|
|
|
| |
| | | |
486. Waer is die dochten van Syon.
| |
Eerste melodie.
| |
Tweede melodie.
Waer is die dochter van Syon,
ick soude haer een boodtscap doen
Doe men die werelt al bescreef,
doen ghinc die maghet sware;
te Bethleem, dat si doen bleef
ende ghenas haers kints al dare.
Een ghelas, al schijnter doer,
ten breect niet vander sonnen;
dus heeft die maghet, na en voer
ioncfrou, een kint ghewonnen.
| | | |
Een duysternis is ons verclaert,
een licht is ons verresen;
een maecht die heeft een kint ghebaert,
dat dunct mi wonder wesen.
Nu is hi teerder ende cranck,
een maghet die sal hem voeden;
wi moghen hem wel weten danc
van sijnder groter armoeden.
Hi toont sijn goedertierenheyt,
hi drift so grote oetmoedicheyt,
wien connen hem niet ghevolghen.
Maria nam hem op haren scoot,
si custen aen sinen monde;
die minne had si alsoo groot
tot hem, in allen stonden.
O Heer, lof moet u altoos sijn,
met die waerde moeder dijn,
als wi van hier al scheyden.
3, 1. Vgl. hiervoren nr. 475, bl. 1837: ‘Hets een dach van vrolicheden’, str. 5, en de varianten.
| |
Tekst.
Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 6, met wijsaanduiding: ‘Puer nobis nascitur’; tekst hierboven; - Een dev. en prof. boecxken, Antw. 1539, no. 218, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 249, aant. bl. 343, onder de ‘leysenen’ en ‘op de selve wise’ als het lied ‘Puer nobis’; zelfde lezing; - Dr. J.G.R. Acquoy, Middeleeuw. geest. ldr. en leisen. 1888, no. 20, bl. 40, aant. bl. 55. - Het hof ken der geestelycker liedekens, Loven 1570, bl. 11, ‘dit gaet op Puer nobis nascitur’, 8 str.; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw. geest, goedk. 1587, sign. A 8 vo; - Dit is een schoon suyverlijcx boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 8 ro; - Het prieel der gheest. mel., Brugge 1609, bl. 60, ‘op de wijs alsoot beghint’; - S. Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sanghen, (1621) 's-Hertogenbosch 1627, bl. 73, zonder wijsaanduiding; - Den gheest. nachtegael, Antw. 1634, I, bl. 186, met de melodie; zie de vlg. blz. - Zooals Dr. Acquoy, t.a.p., het reeds deed opmerken, vindt men de eerste strophe van bovenstaanden tekst terug als derde strophe van het lied: ‘Had ick vloghelen als een arent grijs’ (volgens Èen dev. en̄ pr. b. no. 221, bl. 251, zie hierna nr. 489, bl. 1896), gezongen op de wijs: ‘Puer nobis nascitur’.
| |
| | | |
Melodie
I. Zie hierboven III, nr. 479, bl. 1860, het lied: ‘Ons is gheboren een kindekijn’; - II. De zangwijs voorkomende in Het prieel, bij Theodotus en in Den gheest. nachtegael, diende insgelijks voor het lied: ‘Maria die sonde naer Bethlehem gaen’ (zie dit laatste). Beide melodieën behooren tot den iastischen modus (zie hiervoren Inleiding, bl. XIX); de tweede staat in verband met de melodie der hymne ‘Veni Creator’. De lezing van Den gheest. nachtegael is echter zoo bedorven, dat ze nauwelijks te herkennen is; de oude iastische modus is overgeloopen tot den modernen durtoonaard:
Waer is de doch-ter van Si - on/
Ick soud'haer blij - de ma - - - ken/
Ick sou - de haer een boodt-schap doen/
van al - soo groo - ten sa - - - ke.
Vgl. hierna de melodie van: ‘Herders brengt melk en soetigheyd’.
|
|
|