
1, 4. Houden. Willems teekent aan: ‘By de Westvlamingen, wanneer men op den ou-klank blyft staen, wordt deze volkomen gelyk aen dien van oe.’ - Die meening is verre van juist te zijn; er bestaat zeer veel verschil, ook in het West-Vlaemsch, tusschen oe en ou, en moeilijk kan men hier die klanken aanzien als met elkander rijmende. Hoogstens kan hier van een soort van assonantie spraak zijn. - 4, 2. Het woord schuere wordt, in West-Vlaanderen, als scheure uitgesproken; daarmede wordt het rijm tusschen het 2de en het 4de vers onderhouden. - M. Verkest, Tentoonstelling van Vlaamsche Primitieven, 1903, bl. 75, doet opmerken dat het stalleken hier eene ‘boerenschure’ is. De gansche strophe strekt tot bewijs, dat het stalleken van Bethlehem in vroeger tijd minder als een eigenlijken stal werd aangezien, dan wel als een bouwvallig huis, een afdak of loods. - 5, 3-4. ‘Niet zelden’, zegt A. de Cock, Volkskunde, XIV (1901-02), bl. 89, ‘is de oorspronkelijke vorm van een rijmpje, van een volkslied, enz. verloren gegaan en kwam er iets in de plaats, dat wel een zin heeft, maar bepaald gek mag heeten, zooals [in] dit oude Driekoningenliedje door Guido Gezelle in den Biekorf, VIII, 58, vermeld:
6, 2. Lees: reene, de afwisseling van scherplange ê en ei bestaat in het West-Vlaamsch niet.

3, 1. die zeg.

A. Willems, Oude Vl. ldr., 1848, nr. 189, bl. 420, met deze aant. van Snellaert: ‘Dit Kerslied wordt nog telken jare te Kortryk langs de straten gezongen. Het is opmerkelyk om de natuertooneelen, welke op ons land zyn overgebragt.’ De schrijver verzendt nu naar zijne Verhandeling over de Ndl. dichtkunst in Belgie, 1838, bl. 277, waar men leest: ‘De geestelyke liederen, welke men thans in Vlaenderen zingt, zyn grootendeels van den tyd van Albert en Isabella, en worden in de bundels van dien tyd gevonden. Ook onze kerstliedjes zyn in den styl van die eeuw. De gedachten evenwel zyn nog omtrent dezelfde als in de middeleeuwen. Het volk gevoelt slechts wat onmiddelyk met hem in betrekking staet. In de kerstliederen laet men dan ook alles, rondom de krib, van koude bibberen... In Braband zingt men:
langs de Schelde:
en in de omstreken van Kortryk en Meenen,
Later, in Egypten gevlucht, spon Maria garen; Joseph, te oud geworden om te timmeren, haspelde, en Jesus bracht het garen thuis. Zeker had men by ons geene
meer gekende broodwinning kunnen uitdenken. In een woord, het geheele leven der Heilige Familie is dat van een vlaemsch huisgezin;’ - M. Verkest, t. hierbo ven a.p., aan zijnen kant dringt er op aan, hoe nergens meer dan hier de voorstelling Westersch gekleurd is. - Hoffmann v.F.. Niederl. Volksldr., 1856, nr. 187, bl. 328, naar Willems; - J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, Oude en nieuwe Kerstldr., Amst. 1852, nr. 31, bl. 60, aant. bl. 303, naar Willems, tekst en melodie gemoderniseerd; - B. De Coussemaker, Chants populaires des Flamands de France, 1856, nr. 5, bl. 12; - C. Lootens et Feys, Chants pop. flamands, 1879, nr. 3, bl. 6.
A. Bij Willems, t.a.p., vindt men de zangwijs aldus:

In plaats van deze, ten minste voor het tweede deel, vreemd gesyncopeerde zangwijs, geven wij de melodie zooals men ze reeds in 1609 aantreft voor: ‘Waer is die dochter van Syon’ zie hiervoren III, nr. 486, bl. 1888, tweede melodie; - B. De Coussemaker, t.a.p.; - C. Lootens et Feys, t.a.p., die daarbij aanteekenen, dat de zeer verspreide zangwijs, met lichte afwijkingen ook in de Vogezen bekend is, en dat ze, nog in 1830 diende voor een Passielied, door de koorknapen (‘enfants de choeur’) aan de deuren der huizen gezongen.