|
|
|
| |
| | | |
[Nieuwjaarsliederen]
518. Mit desen niewen jare.
| |
A.
hoe dat een maecht vruchtbare
Gheloeft moet sijn dat kindekijn,
gheeert moet sijn dat maechdekijn,
nu ende ewelijc tot alre tijt.
Hoe wel was haer te moede,
doe si in vleisch ende bloede
aensach haers herten hoede,
den heer der werelt wijt.
| | | |
ende si bleef maghet fine,
des hebben die Joden spijt.
Die enghelen songhen scone:
Elc vrolic singhe voertane
ende bid hem ende vermane,
als ons die doet verwint.
4, 2. in den trone, in den hemel, cf. Math. V, 34.
| |
Tekst.
A. Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., 1833, nr. 3, bl. 17, naar het hem destijds toebehoorende, thans te Berlijn berustend, 15de-eeuwsch Hs. 8,190, hierboven weergegeven; daarnaar Willems, Oude Vl. ldr., 1848, nr. 196, bl. 430, str. 1-4, en de str. (zie de vlg. blz.): ‘Doen achte daghen’, enz.; - Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 1, bl. 17. - Na str. 4 vindt men (volgens Holländische Volksldr.) van eene andere hand:
Dat kint van doechden rike
bracht ons al in aertrike
die harderen haens jolijt.
Drie andere strophen, nogmaals van eene andere hand, kunnen, zegt Hoffmann, na de zesde strophe ingeschoven worden, indien het geheel daarbij wint:
hi vraechde daer na met liste,
nochtan so had hijs nijt.
| | | |
Doen achte daghen waren leden,
al nae der joetscer seden,
dwelc ons van sonden vrijt.
sach tkint, sijn hart vervroude;
hi sprac: dat ons noch soude
Het Weener Hs., nr. 7970, zie W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 47, Vierteljahrsschrift 1888, bl. 245, geeft, met het refrein, str. 1, 2, 4 van A weder, daarbij nog deze twee strophen:
Doe acht dage waren geleden,
doe wert dat kynt besneden
al nae der ioedscher zeden,
des hadden si groet leyt.
Vgl. het 14de-eeuwsche lied: ‘In hoc anni circulo // vita datur saeculo’, te vinden o.a. bij Ph. Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, I (1864), nr. 264, bl. 163, en variante, nr. 265, bl. 164, alsmede de Duitsche navolgingen bij Hoffmann v.F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 1861, nr. 169-70, bl. 314-7: ‘In des jares zirlickeit’, en ‘Zu diesem neuen jare zart’.
| |
B.
hoe dat een maecht vruchtbare
Ghelovet moet sijn dat soete kindekijn,
gheeert moet sijn dat maechdelijn
nu ende ewelic tot alre tijt.
Die enghelen singhen schone
Marien der maghet te loven,
| | | |
Doe achte daghen waren gheleden,
so wert dat kint besneden
al nae der jootscher seden,
des sullen wi sijn verblijt.
Drie coninghe uut veren lande
die quamen mit offerhande
tot alre werelde heilande
een ieghelic van hare haven
ende ooc der moeder sijn.
Daer Jesus in der cribben lach
te Bethlehem dat dat geschach:
gout, wirooc, merre nae hare maneren,
dat gaven si den kinde te eren.
B. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 2, bl. 19, naar het destijds hem toebehoord hebbende, thans ter Berlijnsche Bibl. berustend, 15de-eeuwsch Hs. 8,185, dat geen melodieën bevat.
| |
C.
hoe dat een maghet vruchtbare
Ghelovet moet sijn dat kindekijn,
gheeert moet sijn dat maechdekijn
nu ende eewelijc tot alder tijt.
Hoe wel was haer te moede,
doen si in vleysche en bloede
aensach haers herten hoede,
den here der werelt wijt.
| | | |
ende bleef een maghet fijne,
des hebben die Ioden nijt.
Die engelen songhen schoone:
den kinde, des seker sijt.
Als acht daghen waren leden,
dwelc ons van sonden vrijt.
drie coninghen onbekande,
Des dertien daghes, sijt vroeder,
vonden si hem bi sijnder moeder;
Ioseph was sijn behoeder,
so ons die scriftuere belijt.
Als die ses weken omme quamen,
onbevlect van alder blamen,
dwelc was om ons profijt.
Aldus ginc die maghet sempel
ende droech haer kint ten tempel,
alle vrouwen tot een exempel,
dies si haer niet en vermijt.
9, 4. si bijgev. Vgl. D, 10, 4 en F, 10, 4. De beteekenis is: wat zij zich niet ontziet, nl. te volkomen aan de Wet: zie Ex. XIII, 2.
C. Dit is eē suverlijc boecxken, Antw. Adr. van Berghen, 1508, bl. 1, zonder wijsaanduiding, hierboven weergegeven; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), uitg. Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 4, zelfde tekst, de tweede strophe
| | | |
is echter achterwege gebleven; - Het hofken der geest. liedekens, Loven 1577, bl. 20; - Veelderh. Schrift. leysen, Antw., geest. goedk. 1587, sign. A 5 ro, 9 str., telkens zonder wijsaanduiding; - Het prieel der gheest. melodie, Brugghe 1609, bl. 78, ‘alsoot beghint’; str. 1-5; - Gheest. paradiisken der wel-lusticheden, door P.G.D.P. (Pater Guill. de Pretere), S.I., Antw. 1619, II, bl. 41, zonder wijsaanduiding; - Kersnachtse nachtegaal, eerste onderverdeeling van Catholijck sanckboeck (Embrick 1620), uitg. 1633 (?) zonder titelblad, nr. 40, bl. 52, aangeh. door H.v.F., Holländische Volksldr., bl. 18-19, en Niederl. geistl. Ldr., bl. 18, str. 1-6, zonder wijsaanduiding; - S. Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sanghen (1620), 's-Hertog. 1627, bl. 91, str. 1-5, zonder wijsaanduiding; - Den gheest. nachtegael, Antw. 1634, I, bl. 16, en nogmaals bl. 188, telkens 9 str.; - Dit is een suyverlijck boecxken, Amst. Corn. Dirckz. Kool, 1648, bl. 40, zonder wijsaanduiding, 9 str.; - Den blyden-wegh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 15, en Den gheest. speel-wagen, Antw. 1671, bl. 14, beide zonder wijsaanduiding, telkens str. 1-6.
W.P.H. Jansen, Tijdschr. voor N.-N. mzgsch., IV (1894), bl. 154, naar een Hs. gevoegd bij een zangboek van 1609, berustend ter boekerij van het Amsterdamsche Begijnhof, met varianten, str. 1, 3, 4, 5 en 6 van bovenstaanden tekst, daarbij deze slotstrophe:
Nu bidden wij dees kinde,
dat het grati wil senden,
van sonden ons oock ontbinden
en geeven dat heemelrijck.
J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, O. en. n. Kerstliederen, nr. 73, bl. 144, ‘Met dezen nieuwen jare // verblijdt een wondre mare’, gemoderniseerd naar Theodotus.
| |
D.
hoe dat een maghet vruchtbare
die werelt heeft verblijt.
Gheloeft moet sijn dat soete kijndekijn,
gheeert moet sijn die liefste moeder sijn,
nu ende eweliken in alre tijt.
Benedicta tu in mulieribus
suo, suo, vari larij suy,
ave plena gracia, tecum dominus;
benedicta tu in mulieribus.
Hoe wel was haer te moede,
doe si in vleysch ende in bloede
aensach haer haerten behoeder,
den heer der werelt wijt.
| | | |
ende si bleef maghet fijne,
des hadden die joden spijt.
Die enghelen songhen schoone:
Dat kijnt van doechden rijke,
broecht ons al in aertrike
die herden haddens jolijt.
Als achte dagen waren leden,
soe wort dat kint besneden
als nader joodscher seden;
welc ons van sonden vrijt.
quamen uut Orienten landen
om te doen haer offerhande
Des dertien daghes, sijt vroede,
vonden si tkijnt bi sijnre moeder;
Joseph was haer behoeder,
als ons die scrifture bewijst.
ghevrijt van allen blamen
om die wet te zijn verwijt.
Doen ghinc die maghet sympel,
ende droech haer kijnt ten tempel,
allen vrouwen tot eenen exempel,
des si haer niet en vermijdt.
| | | |
als ons die doot verbijt.
1, 8 en 11. t.: tui mulieribus. - 2, 3. t.: aen sach. - 2, 4. t.: heer daer. - 4, 1. t.: schonne. - 4, 2. t.: throonne. - 5, 3. t.: waerlike. - 7, 2. t.: landen. - 8, 1. t.: vroet. - 9, 3. t.: allen vlamen. - 9, 4. verwijt, verleden deelw. van verwiten; misschien te lezen: om die wet niet, enz. - 10, 4. zie C, 9, 4. - 11, 1. t.: vrolic ave.
D. Hs. nr. 1042 van Meerman, na 1525, thans nr. 2631, 2de serie, der K. Brusselsche Biblioth., bl. 76, zonder wijsaanduiding. Hier vinden wij terug, buiten de verandering in het refrein (vgl. hiervoren III, nr. 482, bl. 1870: ‘O suver maecht van Israel), een samenvoegsel van strophen ontleend aan C en aan A.
| |
E.
(1)
| | | |
hoe dat een maecht vruchtbare
die werelt heeft verblijt.
Gheloeft moet sijn dat soete kindekijn,
gheeert moet sijn dat soete mechdekijn
nu ende eewelijck in alder tijt.
Hoe wel was haer te moede
doen si in vleesch ende bloede
aensach haers herten hoede,
den heere der werelt wijt.
Sy baerde hem sonder pine
ende bleef een maghet fine,
dies hebben die Ioden spijt.
Die engelen songen schone:
Dat kint van duechden rijcke
bracht ons hier in aertrijcke
die herden hadden iolijt.
Doen acht dagen waren leden
al na die ioetsche seden,
dwelc ons van sonden vrijt.
sach tkint, sijn herte vervroude;
hi sprac, dat ons noch soude
| | | |
den kinde, dyes seker sijt.
Sij seyden, het waer gheboren
der Ioden, welc ons voren
verwinnen soude den strijt.
Een sterre claer met lichte
bi sijnder ghenaden ghifte,
hi vraechde daer na met liste;
nochtans so hadde hijs nijt.
Hi badt hen, als sijt vonden,
hi woudet in corten stonden
Sij maecten een ghesceyde;
Den veerthiensten dach, sijt vroeder,
sij vondent bider moeder;
Ioseph was sijn behoeder,
wieroock die coninc Melchior,
dies niet en ghelooft, vertijt.
| | | |
Als ses weken vol quamen,
bevrijdt van alder blamen,
om na te volghen die wet.
ende droech haer kint ten tempel,
allen vrouwen tot een exempel,
dies haer niet en vermijt.
Elck vrolijck si hier ane,
eer ons die doot verbijt.
Gheloeft moet sijn dat soete kindekijn,
gheeert moet sijn die lieve moeder sijn,
nu ende eewelijck in alder tijt.
15, 4. vertijt = ga voorbij. - 17, 4. vermijt = ontsiet; vgl. C, 9, 4; D, 10, 4.
| |
Tekst en melodie.
E. Een devoot en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 225, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 256 en aant. bl. 335. De lezingen bij Hoffmann komen Scheurleer zeer verminkt voor; terwijl hem integendeel vollediger schijnt de uit een grooter aantal strophen bestaande tekst C. Of een grooter aantal strophen voor meer volledigheid pleit, is eene vraag, die, zooals wij zooeven zagen, voor het hier besproken lied door Hoffmann zelf gesteld wordt. ‘Juist doordien zulke liederen veelvuldig gezongen werden’, meent Dr. Acquoy, Kerstliederen en leisen, 1887, bl. 11, ter plaatse waar door hem ons lied wordt aangehaald, ‘kon ieder er van maken wat hem of zijn geheugen goeddacht’. In den regel, mag men dus de oudste bronnen voor de vertrouwbaarste aanzien.
| |
F.
wu dat eyne maget vruchbare
nu und ewich in aller tyd.
| | | |
do se ansach vleisch und blode,
den heren der werlt wyth.
des hebben de Joden spyth.
Dat kynt van dogeden ryke
de herdekens dreven vroude.
Als achte dagen weren geleden,
al na den Jodeschen zeden,
welck uns van sunden vryet.
Al an den drutteynden dage voer
vunden se eth by syner moder,
als uns de schrift verclart.
Als ses wecke weren geleden,
wolde se na der Jodesschen zede
er offer brengen tom tempel,
| | | |
und droch er kynt tom tempel
allen vrouwen tom exempel,
des se syck nicht versein.
F. Hölscher, Niederl. geistl. Ldr. und Sprüche, Berlin 1854, nr. 12, bl. 27, naar een Hs. van o. 1588, zonder melodie.
| |
Melodie.
A. W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., Vierteljahrsschrift 1888, bl. 248-9, naar het voornoemd Berlijnsch Hs. - De door denzelfden schrijver, t.a.p., nr. 47, bl. 245, naar het Weener Hs., medegedeelde lezing, levert geen noemenswaard verschil. - E. Een dev. en̄ prof. boecxken, t.a.p.
De bovenstem eener tweestemmige bewerking uit het 15de-eeuwsch Hs. van Trier, uitgegeven door E. Bohn, in Cäcilia, 1877, en in Monatshefte für Musikgeschichte, IX (1877), bl. 28, overgenomen door Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenl., I, nr. 99, bl. 356 (vgl. aldaar I, nr. 98, bl. 354, en II, nr. 99, bl. 153), is nauw verwant met A:
Mit die - sem neu - en Jai - re,
so wirt uns of - fen - bai - - re,
we dat eyn ma - ghet frucht -bai - - re
de we - relt hait ver - blijt.
Ge - lo - vet mois syn dat kyn - de - lyn,
ge - e - ret mois syn dat meg - de - lijn,
nu ind e - we - lich in al - re zijt.
Variante. Het prieel, 1609, t.a.p. (zelfde lezing bij Theodotus, t.a.p.):
| | | |
Met de - sen nieu-wen ia - - - re
Soo wort ons o - pen - ba - - - re
Hoe dat een maecht vrucht-ba - - - re
Die we - relt heeft ver - blijt:
Dat soe - te kin - de- kijn /
Dat soe - te maech -de - kijn /
Nu en eeu - we-lijck tot al - der tijt.
Aanverwante lezingen: Den gheest. nachtegael, 1634, t.a.p.; - Stalpaert, Gulde-iaers feest-daghen, 1635, bl. 1256, voor: ‘Herodes wreed van moede’.
Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nrs. 1951-2, bl. 656 vlg., deelen 17de-eeuwsche lezingen der melodie mede.
Zeer afwijkend is de lezing medegedeeld door W.P.H. Jansen, t.a.p., bl. 154, naar het vermelde Hs.:
Met de - se niu - we ia - - re,
soo wort ons o - pen - ba - - re,
hoe dat een ma - get vrucht - ba - - re
die wee - relt heeft ver - blijt.
dat soe - te kin - de - kijn,
dat suij - ver maeg-de - lijn,
nu en ee - we - lijck tot al - ler tijt.
Voor den tweeden en den derden versregel geeft deze lezing der melodie de bovenstaande terug, het overige is zonder twijfel aan eene meerstemmige, waarschijnlijk tweestemmige, bewerking ontleend.
|
(1)Gelezen met f-sleutel op de 2 de lijn, terwijl de tekst, met c-sleutel op de 1 ste lijn, luidt:
|
|