
1, 4 = in de menschelijke gedaante. - 2. Met deze strophe sluit de lezing te vinden in het Hs. van Meerman. - 2, 2. t.: den maghet, d.i. die + het pronomen
en, dien. - 2, 3. lancken, waaruit Fr. flanc, zijde. - 4, 1. si is accusatief. - 4, 4. t.: si moch wel syn verblyt. - 4, 5. si en el nye gheyne, zij en geene andere. - 5, 3. totter fioletten, tot de violette. - 6, 1 en 2: Door u wordt nog goedgemaakt wat Adam heeft verdorven. - 6, 5. greyne, korrel, kern, de keur van iets, het liefste, het voortreffelijkste. - 6, 6. t.: hertzen scryn; scryn, kast. De zin is: in 't binnenste van uw hart. - 6, 7. soen, zoon. - 7, 5. Zie 4, 5 en vgl. met deze strophe Een dev. en̄ prof. boecxken, nr. 110, bl. 137, str. 3 van het lied: ‘Een maechdeken wtvercoren’. - 9, 3. doer onse vrome, tot onze baat. - 9, 4. t.: in u als menschen. - 10, 1. Hs. van Meerman: ‘Die maecht doen consente[e]rde. - 10, 4. t.: oec si. - 10, 7. dierne, deerne, maagd, dienstmaagd. - 11, 6. drochtyne, Heer. - 12, 6. t.: medicyn.
1, 3. scoren; in de andere lezingen: storen. - 5, 3. ick bijgev. - 7, 5. Bleyne, met de figuurlijke beteekenis van schande, smet (C. Lecoutere).
A. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., Vierteljahrsschrift 1888, nr. 48, bl. 249, naar het Berlijnsch 15de-eeuwsch Hs. 8o 190, hierboven weergegeven.
B. C. Lecoutere, Middelnederl. geest. ldr., in Leuvensche bijdragen, Antw. III (1899), bl. 58 vlg., nr. 8, naar een Hs. van het einde der XVde of het begin der XVIde eeuw, ter ‘Bibliothèque nationale’ te Parijs, zonder wijsaanduiding. De uitgever doet opmerken, dat de strophen, die in de meeste overige lezingen aan het begin komen, werkelijk beter passen aan het slot. De hierna vermelde lezing van het Hs. 1042 van Meerman, die aanvangt met str. 1 van A, sluit met de strophe: ‘Des moeghen wi wel dancken // die moeder’, enz.; al de overige ons bekende lezingen hebben denzelfden aanvang en hetzelfde slot als A.
Verder wordt de tekst gevonden in: Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, nr. 2, [bl. 12], 9 strophen, met enkele varianten, str. 1-8, 10 en 12 van A; herdrukt door Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen (Verslagen en mededeelingen der K. Academie van Wetensch. Afd. Letterk., 3de reeks, dl. IV, 1887, bl. 368; die het lied aanhaalt als voorbeeld van leis (beurtzang met solo en koor). - Hs. nr. 1042 van
Meerman (na 1525), thans nr. 2631, 2de serie, der K. Brusselsche Biblioth., lied nr. 61, 10 strophen, met betrekking tot A in deze volgorde: 1, 3-8, 11, 10, 2; - Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 226, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 258 en aant. bl. 333, met eenigszins jongere spelling, in den grond geheel en al dezelfde tekst als A; herdrukt door Dr. Acquoy, Middeleeuwsche geest. liederen en leisen, 1888, nr. 214, bl. 48, aant. bl. 56; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), uitg. Amst., Corn. Claesz., z.j., bl. 6 vo, nog jongere spelling, zonder str. 9; - Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 8, sluit zich aan bij Een dev. en̄ pr. b., echter zonder str. 9 en 11 van A; - Veelderh. Schrift. leysenen, Antw., kerk. goedk. 1587, sign. A 7 vo, 11 str.; - Het prieel der gheest. melodie, Brugghe, 1609, bl. 83, ‘op de wyse alsoot beghint’, 10 str.; - Parnassus, dat is den Blijen-bergh, Antw. 1623, bl. 135; - Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sanghen (1621), Antw. 1648, bl. 62, 4 str.; - Den geest. nachtegael, Antw. 1634, I, 180, 12 str.; - Den blijden-wegh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 6; - Den gheestelycken speelwagen, Antw. 1671, bl. 5; - Oude en nieuwe lofzangen, Amst. 1740, bl. 37, ‘stemme als 't begint’, 11 str.
Aangeh. als stem: Catholijck sancboeck (later verschenen als: Gheest. harmonie), Embrick (1620); uitg. zonder titelblad (1633?), bl. 24, voor: ‘Met eenen soeten schal // nu frolick singet al’; - Bolognino, Den gheest. leeuwercker, Antw. 1645, bl. 82, voor het lied: ‘Laet ons met vreught beghinnen // 'tkinneken te loven en te minnen’.
Bäumker, t.a.p., hierboven weergegeven. - Naar dezelfde bron herdrukt door Dr. Acquoy, Middeleeuwsche geest. ldr. en leisen, t.a.p.; - Een dev. en̄ pr. boecxken, t.a.p., zelfde melodie doch onduidelijk tengevolge van den druk; - Het prieel, t.a.p.:


Zoowel als deze laatste zangwijs, hebben de lezingen voorkomende bij Theodotus en in Den geest. nachtegael, versieringen die men in de 15de-eeuwsche lezing niet aantreft. - In het Brusselsche beiaardboek van 1648 vindt men, ‘voor Kersmisse’, onder de benaming: ‘Laet ons met herten reyne’, de bijna niet meer te herkennen melodie medegedeeld door Edm. Vander Straeten, La musique aux Pays-Bas, V (1880), bl. 25:

Eene variante van het refrein doet zich voor in de onderstem van eene tweestemmige bewerking medegedeeld door W.P.H. Jansen, in Tijdschr. der Vereenig. voor N.-N. mzgsch., IV (1894), bl. 145, naar een Hs. gevoegd bij een zangboek van 1609, van het Amsterdamsche Begijnhof:

Een ‘Praeludium voor Laet uns met herten reyne, van Jan Bull Dr.’, en een ‘Orgelsatz anonym. Laet uns’, enz., komen voor in het Hs. 23623 van het Britsch Museum te Londen, een ‘Virginal resp. Orgelbuch in 4o, 1628 geschrieben und zwar in den Niederlanden’. Zie Henry Davey, in Monatshefte für Musikgeschichte, XXXIV (1902), bl. 93 vlg.