
2, 4. hi ontsach hem das, hij was bevreesd; das, vorm die dikwijls voorkomt nevens des. - 3, 2. t.: waer tkint. - 6, 4. hem, datief meervoud. - 9, 2. ghenant, genoemd.
3, 5-6. tekst: één regel. - 6, 5-6. t.: één regel. - 6, 7. sic. Een dev. en̄ pr. b., 1539; t.: in doecken.
A. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 7, bl. 27, naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs. 8.190, hierboven weergegeven; - Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., Vierteljahrsschrift, 1888, bl. 190, zelfde bron, 1ste str.; - B. Id., t.a.p., nr. 13, bl. 188, naar het 15de-eeuwsch Weener Hs. 7970; - C. Middelnederl. geest. ldr., naar een Hs. van het einde der XVde of het begin der XVIde eeuw, van de ‘Bibliothèque nationale’ te Parijs, uitgegeven door C. Lecoutere, Leuvensche bijdragen, Antw., IV (1899), nr. 9, bl. 62 vlg.; - D. Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, nr. 2, bl. 2 ro, jongere lezing, waar zich bij aansluiten, telkens zonder wijsaan-duiding: Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), uitg. Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 5 ro; - Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 3; - Onde ende nieuwe lofzangen, door J. S[tichter], Amst. 1740, bl. 3, stemme: ‘Een kindeken’.
Verdere lezingen doen zich voor in Een dev. en̄ pr. boecxken, Antw. 1539, nr. 235, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 271, en aant. bl. 319; - Het prieel der gheest. melodie, Brugghe, 1609, bl. 80, ‘op de wyse alsoo 't beghint; - P.G. d[e] P[retere], Gheest. Paradiisken der wellusticheden, Antw. 1619, II, bl. 46; - Parnassus dat is den blijen-bergh, Antw. 1623, den tweeden druk, bl. 133, zonder wijsaanduiding; - S. Theodotus, Het Paradys der gheest. en kerck. lof-sangen, (1621), uitg., 1648, bl. 23; - Het klein prieel der gheest. melodyen, Luyck, z.j. (na 1620), bl. 24; - Den gheestelijcken nachtegael, Antw. 1634, I, bl. 164; - Den blijden-wegh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 18; - Den gheestelycken speel-wagen, enz., Antw. 1671, bl. 16.
J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, O. en n. Kerstliederen, Amst. 1852, nr. 84, bl. 166, gemoderniseerd.
In Theodotus' voornoemde verzameling, uitg. 1665, vindt men den reeds verjongden tekst uit Het prieel der gheest. mel. met de vermelding: ‘Dit liedeken staet in 't appendix op de oude manier’. Op bl. 817 komt inderdaad eene andere lezing voor.
Spieghel's ‘Jaar Lied 1585’, na de wijs: zoo 't begint:
te vinden in H.L. Spieghel's Hertspieghel, uitg. door P. Vlaming, Amst. 1730, bl. 215, komt ook voor, als slotlied, bl. 109 van: Dit is een suyverlijck boecxken, Amst. Corn. Dirckz. Kool, 1648.
In het Hs. (c. 1621), nr. 4858, der K. Brusselsche Bibl., vindt men, bl. 4 vo, op eene, met de lezingen van Theodotus en van Den gheest. nachteg. overeenstemmende melodie, het lied;
Liefde-vier in den Kers-nacht, Loven z.j., geest. goedk. 1669, bevat, bl. 12, een ‘Kers-liedeken op de wyse: Een kindeken is ons geboren, etc.’:
reeds te vinden in G. Bolodnino's verzameling: Den gheestelycken leeuwercker, Antw. 1645, bl. 81.
Ioannes van Sambeeck, P.D.S.I., Het gheest. iubilee, Antw. 1663, bl. 168, heeft een lied; ‘stemme: alst begint’:
J.C. May-vogel's Vermakelycke bruylofts-kroon, Amst. bij Casparus Lootsman, z.j. (c. 1699), bl. 134, ‘stemme: Een kindeken is ons geboren’, bevat een lied met aanvang: ‘De liefde seer hoogh gepresen // duurt in der eeuwigheydt’.
In de vermelde Oude en nieuwe lofzangen, bl. 69, vindt men het lied:
Elizabeth van Wouwe, Het geest. maeghden-tuyltjen, Antw. 1708, bl. 71, ‘stemme: Een kindeken is ons geboren // in 't midden van den nacht’, voor: ‘Den Saboth-dagh die was voor handen’; - Kers-nacht en de naervolgende dagen,
Antw., P.J. Rymers, z.j. (c. 1740), bl. 15, ‘stemme: Een kindeken dat is geboren oft Ik hoorde, etc.’, voor het zeer bekende Kerstlied: ‘Snachts als een igelijk was in rusten’; - Nicl. Janssens, Een nieuw devoot geest. lb. (kerk. goedk. 1594), uitg. Antw. J. Rymers, z.j., bl. 10, ‘wyse: Dry koningen uyt Orienten, quamen te Jerusalem’ (vgl. tekst A, 1, 1 en B, 1, 1): voor: ‘Weest gegroet coninginne, Maria suyver Maegt’; - Den nieuwen bergh Parnassus, Brugge 1732, bl. 61, ‘stemme: Een kindt is ons geboren’, voor: ‘Coridon laet ons vertellen’.
Zoo zien wij dit Kerstlied of ten minste de melodie van hetzelve, gedurende vier eeuwen voortleven.
Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen, Verslagen en mededeel. der K. Akad. van Wetensch., afd. Letterkunde, 3de reeks, IV, Amst. 1887, bl. 363, brengt het hier besproken lied onder de Kerstleisen, d.i. Kerstliederen met refrein gezongen door allen, dus met een ‘tutti’.
W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., Vierteljahrsschrift 1888, bl. 190, naar het Berlijnsch Hs. 8,190, hierboven weergegeven. De zangwijs medegedeeld door Bäumker, bl. 188, naar het Weener Hs. 7970, is bedorven, zoowel als de melodie voorkomende in Een dev. en̄ pr. b., t.a.p. - De volgende lezing ontleend aan S. Theodotus, t.a.p., stemt overeen met degene die men aantreft bij Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, I (1886), nr. 110, bl. 370 en die, zooals daar wordt gezegd, ook voorkomt in Het prieel der gh. mel., uitg. 1614 (de uitg. van 1609 heeft geen melodie):

Met deze notatie stemmen nagenoeg overeen Den gheestelijcken nachtegael, t.a.p.; - Evangelische leeuwerck, Antw. 1582, II, bl. 56, voor: ‘O Jesu Heer, wilt ons bevryen’. - Bij Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 39, voor: ‘Wy vieren in de kercke’, komt eene variante voor met het refrein aan het slot der zangwijs. - Nog komen 17de-eeuwsche lezingen voor: twee, bij Dr. J.P.N. Land, Luitb. van Thysius, nr. 156; één, in het Brusselsch beiaardboek beschreven door Edm. vander Straeten, La musique aux Pays-Bas, V (1880), bl. 19, vlg.; drie, in Den boeck van den voorslagh, Gentsch beiaardboek, berustend op het stedelijk archief, bl. 62, 91, 101. - Het ‘Register der klokkendeunen van den Alkmaarschen waagtoren’, beschreven door Dr. H.C. Rogge, Tijdschr. voor N.-N. mzgsch., V (1897), bl. 275, bevat voor het jaar 1688 eene bewerking: ‘Een kindeken is ons geboren’.
Henry Davy, Monatshefte für Musikgesch., XXXIV (1902), bl. 95-6, vermeldt ‘im britisch Museum in London, ein Virginal resp. Orgelbuch in 4o, 1628 geschrieben und zwar in den Niederlanden’, bevattende twee bewerkingen van: ‘Een kindeken ist uns geboren’, door Jan (sic) Bull, Dr., beide van April 1628.
De melodie wordt door de gebroeders Alberdingk Thijm, t.a.p., voor de vier eerste regelen weergegeven in d-mol, naar Theodotus gelezen, met c-sleutel in plaats van (g-sleutel; het overige der zangwijs, waaraan het slot volgens Stalpaert is gevoegd, wordt in d-dur gebracht.
Hoffmann v.F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, nr. 312, bl. 506, vermeldt naar ‘Kölner GB. 1619’ en ‘Corner GB. 1625’, eene Duitsche lezing: ‘Ein kindelein ist uns geboren // in Bethlehem’.