|
|
|
| |
| | | |
507. Gy fellen winter, wilt soet weder geven.
Gy fellen winter, wilt soet weder geven;
gy noordtschen windt, en briescht soo rouw niet meer;
het kindt dat gy door koude soo doet beven,
kent gy het niet? 't Is uwen Godt en Heer.
Soete lente, komt verschynen,
doet den winter-tydt verdwynen;
Het kindtjen wenscht door strenge wet te stryden,
den vader selve scherpt dees felle kouw;
het is geboren om veel smert te lyden,
maer 't hertjen wederstaet dees bitter rouw.
| | | |
Hoort het suchten, hoort het kermen.
Vader, wilt uw' soon ontfermen;
wordt sijn pyne niet versoet,
Houdt op, soet kindt, en wilt soo lanck niet kryten,
of geeft, dat ick by u voeg myn geween;
uw' wee, en smert, uw' traenen my verwyten,
dat ick, ondanckbaer, heb een hert van steen.
Hoort! terwyl sijn traenen leken,
ons het kindt begint te spreken:
‘jae, ick ween, ick ben in druck,
maer 't is voor u geluck.
‘De liefde daer ick mede ben verslonden,
heeft my gedwongen hier te daelen neer;
met uw' natuere, mensch, ben ick gebonden
om u te brengen naer den hemel weer.’
Hy wilt alles voor u derven,
voor u leven, voor u sterven;
waer is liefde voor dit lot?
Leeft oock, en sterft voor Godt.
| |
Tekst.
Nieuwe geestelycke liedekens, Brugghe, by de We van Ph. J. Vincent, geest. goedk. 1740, nr. 21, bl. 32, ‘stemme: van de Folies d'Espagne’; tekst hierboven; - D. Carnel, 't Kribbetje, enz., Annales du Comité flamand de France, I (1853), bl. 144, Dunkerque 1854; de vierde strophe ontbreekt.
| |
Melodie.
D. Carnel, t.a.p. - Deze zangwijs stamt af van de ‘Folies d'Espagne’; zie hierna het lied: ‘Christenen, wie gij zijt’ (Van den wandelenden Jode), tekst D.
|
|
|