


1, 7. Rond den heerd: ‘Maar wiens roem men niet kan spreken!’
Den blijden-wegh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 34, ‘op de wijse: Ecce tandem sempiternus, sempiterni filius, etc.’, hierboven weergegeven; - Den geestelycken speel-waghen, Antw. 1671, bl. 31, zelfde tekst en wijsaanduiding; - Liefde-vier in den Kers-nacht, Loven, geest. goedk. 1669, bl. 47, zonder wijsaanduiding;- De Coussemaker, Chants populaires des Flamands de France, 1856, nr. I, bl. 3, zelfde tekst, met enkele wijzigingen in de spelling, aan den uitgever medegedeeld door Edm. Ronse van Veurne; - Rond den heerd, Brugge, XIV (1879), bl. 334, zonder eenige aanduiding.
A. J. van Lodensteijn, Uyt-spanningen, Amst. 1695, bl. 24, met wijsaanduiding: ‘Komt verwondert u, etc.’, voor het lied ‘Looft den Heer, gy Cherubijnen!’, met zelfden tienregeligen strophenbouw; - B. De Coussemaker, t.a.p.
De Latijnsche tekst: ‘Ecce tandem sempiternus, sempiterni genitus’ (negen strophen) met twee melodieën, die beide heel en al met de twee bovenstaande verschillen, doch op denzelfden strophenbouw berustend en op bovenstaanden Nederlandschen tekst passend, is te vinden in Het prieel der gheest. melodie, Brugghe 1609, bl. 52. Nog eene andere melodie: ‘Ecce tandem’, enz., werd herdrukt door Bäumker, Das Kath. deutsche Kirchenlied, I (1886), nr. 118, bl. 380, naar eene Duitsche verzameling van 1619.