Het oude Nederlandsche lied. Deel 3


auteur: Florimond van Duyse


bron: Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Derde deel. Martinus Nijhoff / De Nederlandsche Boekhandel, Den Haag / Antwerpen 1907


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1963]

507. Gy fellen winter, wilt soet weder geven.



illustratie

 
1.
 
Gy fellen winter, wilt soet weder geven;
 
gy noordtschen windt, en briescht soo rouw niet meer;
 
het kindt dat gy door koude soo doet beven,
 
kent gy het niet? 't Is uwen Godt en Heer.
 
Soete lente, komt verschynen,
 
doet den winter-tydt verdwynen;
 
soete dagen, komt weerom
 
en biedt Godt wellekom.
 
 
 
2.
 
Het kindtjen wenscht door strenge wet te stryden,
 
den vader selve scherpt dees felle kouw;
 
het is geboren om veel smert te lyden,
 
maer 't hertjen wederstaet dees bitter rouw.
[p. 1964]
 
Hoort het suchten, hoort het kermen.
 
Vader, wilt uw' soon ontfermen;
 
wordt sijn pyne niet versoet,
 
met hem ick lyden moet.
 
 
 
3.
 
Houdt op, soet kindt, en wilt soo lanck niet kryten,
 
of geeft, dat ick by u voeg myn geween;
 
uw' wee, en smert, uw' traenen my verwyten,
 
dat ick, ondanckbaer, heb een hert van steen.
 
Hoort! terwyl sijn traenen leken,
 
ons het kindt begint te spreken:
 
‘jae, ick ween, ick ben in druck,
 
maer 't is voor u geluck.
 
 
 
4.
 
‘De liefde daer ick mede ben verslonden,
 
heeft my gedwongen hier te daelen neer;
 
met uw' natuere, mensch, ben ick gebonden
 
om u te brengen naer den hemel weer.’
 
Hy wilt alles voor u derven,
 
voor u leven, voor u sterven;
 
waer is liefde voor dit lot?
 
Leeft oock, en sterft voor Godt.

Tekst.

Nieuwe geestelycke liedekens, Brugghe, by de We van Ph. J. Vincent, geest. goedk. 1740, nr. 21, bl. 32, ‘stemme: van de Folies d'Espagne’; tekst hierboven; - D. Carnel, 't Kribbetje, enz., Annales du Comité flamand de France, I (1853), bl. 144, Dunkerque 1854; de vierde strophe ontbreekt.

Melodie.

D. Carnel, t.a.p. - Deze zangwijs stamt af van de ‘Folies d'Espagne’; zie hierna het lied: ‘Christenen, wie gij zijt’ (Van den wandelenden Jode), tekst D.