
1, 6. nu = nieuw. - 3, 3. den = dien. - 8, 2. sow = souden. - 8, 3. waer = waren. - 10, 2. const = consten = konden. - 15, 3. woen = wonen. - 15, 4. vennoet = vennoot, deelgenoot. - 25, 3. t.: arbeit. - 26, 4. const, vgl. 10, 2. -
33, 1. onbevangen = ombevangen, omsluiten, vgl. hiervoren I, nr. 64, bl. 320, str. 1, v. 5. - 33, 2. meent = mint. - 34, 4. verselt = vereenigd, verbonden. - 37, 2. te bijgev. - 42, 1. morch = merg. - 45, 2. is bijgev. - 49, 3. t.: ic hop, scowen. - 50, 4. t.: sÇeuen. - 55, 4. gedeylicht, Duitsch: getilget = gedelgd. - 56, 4. t.: den ziele.
W. Bäumker, Niederl. geist. Ldr., nr. 17, Vierteljahrsschrift 1888, bl. 197.
Bäumker, t.a.p.; - J.C.M. van Riemsdijk, Vier en twintig liederen uit de 15de en 16de eeuw, 1890, nr. 9, bl. 15.
Het refrein ‘suyo, suyo’, enz. heeft aan de hymnologen veel werk geleverd. Elders heet het: ‘susa ninna susa noe’ (zie het lied ‘Ons ghenaket die avontstar’, te vinden bij Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 14, bl. 39) of ‘suja, suja’, ook ‘suze nanje’ (Dr. van Vloten, Nederl. baker- en kinderrijmen, 2de uitg., I, bl. 11, 12), en bij de Duitschers: ‘sausa minne’ (Hoffmann v.F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg., 1861, nr. 248, bl. 420, het lied: ‘Do Gabriel der engel klar’).
Volgens laatstgenoemden schrijver, t.a.p., is ‘susa’ eene vermaning tot stilte, en ‘ninne’ of ‘minne’, zooveel als lieveken. Het woord ‘minneken’ voor ‘lieveken’, is in Vlaanderen nog bekend. Een nog niet gansch vergeten wiegeliedje (zie hiervoren II, bl. 1309), vangt aan: ‘Do, do, kinne (d.i. kindeken) van de minne’.
Het stuk behoort tot de ‘wiegeliederen’ van den Kerstnacht. In Duitschland waren deze gedurende de XVIde eeuw algemeen in zwang. In Frankrijk werd, volgens denzelfden schrijver, de geboorte van Christus, door middel van eene kribbe en zangers in herdersgewaad, reeds vroegtijdig voorgesteld. (H.v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, bl. 416 vlg.). Hetzelfde gebruik bestond in de Nederlanden. Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen (Verslagen en mededeelingen der K. Akad. van wetensch. Afdeel. Letterkunde, 3de reeks, dl. IV, 1887, bl. 377-85; separaatdruk, bl. 26-37), haalt de getuigenis aan van een Amsterdammer uit de XVIde eeuw, zelf uit de R. Katholieke Kerk voortgekomen, den bekenden Walich Syvaerts. In de ‘Voor-reden’ van zijn ‘Roomsche mysterien’, Amst. 1604, schrijft deze, zich beroepende op de herinnering van zijne vroegere geloofsgenooten: ‘Sy weten hoemen op Kersdach een wieghsken met een beeldeken daer inne, nae een cleyn kindeken ligghende in de luyers gefatsoneert, opt hooch Autaer plachten te setten: ende dat d'Ouders hare kinderen met een wieghsken ende schelle in de kercke leyden: ende als de Priester onder de Misse het kindeken opt Autaer staende begoste te wieghen ende te singhen Eia, Eia, Eia, etc. zoo vinghen de kinderen voort mede aen elck zijne kindeken te wieghen ende Eia te singhen, maeckende daer benevens een groot gheluyt ende gheclanck met haere schellen, dat de gheheele kercke daer van vervult was: waer onder de Orghel op eene sonderlinghe wyse was spelende, die het spel hielp vercieren.’
De Coussemaker, Chants pop. des Flam. de France, Inleiding, bl. VIII, leert hoe voorstellingen van dezen aard nog in de verleden eeuw in de kerken, op Kerstdag, werden gegeven. D. Carnel doet er ons een staaltje van kennen in
't Kribbetje ou le Mystère de la nativité du Christ chez les Flamands de France, eene ‘pastorale dramatique’, verschenen in Annales du Comité Flamand de France, Duinkerke 1854. Deze ‘pastorale’ door Carnel gedeeltelijk uit den mond eener oude blinde vrouw opgeteekend, bestaat uit eene aaneenschakeling van Kerstliederen, tekst en muziek, waarvan sommige van elders bekend zijn, en die de verschillende tooneelen van het spel uitmaken. Zoo worden achtereenvolgens de hiernagenoemde liederen voorgedragen: Eerste tooneel. Den Engel komende tot Maria singt: ‘Ik groet u, weirde Maeght’, enz.; Tweede tooneel. Maria en Joseph te saemen: ‘Wy komen uyt Galileën’, enz.; - Joseph aen Maria: ‘Verslaet u niet Maget en weest niet bedroeft’; - Derde tooneel. Den Engel, verschynende aen de herders: ‘Ontwaekt, loopt herders desen nacht’ (zie dit lied); - Vierde tooneel. Maria in het stalleken met haer kind, singt: ‘Wellekomme Jesse bloeme’; - Vyfde tooneel. De herders komen binnen in 't stal, eenen herder singt: ‘Komt herders en herderinnen’ (zie: ‘Laet ons gaen om te besoeken’): - De herders aenbidden het kindt en singen: ‘Gy, fellen winter, wilt soet weder geven’ (zie dit lied); - Sesde tooneel. De drie Koningen: ‘Wy komen alle drie uyt vremde landen’. Tot slot offeren de Koningen hunne giften ‘singende de volgende ‘sarabande’, waarvan de muziek ongelukkiglijk niet werd bewaard:
Over de Kribbetjes (Kerstdagspelen) zie mede Prudens van Duyse, De Rederijkkamers in Nederland, I (1900), bl. 216 vlg.
Tot voorbeeld van wiegelied vermeldt Dr. Acquoy het lied: ‘Het quamen drij Coninghen wt verre landen’ (zie hierna), met het refrein: ‘Nu wiegen, nu wiegen wij’. Ook het lied: ‘O herderkens, al soetjes en sonder getier’, met zijn refrein: ‘nu, nu, nu, kintje klein’ (vgl. bij J. Bols, Honderd oude Vl. ldr., 1897, nr. 4, bl. 7: ‘Hoe leit dit kindeken’, met refrein: ‘na, na’, enz.), duidt een wiegelied aan. - E.u.B., Deutscher Liederhort, III (1894), nr. 1951, bl. 656, brengen onder de ‘Krippenlieder’ eene 17de-eeuwsche Duitsche variante van het 15de-eeuwsche: ‘Met desen niewen jare’; zie hierna.