
1, 2. hent aen = tot aen. - 2, 4. en bijgev. - 3, 3. verweende, Lat. gloriosa, roemrijke, gelukzalige. - 5, 1. waghen = vloed, Hgd. woge; zie hiervoren II, bl. 1546.
Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., 1833, nr. 4, bl. 19, 7 str.; - Id., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 26, bl. 67, 8 str., deze laatste lezing hierboven
weergegeven. Die tekst is ontleend aan het 15de-eeuwsch thans te Berlijn berustend Hs., Ms. germ. 8.185. Volgens H.v.F. is het lied waarschijnlijk in Duitschland ontstaan, daar str. 7 van den Nederlandschen tekst slechts met behulp van een lateren Duitschen tekst kan hersteld worden. In het Hs. luidt deze strophe:
Deze Duitsche tekst is te vinden in H.v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, nr. 36, bl. 107-9; - Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, II (1867), nr. 460, bl. 303; - Böhme, Altd. Lb., 1877, nr. 517, bl. 622, eerste str.; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederh., III (1894), nr. 1921, bl. 628. Bij Wackernagel heeft de vijfde str.:
Buiten deze lezing zijn er nog twee andere Duitsche bekend, de eerste in een XVde-eeuwsch Hs. ter K. Bibl. te Berlijn (4 str.), de tweede voorkomende in een geestelijk liederboek, Straatsburg 1626 (6 str.). Zie de aangehaalde Duitsche schrijvers. Dit lied ‘ein uraltes Gesang’ genoemd, wordt toegeschreven aan Joh. Tauler, den vermaarden mysticus en prediker, ‘doctor illuminatus’, Dominicaner-monnik, in 1290 te Straatsburg geboren, aldaar in 1361 overleden. Doch volgens E.u.B., bestaat er meer dan een reden om het lied aan te zien als ontstaan aan den Neder-Rijn. - In geen van beide lezingen doet zich de strophe: ‘Es liegt in der Wiegen’ voor. Zooals E.u.B. het overigens doen opmerken, wijken de drie Duitsche teksten tamelijk af van den Nederlandschen.
Voor de melodie, naar het vermelde Andernacher Gesangb., 1608, welke nochtans oud schijnt, en die wij onder den tekst brengen, zie Böhme, t.a.p.; - Erk u. Böhme, t.a.p.; - Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, I, nr. 85, bl. 346, en Joh. Zahn, Die Melodien der deutschen evang. Kirchenldr., I, nr. 131, bl. 37.