl. 33, zonder wijsaanduiding; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw. z.j., geest. goedk. 1557, sign. A 6 vo, ‘op de wijse: ‘Doen Jesus’, enz.; - S. Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sangen (1621), 1627, bl. 46, met de melodie en het opschrift: ‘Van oudts in't Latijn ghesteld ende nu versch in 't Duytsch over-geset, op de wijse als zy begint’. Daarnaar J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, O. en n. Kerstliederen, Amst. 1852, nr. 9, bl. 18: ‘'t Is een dag van vrolijkheid’, gemoderniseerd. - Twee Latijnsche kerstliederen hebben tot aanvang, het eerste: ‘Dies est laetitiae // nam processit hodie’, het tweede: ‘Dies est laetitiae // in ortu regali’.; zie Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, I (1864), bl. 206 vlg. Beide worden vermeld door J. Bolte, Das Lb. der Anna von Köln, in Zeitschr. für deutsche Philologie, XXXI (1888), bl. 129 vlg. - Van het laatstgenoemde stamt onze tekst af. De Latijnsche 14de-eeuwsche tekst, bij Wackernagel, nr. 322, 10 str., is ook te vinden in Een dev. en̄ prof. b., voormeld, nr. 238, bl. 276, 6 str.; verder bij Mr. van den Bergh, t.a.p., bl. 104; - W. Bäumker, Ein deutsches geistl. Lb., Leipzig 1895, Hs. daarvan; zie de Inleiding, bl. X; - Het prieel der gheest. melodie, Brugghe, 1609, bl. 33; - Theodotus, t.a.p.; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken, voormeld, sign. A 2 ro; - Dit is een suyverlijck boecxken, Amst. Corn. Dircksz. Kool, 1648, bl. 2; - Messis copiosa, Amst. 1761, nr. 18, bl. 24, en nog in Oude ende nieuwe lof-zangen, door J. S[tichter] (Amst. We. C. Stichter, 1740), latere uitg. Amst. H.C. Beekman, z.j., bl. 106. - Aang. door Dr. J. te Winkel, Gesch. der Nederl. letterk., I (1887), bl. 428, t.p. waar door den schrijver wordt besproken het geestelijk lierdicht, ‘dat niet zoozeer om de zangwijze, als wel om den inhoud en de gemoedsstemming moet onderscheiden worden’, en waar wordt gewezen op de vertalingen van Latijnsche kerkgezangen, als in de eerste plaats tot het geestelijk lierdicht behoorende.
In de Inleiding tot de Niederl. geistl. Ldr., t.a.p., bl. 156, is Bäumker van gevoelen, dat ons lied en tal van andere, die men in katholieke zangbundels gedurig terugvindt, tot bewijs verstrekken, dat in de Nederlanden, zoowel als in Duitschland, in de kerk, liederen in de volksspraak werden gezongen. Dr. Kalff, in eene recensie van Bäumker's werk, verschenen in Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, XIV (1888), bl. 158 vlg., is integendeel van meening, dat die vertalingen van Oudlatijnsche liederen, welke ook in latere katholieke gezangboeken voorkomen, toch moeielijk kunnen bewijzen, dat zij vroeger werkelijk door de gemeente in de kerk gezongen zijn. ‘Zoolang’, zegt Dr. Kalff, ‘geene sterk sprekende bewijzen zijn aangevoerd, moeten wij ons, meen ik, houden bij de oude zienswijze, dat de katholieke geestelijkheid het monopolie van het gezang in de kerk had en hield; dat eerst door de Hervorming het gemeentegezang in gebruik werd gebracht’. In het decreet ‘Motu proprio’, op 22 November 1903 uitgevaardigd door Paus Pius X, wordt uitdrukkelijk gezegd: het Latijn is de taal der Kerk, het is verboden van de volkstaal gebruik
te maken bij den eeredienst. - Doch dat deze regel vroeger niet altijd werd nageleefd, kan men o.a. leeren uit de ‘Épitres farsies’ (zie het onmiddellijk volgende lied).
Voor de Duitsche lezingen: ‘Der Tag der ist so freudenreich’, zie Hoffmann v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, nr. 161, bl. 299, en Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, I, nr. 43, bl. 286 en vlg. - H.v.F. ziet echter de tweede strophe, met aanvang: ‘Ein Kindelein so löbelich’, aan als tot een zelfstandig lied behoorend. J. Bolte, t.a.p., vermeldt eene Nederduitsche vertaling: ‘De dach de is so fröwdenrich’ en een daarvan afwijkenden tekst: ‘It is ein dach der vroelicheit // want god mynsch geboren is’. - Voor Engelsche lezingen zie J. Julian, A dictionary of hymnology; London 1892, bl. 294.
Even talrijk als de Latijnsche lezingen en de vertalingen van dit lied, zijn de lezingen der melodie. Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, t.a.p., deelt acht varianten van deze zangwijs mede, terwijl J. Zahn, Die Melodie der deutschen evang. Kirchenldr., IV, nrs. 7869-7872, bl. 589, er ons doet kennen in gebruik bij de Lutheranen. Wij laten enkele lezingen uit Nederlandsche liederver-zamelingen volgen:
W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., t.a.p., bl. 184:

De 15de-eeuwsche lezing naar het Hs. van Trier, medegedeeld door Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenl., bl. 289, en die van het Graduale van Leuven, 1633, bl. 173, herdrukt door Scheurleer, t.a.p., bl. 317, die ook de Triersche lezing geeft, bewijzen, zoowel als de lezing uit de Souterliedekens, Antw. 1540, Ps. 118 R, te vinden hiervoren, II, nr. 292, bl. 1042, voor het lied: ‘Het was een proper knechtken reyn’, dat deze melodie wel tot den iastischen modus behoort.
Dezelfde lezing als in de Sout.: ‘op de wijse: Dies est laetitiae oft, Tis heden een dach, etc.’, ditmaal in g, doet zich voor in Fruytiers' Ecclesiasticus, Antw. 1565, nr. 98, bl. 184, voor het lied: ‘Enoch behaechde Godt seer wel’.
Met de XVIIde eeuw gaat de melodie naar den modernen durtoonaard over, immers zooals wij ze vinden in Het prieel der gheest. mel., 1609, bl. 33, oorspronkelijk in f met ♭, en zooals ze onveranderd voorkomt bij Theodotus, t.a.p.:

De gebroeders Alberdingk Thijm, t.a.p., namen laatstgenoemde lezing over.
In modernen durtoonaard vinden wij insgelijks onze zangwijs met stemaanduiding: ‘Dies est laetitiae in ortu regali’, in Stalpert's Gulden-iaers feest-dagen, 1635, bl. 1252:


Eene andere zangwijs, die dan toch met de voorgaande eenige gemeenzame trekken heeft, is te vinden onder nr. 238, bl. 276, van Een dev. en̄ pr. boecxken, 1539. Met bijvoeging van den aan den sleutel ontbrekenden ♭ en verandering der laatste twee noten, bes, bes (als eene drukfout aan te zien) in c, c, klinkt de melodie onvolledig iastisch en sluit zij zich aan bij de lezing voorkomende in Graduale, Leuven 1633, bl. 173, mede herdrukt door D.F. Scheurleer, t.a.p., bl. 317:

J. Bolte, t.a,p., vermeldt insgelijks twee met elkander verschillende melodieën.
‘Dies est letitiae’ wordt aangehaald als wijs, o.a. door Theodotus, t.a.p., bl. 60, voor: ‘Alle die peysdorstich seyt’, en bl. 109, voor: ‘Jerusalem wilt opstaen’. Dit laatste lied komt voor bij N. Janssens, Een nieuw. dev. geest. lb. (kerk. goedk. 1594), uitg. Antw. z.j., bl. 29, waar dezelfde wijs nog wordt vermeld, bl. 13, voor het lied: ‘Gy dochter van Syon reyn’.
In Den gheest. nachtegael, Antw. 1634, II, 26, vindt men een lied: ‘Tis heden een dagh van vroyelijckheyt // ontfangt hemel en aerde’, enz. (‘Onse L. Vrouwen-presentatie’), met anderen strophenbouw en andere melodie.