terug  begin  verderprepost
[p. 1888]

486. Waer is die dochten van Syon.

Eerste melodie.



illustratie

Tweede melodie.



illustratie

 
1.
 
Waer is die dochter van Syon,
 
ick soudese blide maken;
 
ick soude haer een boodtscap doen
 
van also hoghen saken.
 
 
 
2.
 
Doe men die werelt al bescreef,
 
doen ghinc die maghet sware;
 
te Bethleem, dat si doen bleef
 
ende ghenas haers kints al dare.
 
 
 
3.
 
Een ghelas, al schijnter doer,
 
ten breect niet vander sonnen;
 
dus heeft die maghet, na en voer
 
ioncfrou, een kint ghewonnen.
[p. 1889]
 
4.
 
Een duysternis is ons verclaert,
 
een licht is ons verresen;
 
een maecht die heeft een kint ghebaert,
 
dat dunct mi wonder wesen.
 
 
 
5.
 
Nu is hi teerder ende cranck,
 
een maghet die sal hem voeden;
 
wi moghen hem wel weten danc
 
van sijnder groter armoeden.
 
 
 
6.
 
Hi toont sijn goedertierenheyt,
 
wilen was hi verbolghen;
 
hi drift so grote oetmoedicheyt,
 
wien connen hem niet ghevolghen.
 
 
 
7.
 
Maria nam hem op haren scoot,
 
si custen aen sinen monde;
 
die minne had si alsoo groot
 
tot hem, in allen stonden.
 
 
 
8.
 
O Heer, lof moet u altoos sijn,
 
wilt ons dan gheleyden,
 
met die waerde moeder dijn,
 
als wi van hier al scheyden.

3, 1. Vgl. hiervoren nr. 475, bl. 1837: ‘Hets een dach van vrolicheden’, str. 5, en de varianten.

Tekst.

Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 6, met wijsaanduiding: ‘Puer nobis nascitur’; tekst hierboven; - Een dev. en prof. boecxken, Antw. 1539, no. 218, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 249, aant. bl. 343, onder de ‘leysenen’ en ‘op de selve wise’ als het lied ‘Puer nobis’; zelfde lezing; - Dr. J.G.R. Acquoy, Middeleeuw. geest. ldr. en leisen. 1888, no. 20, bl. 40, aant. bl. 55. - Het hof ken der geestelycker liedekens, Loven 1570, bl. 11, ‘dit gaet op Puer nobis nascitur’, 8 str.; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw. geest, goedk. 1587, sign. A 8 vo; - Dit is een schoon suyverlijcx boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 8 ro; - Het prieel der gheest. mel., Brugge 1609, bl. 60, ‘op de wijs alsoot beghint’; - S. Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sanghen, (1621) 's-Hertogenbosch 1627, bl. 73, zonder wijsaanduiding; - Den gheest. nachtegael, Antw. 1634, I, bl. 186, met de melodie; zie de vlg. blz. - Zooals Dr. Acquoy, t.a.p., het reeds deed opmerken, vindt men de eerste strophe van bovenstaanden tekst terug als derde strophe van het lied: ‘Had ick vloghelen als een arent grijs’ (volgens Èen dev. enĚ„ pr. b. no. 221, bl. 251, zie hierna nr. 489, bl. 1896), gezongen op de wijs: ‘Puer nobis nascitur’.

[p. 1890]

Melodie

I. Zie hierboven III, nr. 479, bl. 1860, het lied: ‘Ons is gheboren een kindekijn’; - II. De zangwijs voorkomende in Het prieel, bij Theodotus en in Den gheest. nachtegael, diende insgelijks voor het lied: ‘Maria die sonde naer Bethlehem gaen’ (zie dit laatste). Beide melodieën behooren tot den iastischen modus (zie hiervoren Inleiding, bl. XIX); de tweede staat in verband met de melodie der hymne ‘Veni Creator’. De lezing van Den gheest. nachtegael is echter zoo bedorven, dat ze nauwelijks te herkennen is; de oude iastische modus is overgeloopen tot den modernen durtoonaard:



illustratie

 
Waer is de doch-ter van Si - on/
 
Ick soud'haer blij - de ma - - - ken/
 
Ick sou - de haer een boodt-schap doen/
 
van al - soo groo - ten sa - - - ke.

Vgl. hierna de melodie van: ‘Herders brengt melk en soetigheyd’.

prepostterug  begin  verder