
3, 3. t.: een. - 5, 2. Hofken, 1577: Noyt en conste ontluycken. Moll stelt de vraag: ‘moet er misschien omluycken (= omsluiten, omvatten) gelezen worden? - 7, 4. Hofken: grooten ootmoeden. - 9, 1. is volgens de Nederduitsche lezing die volgt, wellicht zóó te lezen: Dat ons wilen was ongereet. - 11, 1. moeten = mogen.
Een dev. en prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 221, uifg. D.F. Scheurleer, bl. 251, en aant. bl. 322. De tekst doet zich nog voor in: Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk., Antw. 1570), Amst., Cornelis Claesz., z.j., fol. 12 ro; - Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 14: - Veelderhande Schrift. leysenen, geest. goedk., Antw. 1587, sign. B 5 ro; - W. Moll, Joannes Brugman, II (1854), bl. 151, naar Het hofken. - Aangehaald door Dr. Acquoy, Het geest. lied in de Nederl. vóór de Hervorming, 1886, bl. 46, die tevens de ‘vrij wat minder poëtische nabootsing’ vermeldt, te vinden in Een dev. en̄ pr. b., onder nr. 217, bl. 248, met aanvang: ‘Had ic vlogel als Seraphin // ic soude so hooghe vlieghen’.
J. bolte, Das Lb. der Anna von Köln (XVde en XVIde eeuw) in Zeitschr. fur deutsche Philologie, bl. 129 vlg. deelt, onder nr. 10, dezen Nederduitschen tekst mede:
2, 3. sic J. Bolte; t.: up ertryck.
Volgens Een dev. en̄ pr. boecxken werden het hier besproken lied, en de liederen ‘Had ic vlogel als Seraphin’, enz., en ‘Waer is die dochter van Syon’ (zie hiervoren, nr. 486, bl. 1888 en vgl. str. 3 hierhoven), voorgedragen ‘op de selve wise’, d.i. de wijs: ‘Puer nobis nascitur’, zie hiervoren nr. 479, bl. 1860: ‘Ons is gheboren een kindekijn’.