Het oude Nederlandsche lied. Deel 3


auteur: Florimond Van Duyse


bron: Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Derde deel. Martinus Nijhoff / De Nederlandsche Boekhandel, Den Haag / Antwerpen 1907


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1931]

498. O Kersnacht, schoonen dan de daegen.



illustratie

 
1.
 
O Kersnacht, schooner dan de daegen,
 
hoe kan Herodes 't licht verdraegen,
 
dat in uw duisternisse blinckt,
 
en word geviert en aengebeden?
 
Zijn hooghmoed luistert na geen reden,
 
hoe schel die in zijn ooren klinckt.
 
 
 
2.
 
Hy pooght d'onnoosle te vernielen,
 
door 't moorden van onnoosle zielen,
 
en weckt een stad en landgeschrey,
 
in Bethlehem en op den acker,
 
en maeckt den geest van Rachel wacker,
 
die waeren gaet door beemd en wey;
[p. 1932]
 
3.
 
Dan na het westen, dan na'et oosten.
 
Wie zal die droeve moeder troosten,
 
nu zy haer lieve kinders derft?
 
Nu zy die ziet in 't bloed versmooren,
 
aleerze naulix zijn geboren,
 
en zoo veel zwaerden rood geverft?
 
 
 
4.
 
Zy ziet de melleck op de tippen
 
van die bestorve en bleecke lippen,
 
geruckt noch versch van moeders borst.
 
Zy ziet de teere traentjes hangen,
 
als dauw, aen druppels op de wangen:
 
zy zietze vuil van bloed bemorst.
 
 
 
5.
 
De winckbraeuw deckt nu met zijn booghjes
 
geloken en geen lachende ooghjes,
 
die straelden tot in 't moeders hart,
 
als starren, die met haer gewemel
 
het aenschijn schiepen tot een' hemel,
 
eer 't met een' mist betrocken werd.
 
 
 
6.
 
Wie kan d'ellende en 't jammer noemen,
 
en tellen zoo veel jonge bloemen,
 
die doen verwelckten, eerze noch
 
haer frissche bladeren ontloken,
 
en liefelijck voor yder roken,
 
en 's morgens droncken 't eerste zogh?
 
 
 
7.
 
Zoo velt de zein de korenairen.
 
Zoo schud een buy de groene blaeren,
 
wanneer het stormt in 't wilde woud.
 
Wat kan de blinde staetzucht brouwen,
 
wanneerze raest uit misvertrouwen!
 
Wat luid zoo schendigh dat haer rouwt!
 
 
 
8.
 
Bedruckte Rachel, schort dit waeren:
 
uw kinders sterven martelaeren,
 
en eerstelingen van het zaed,
 
dat uit uw bloed begint te groeien,
 
en heerlijck tot Gods eer zal bloeien,
 
en door geen wreedheid en vergaet.

2, 1. d'onnoosle, het kind Jesus; cf. Matth. II, 16-18. - 4, 1. melleck, melk. - 7, 1. zein, zeis. - 8, 4. Sanguis martyrum, semen Christianorum. Tertullianus.

[p. 1933]

Tekst.

Vondel, Gysbreght van Aemstel (Rey van Klaerissen), 1637, naar van Lennep's uitgave, herzien en bijgewerkt door J.H.W. Unger, bl. 81. - J.A. Alberdingk Thijm, in zijn bundel Gedichten uit de verschillende tijdperken, Amst. II (1852), bl. 343, waar deze een vijfregelig versje van P.G. Hooft: ‘op een Kersnachjen gezongen (in 1632) door Ioffrou Tesselscha’, mededeelt, teekent aan: ‘'t Zal waarschijnlijk Vondel's Kersnacht zijn, met muziek van den organist Dirck Zwelinck († 1652); maar dan bestond het lied vóor het treurspel’. Dit laatste werd eerst in Januari 1638 opgevoerd. Dr. J.G.R. Acquoy, in zijne keurige bijdrage: De zangwijze van het ‘O Kersnacht’ enz. (Tijdschr. der Vereenig. voor N.-N. mzgesch., IV (1894), bl. 177-200, stelt vast, dat alhoewel zich niemand met deze gissing vereenigde, Alberdingk Thijm haar niet liet vallen, doch er integendeel herhaaldelijk op terugkwam. Volgens Dr. Acquoy, laat het zich niet denken, dat Vondel een zoo heerlijk gedicht jaren lang in portefeuille zou gehouden hebben, of in eene der grootste scheppingen van zijn geest een lied zou ingevlochten hebben, dat hij nog van vroeger had liggen, vooral daar deze ‘Rey van Klaerissen’ met het geheele stuk zoo innig te zamen hangt, dat zij wel te gelijk met dat stuk moet zijn ontstaan.

Melodie.

I. Amsteldams minne-beeckie, Amst. 1645, bl. 234-237, met Vondel's tekst; - herdrukt door Dr. Acquoy, t.a.p., bl. 184:



illustratie

 
O Kers - - nacht! schoonder dan de da - gen,
 
Hoe kan He - ro - des 't licht ver - dra - - gen,
 
Dat in u duys - ter - nis - se blinkt,
 
En wort ge - viert en aen - ge - be - den?
 
Sijn hoogh-moet luis - tert na geen re - - - den,
 
Hoe schel die in zijn oo - - - ren klinkt.

Zelfde lezing bij D.P. Pers, De laetste vernieuwde Urania, Amst. (1648) 1656, bl. 53, stemme ‘O Kersnacht’, enz., voor: ‘Al heeft een vrome ziel te lijden’; - Den singenden zwaen, Antw. 1655, ‘Toegift’, bl. 112 vlg.; deze lezing die overeenstemt met I, buiten de maataanduiding illustratie in plaats van illustratie, en zich in de latere uitgaven (Antw. 1664, Leyden 1728) niet voordoet, werd ons welwillend medegedeeld door den heer W.P.H. Jansen te Voorhout.

II. Anthony Janssens, Christelijck vermaeck, Haerl. 1645, bl. 25, ‘op 't gheluydt:

[p. 1934]

O Kersnacht! schoonder dan de daghen’; - herdrukt door J.H. Scheltema, Nederl. ldr. uit vroegeren tijd, 1885, bl. 23, en door Dr. Acquoy, t.a.p., bl. 185, zelfde lezing als I, buiten deze variante:



illustratie

 
Hoe kan He - ro - des,
 
enz.

hierboven, vooraan den tekst gebracht, in nader verband met de metriek.

Cornelis de Leeuw, Christelyke plicht-rymen, Amst. 1649, bl. 16, ook aangehaald door J.W. Enschedé, Tijdschr. voor N.-N. mzgsch., VII (2de st.), 1902, bl. 108, ‘zangh: ó! Kersnacht’, zelfde lezing als I, buiten deze varianten:



illustratie

 
Hoe kan He - ro - des,
 
enz.

en verder:



illustratie

Hier. Sweerts, Innerlykke ziel-tochten, Amst. (1673), uitg. 1702, bl. 107 en 142, zelfde lezing als I, buiten aanduiding van illustratie-maat in plaats van illustratie-maat, en b in de elfde maat in plaats van bes. Bl. 251 komt de melodie wederom voor, doch gansch door fiorituren ontsteld.

III. Haerlemsche somer-bloempjes, 1646, bl. 207, ‘Voys: O Karsnacht’, voor het wereldlijk lied: ‘Wat rampspoet moet hy al verdragen?’; - melodie met dezen laatsten tekst herdrukt door Scheltema, t.a.p., bl. 137, zelfde lezing als II, met deze variante:



illustratie

IV. J. van Lodensteyn, Uytspanningen, Amst. 1695, bl. 68 (Dr. Acquoy vermeldt de uitgave van Utrecht 1676, bl. 68), voor het lied: ‘Doe Israel sijn nare suchten’; zelfde lezing als I, buiten deze varianten:



illustratie

Id. uitg. Amst. 1727, bl. 68:



illustratie

[p. 1935]

V. Evangelische leeuwerck, Antw. 1682, I, 178, herhaling van II 1645, buiten afwijkingen in de maatstrepen en deze varianten:



illustratie

VI. Carolus Tuinman, Mengel-stoffe van velerlei stichtelijke gezangen, Utrecht 1725, bl. 47, ‘Toon: ô Kersnacht’:



illustratie

 
Ont-fang mijn groet en her - te - wen - schen /
 
Ô lie - ve Je - su / Heil der men - schen /
 
Zo als Gy aan uw vloek-hout hangt:
 
'k Be - geer my na uw kruis te voe - gen /
 
Geef U my zo / 't zal my ver-noe-gen /
 
Gy weet waar-om myn ziel ver-langt.

VII. Achter-hofje ‘in zich bevattende uytgesogte stigtelyke en zielroerende gesangen’, Groningen 1736, Byvoegsel, bl. 202, stem: O Kersnacht, schooner’, enz. Of aldus:



illustratie

 
Hoe komt ons 't God-lijk licht be - straa - len!
 
Nu van den he - mel af komt daa - len
 
Em - ma - nu - ël / de schoon-ste zon!
 
Die met zijn' glans ons op komt wek-ken /
 
Om 't dof - fe hert tot zich te trek-ken:
 
O / die vol-maak-te le - vens-bron.
[p. 1936]

VIII. Nut- en dienstig zangboekje, enz., Amst. z.j., verschenen (zie bl. 1) na 1773, bl. 182:



illustratie

 
O God! wilt u - we Bond-ge - noo - ten,
 
Om ha - re zon-den niet ver - stoo - - - ten,
 
Maar toont uw va-der-lij - ke zorg;
 
Be-lieft het u haar te ka - stij - den,
 
Laat zijn met maat het me - de-lij - - - den,
 
Aan-schouwt voor haar uw Zoon als borg.

IX. Verzameling van oude en nieuwe gezangen voor alle de hoogtyden des jaars, enz., Amst. 1799, nr. 6, p. 13, voor het lied: ‘O Kersnacht een der langste nachten’, navolging van Vondel's gedicht; de oudere notatie met quadraatnoot, hier in moderne notatie overgebracht. Vondel's tekst komt voor in denzelfden bundel, nr. 26, bl. 52, met de aanduiding: ‘zangwijze, nr. 6, bl. 13’:



illustratie

 
ô Kers - nagt! een der lang - ste nag - ten,
 
Des He - mels licht breekt door met krag-ten,
 
Regt mid - den in de duis - ter-heid;
 
De glans der star - ren in het duis - ter
 
Ver - baast de Her - ders door zyn' luis - - - - ter,
 
Als 's wae-relds vreê hun wordt ver-breid.

X. Lezing van het Nederlandsch tooneel, zooals zij dient in den Stadsschouwburg te Amsterdam voor den Rei van Klarissen, medegedeeld aan Dr. Acquoy, t.a.p.,

[p. 1937]

bl. 195, door J.F. Wiedemeijer, voormalig orkest-directeur. Deze lezing stemt overeen met de voorgaande van 1799, buiten de variante:



illustratie

XI. J.A. en L.J. Alberdingk Thym, O. en n. Kerstliederen, 1852, bl. 40, en aant. p. 301, ‘bij vergelijking met vele handschriften’ gebracht op voormelden tekst: ‘O Kersnacht, een der langste nachten, Kerstlied gemaakt naar het lied van Vondel’. De melodie bij Alb. Th. geeft, buiten de aangeduide varianten, de lezing IX terug, en niet, zooals door hen, bl. 301, wordt beweerd, de melodie van Pers' Urania, 1656 (zie hierboven melodie I):



illustratie

 
O Kers-nacht, een Recht,
 
enz.

XII. P. Leendertz Wz., Bouwsteenen, II (1872-74), bl. 215, had reeds doen opmerken, dat ‘O Kersnacht’ eenigszins veranderd voorkomt als zangwijs in den zoogenaamden grooten bundel nog bij vele gemeenten der Doopsgezinden in gebruik, nl. voor de gezangen 37, 41, 139. De tot een koraal geworden melodie, zooals Dr. Acquoy zich uitdrukt, wordt dan ook door dezen laatste, t.a.p., bl. 190, naar Christelijke gezangen voor de openbaare godsdienstoefeningen, uitgegeven ten jare 1797 door de Doopsgezinde Gemeente vergaderende in de kerk De Zon te Amsterdam, aldus medegedeeld:



illustratie

 
O Kers-nacht, schoo-ner dan de dae - gen,
 
Hoe kan He - ro - des 't licht ver - drae - gen,
 
Dat in uw duys-ter - nis - se blinckt,
 
En word ge - viert en aen - ge - be - den?
 
Sijn hoogh-moed luys - tert na geen re - den,
 
Hoe schel die in sijn oo - ren klinckt.

L. Simons Mz., Gysbrechtiana, Nederlandsche Spectator van 21 April 1894, drukt de meening uit, dat de verandering van de zangwijze: ‘O Kersnacht’ in de XVIIIde

[p. 1938]

eeuw, een gevolg was van de gelijktijdige verandering van den tekst. Schrijver wijst op een losliggend vel in een der tooneeluitgaven der Amsterdamsche stadsbibliotheek, waaruit blijkt, dat de ‘Rey van Klaerissen’ door een anderen werd vervangen. Ziehier de eerste strophe:

 
O Kersnacht, die door heldre straalen
 
De middagzon, bij 't heerlijkst praalen,
 
In schoonheid, glans en luister tart!
 
Wij kerkgenooten, eensgezinden,
 
Die hier èn heil èn toevlucht vinden,
 
Wij zingen u met mond en hart.

Doch met deze strophe onderging de versmaat geen verandering; dezelfde melodie kon blijven dienst doen. Wellicht wordt de reden, waarom de melodie voor een meer eenvoudige, meer tonale moest zwichten, door L. Simons nader bepaald ter plaatse waar door hem wordt gesproken van de ‘te groote uitgebreidheid van den zang en de onmogelijkheid om haar te bekorten’. Hierdoor wordt zeker gewezen op de moeilijkheid, welke de melodie volgens de oudste lezingen voor den zang opleverde. Aldus laat het zich begrijpen, dat zij tijdens hare invoering in de kerk en ten gevolge daarvan den meerstemmigen vorm van het koraal aannam.

Aan een anderen kant doen zich de tonaliteitstorende accidentalen, die men in de oudste lezingen op de woorden schooner en kan (1ste strophe, 1ste en 2de vers) aantreft, zich niet voor in de Christelyke gezangen 1797, noch in de Verzameling van oude en nieuwe gezangen 1799, ook niet in de met de oudste lezingen meest overeenstemmende melodie, te vinden in Nut- en dienstig zangboekje, na 1773. Wel is waar vindt men in den aanvang der XVIIde eeuw, bij het opdagen der moderne tonaliteit, melodieën met gansch nuttelooze verhoogingsteekenen (zie onze verhandeling Het eenstemmig Fransch en Nederl. lied, Gent 1896, bl. 251 vlg.), doch sommige dier zangwijzen zijn ons zonder die verhoogingsteekenen door vroegere beter bezorgde uitgaven bekend. Derhalve hebben wij in de door ons voorgestelde notatie van ‘O Kersnacht’ deze aan de toonladder vreemde accidentalen weggelaten; tevens hebben wij getracht zooveel mogelijk rekening te houden met den versbouw.

Zooals wij zagen zou, volgens J.A. Alberdingk Thijm, - ook in de O. en n. Kerstliederen, bl. 301 en 309 wordt daarop aangedrongen - de melodie van Vondel's ‘O Kersnacht’ op muziek gesteld zijn door Dirck Sweelinck, den begaafden zoon van den beroemden Jan Pietersz. Sweelinck (1552-1621). In zijne levensschets van dezen laatsten meester, geplaatst vooraan de Acht zes-stemmige Psalmen van J.P. Sw., bewerkt door R. Eitner, uitgave van de Maatsch. tot bevordering der toonkunst, Amst. 1876, bl. 36, onderzoekt F.H.L. Tiedeman, of deze veronderstelling gegrond is. Men leest aldaar: ‘Ook gist (gissen) de heer(en) J.A. (en L.J.) Alberdingk Thijm, in zijne (hunne) O. en n. Kerstliederen, dat Dirk Sweelinck de componist kan geweest zijn van het bekende “O zalig, heilig Bethlehem” uit Vondels Gysbrecht van Amstel’. - Tiedeman wil spreken van het lied ‘O Kersnacht’; want het door hem genoemde ‘O zalig, heilig Bethlehem’ (zie hiervoren, nr. 491, bl. 1902), is van

[p. 1939]

vroeger tijd. De schrijver vaart voort: ‘Of deze gissing gegrond is, weet ik niet te beslissen. Onmogelijk is zij in geenen deele, daar Vondel zeer goed met Dirk en diens vader bekend schijnt te zijn geweest.’

Volgen twee gedichten van Vondel, vervaardigd, het eene bij een portret van Dirk, het ander bij dezes overlijden. Tiedeman is echter van oordeel, dat men uit geen van beide stukken kan opmaken, dat Dirk ooit verzen van den Prins der dichteren op muziek gebracht heeft. - Indien de zangwijs, zooals de gebr. Alb. Thijm vermoeden, opzettelijk voor ons lied geschreven is, dan toch zal men aannemen, dat de componist daartoe de eerste strophe bewerkte. Terwijl nu de dichterlijke volzin in die strophe, met den vierden versregel sluit, eindigt de eerste muzikale periode met den derden regel. In de reeds genoemde Verzameling van oude en nieuwe gezangen, Amst. 1799, bl. 52, waar Vondel's tekst mede te vinden is, heeft men daarin willen verhelpen door in het vierde vers der eerste str., te stellen: ‘Hy wordt gevierd en aangebeden’. Zulke misselijke muzikale opvatting, die men wel eens meer in onze liederen ontmoet, is tegenstrijdig met de grondbeginselen reeds bij het aanbreken der XVIIde eeuw door de Florentijnsche school gehuldigd. Immers te dien tijde verlieten de Italiaansche componisten, die ook in de Nederlanden weerklank vonden, zooals de compositiën van een Huyghens het bewijzen, het sedert eeuwen door de contrapuntisten gedrukte spoor, om den meerstemmigen zang aan de monodie op te offeren en tusschen poëzie en muziek, tusschen metriek en muzikale voordracht een tot daartoe onbekend verband tot stand te brengen. Vondel's lied, dat eigenlijk geen strophisch gedicht kan genoemd worden, - men bemerke slechts hoe de tweede strophe inbreuk maakt op de derde - zou dus veeleer op bestaande muziek gedicht zijn. Onder den naam van D.J. Zweeling of Sweelinck (1591-1652), vindt men wel is waar, in Le livre VII des chansons vulgaires(1), een vierstemmig lied: ‘O Kersnacht schoonder dan de dagen’, doch hiermede is het hoegenaamd niet bewezen, dat de melodie van Dirck Jansz. Sweelinck uitgaat.

Naar onze meening heeft Vondel zijn heerlijk lied geschreven op eene bestaande 17de-eeuwsche Italiaansche melodie.

‘O Kersnacht’ wordt aangehaald als stem, o.a.: Sparens vreughden-bron, Haarlem, 1643, I, 177, tekst herdrukt door J.H. Scheltema, t.a.p., met de melodie volgens Alberdingk Thijm; bl. 141; - Geuzenliedboek (uitg. Van Lummel, bl. 534), voor: ‘Juycht nu vereende Nederlanden’ (Verovering van het Sas van Gent, 1644); - 't Groot achter-hofken, Alckmaer, 1664, bl. 82, ‘O God die door u groote goedheyd’; bl. 85, ‘Hoe daeldt en steygert vaeck den eenen’; bl. 97, ‘Als ick denck aan den tijdt voorleden’; bl. 112, ‘Heylige rust begeerde haven’; bl. 115, ‘Ick roep / o God! met groot verlangen’; bl. 135, ‘Eensaam vertreck van 't oogh der menschen’; bl. 148, ‘Als ick aen 't eeuwich saligh leven’; - J.C. May-Vogel,

[p. 1940]

Vermakelycke bruylofs-kroon, Amst. c. 1699, bl. 164, voor: ‘O soone Gods, o heyligst weesen’; - Het nieuwe vermakelyke Thirsis minnewit, Amst., z.j., III, bl. 66 en 105, voor: ‘Ag Marfus (Morpheus) wil dog neder daalen’, en ‘Waar zal haar Lauwera verschuilen’; - Ib., 1731, IV, bl. 45 en 64, voor: ‘Ach Laura, die door u gefloncker’, door M. Tengnagel (opgenomen bij J.H. Scheltema, t.a.p., bl. 152, naar Utrechts zang-prieeltjen, 1649), en: ‘De liefde die u heeft gesloten’; - Lusthof des gemoets, Groningen, 1735, bl. 9, voor het lied: ‘A[e]n Godt alleen haer trouwe geven’; - 't Groot Hoorns lb., Amst., z.j., bl. 109, voor: ‘Dien Heer die 't aardrijk en de wereld’ en Ib., vervolg, bl. 5, 15, 67 voor: ‘Hoe praalrijk sit de bruyd verheven’; ‘O hoog-beroemde maagd verheven’; en ‘Eerwaarde vrienden aan weersijden’; - Oude en nieuwe lof-zangen, Amst., Erfg. We C. Stichter, z.j., bl. 58, voor het reeds, onder XI, gemelde: ‘O kers-nagt; een der langste nachten’; terwijl Vondel's tekst zelf ook in deze volksuitgave te vinden is zoowel als in Thirsis minnewit, III Amst., z.j., c. 1752, bl. 78, ‘stem: als het begint’.