terug  begin  verderprepost
[p. 1880]

484. Het comet een schip gheladen.



illustratie

 
1.
 
Het comet een schip gheladen,
 
hent aen dat hoochste boort;
 
Maria hout dat roeder,
 
die enghel stuurt dat voort.
 
 
 
2.
 
Maria, godes moeder,
 
ghelovet moetstu sijn,
 
wi waren al verloren
 
en dedet u lieve kindekijn.
 
 
 
3.
 
Maria, godes moeder,
 
ghelovet moetstu sijn,
 
verweende coninghinne,
 
der enghelen aneschijn.
 
 
 
4.
 
Maria, godes moeder,
 
hoe is u lof so breit,
 
ten can gheen man beschriven
 
u grote eerwaerdicheit.
 
 
 
5.
 
In eenre stilre waghen
 
comet ons dat schip aen lant,
 
het brenghet ons rike gaven,
 
een soen is ons ghesant.
 
 
 
6.
 
Het leghet in eenre cribben
 
dat lieve cleine kint,
 
met sinen verweenden ribben
 
in snoden doekerkijn.
 
 
 
7.
 
Het leghet in eenre wieghen
 
dat lieve kindekijn,
 
het lichtet als een spieghel,
 
ghelovet moet het sijn.
 
 
 
8.
 
Mocht ic dat kindekijn cussen
 
voor sinen roder mont,
 
des mochte mi wael ghelusten,
 
van sonden werdic ghesont.

1, 2. hent aen = tot aen. - 2, 4. en bijgev. - 3, 3. verweende, Lat. gloriosa, roemrijke, gelukzalige. - 5, 1. waghen = vloed, Hgd. woge; zie hiervoren II, bl. 1546.

Tekst.

Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., 1833, nr. 4, bl. 19, 7 str.; - Id., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 26, bl. 67, 8 str., deze laatste lezing hierboven

[p. 1881]

weergegeven. Die tekst is ontleend aan het 15de-eeuwsch thans te Berlijn berustend Hs., Ms. germ. 8.185. Volgens H.v.F. is het lied waarschijnlijk in Duitschland ontstaan, daar str. 7 van den Nederlandschen tekst slechts met behulp van een lateren Duitschen tekst kan hersteld worden. In het Hs. luidt deze strophe:

 
Het leghet in eenre waghen
 
dat lieve cleine kint,
 
het luchtet woe een spiegel
 
als die kersten alle gader sijn.

Deze Duitsche tekst is te vinden in H.v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, nr. 36, bl. 107-9; - Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, II (1867), nr. 460, bl. 303; - Böhme, Altd. Lb., 1877, nr. 517, bl. 622, eerste str.; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederh., III (1894), nr. 1921, bl. 628. Bij Wackernagel heeft de vijfde str.:

 
Es ligt hie in der Wiegen
 
das liebe Kindelein,
 
sein Gsicht leucht wie ein Spiegel,
 
gelobet mustu sein.

Buiten deze lezing zijn er nog twee andere Duitsche bekend, de eerste in een XVde-eeuwsch Hs. ter K. Bibl. te Berlijn (4 str.), de tweede voorkomende in een geestelijk liederboek, Straatsburg 1626 (6 str.). Zie de aangehaalde Duitsche schrijvers. Dit lied ‘ein uraltes Gesang’ genoemd, wordt toegeschreven aan Joh. Tauler, den vermaarden mysticus en prediker, ‘doctor illuminatus’, Dominicaner-monnik, in 1290 te Straatsburg geboren, aldaar in 1361 overleden. Doch volgens E.u.B., bestaat er meer dan een reden om het lied aan te zien als ontstaan aan den Neder-Rijn. - In geen van beide lezingen doet zich de strophe: ‘Es liegt in der Wiegen’ voor. Zooals E.u.B. het overigens doen opmerken, wijken de drie Duitsche teksten tamelijk af van den Nederlandschen.

Melodie.

Voor de melodie, naar het vermelde Andernacher Gesangb., 1608, welke nochtans oud schijnt, en die wij onder den tekst brengen, zie Böhme, t.a.p.; - Erk u. Böhme, t.a.p.; - Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, I, nr. 85, bl. 346, en Joh. Zahn, Die Melodien der deutschen evang. Kirchenldr., I, nr. 131, bl. 37.

prepostterug  begin  verder