terug  begin  verderprepost
[p. 2038]

527. Het quamen drie coninghen ghereden.



illustratie

 
1.
 
Het quamen drie coninghen ghereden,
 
wel verre wt Orienten lant,
 
tot Bethleëm der steden;
 
haers ghelijc men noyt en vant.
 
 
 
2.
 
Te Ierusalem, so wij horen,
 
aldaer so wouden si sijn;
 
si vraechden: ‘waer is hi gheboren
 
der Ioden coninc fijn?
 
 
 
3.
 
‘Wij comen hem aenbeden,
 
wij hebben sijn sterre ghesien;
 
het is seer corts gheleden,
 
het moet wonder bedien.’
 
 
 
4.
 
Als Herodes dat verhoorde,
 
wel seere ontsach hi hem;
 
van binnen hi hem verstoorde,
 
ende alle Hierusalem.
 
 
 
5.
 
Hi beval hen te gane;
 
hi sprack: ‘gaet, soect dat kint,
 
ick wilt oock beden ane,
 
coemt segt mi als ghijt vint.’
[p. 2039]
 
6.
 
Als si buten Ierusalem quamen,
 
op dyen selven tijt
 
haer sterre si weder vernamen,
 
dies waren sij seer verblijt.
 
 
 
7.
 
Die sterre was hen voer gaende
 
tot daer dat kindeken was,
 
ende daer bleef si staende;
 
sij buychden neder int gras.
 
 
 
8.
 
Een huysken sonder doren,
 
dat vonden sij daer bi,
 
ende dat kindeken gheboren
 
van Maria, die maghet vry.
 
 
 
9.
 
Sij vielen opter eerden
 
voer tkindeken .xiij. dagen out;
 
sij offerden hem met weerden
 
wierooc, myrre en gout.
 
 
 
10.
 
Snachs, als si slapen wouden,
 
heeft hen Gods engel gheopenbaert
 
eenen anderen wech, dat sy trecken souden
 
tot haren lande waert.
 
 
 
11.
 
Nu loven wij alteenen
 
dat kindeken weerdelijck,
 
dat hi ons wil verleenen
 
hier nae sijn eewich rijck.

4, 1-3. vgl. hiervoren, bl. 2029, str. 2, v. 1-4.

Tekst.

Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 43, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 64, aant. bl. 325, ‘op die selve wise’ als het lied nr. 40 aldaar: ‘Och sterven mijnder natueren’, dat tot stemaanduiding voert: ‘Dit is die wise van den timmerman. Het gaet ooc op Trueren alle die willen / oft op Sij ghingen alle drie bervoets’, hierboven weergegeven; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 42 vo; - Het hofken der gheest. liedekens, Loven 1577, bl. 32, herdrukt door W. Moll, Johannes Brugman, 1854, II, bl. 156; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw. geest. goedk. 1587, sign. B 2 ro; en nogmaals H 3 ro.

W. Moll, t.a.p., teekent aan: ‘Onder de kerkfeesten van den tweeden rang genoot, in ons vaderland gelijk elders, de drie-koningen-dag eene hooge onderscheiding.

[p. 2040]

Voerde men op kersdag en andere hoogtijden in het koor der kerken zekere dramatische voorstellingen uit, waarin priesters en scholieren voor Maria en Jozef, de Apostelen, enz. optraden, opdat zij door actie en woord beide der gemeente de heilige stof van het feest verkondigden, iets dergelijks deed men in het midden der vijftiende eeuw, en misschien reeds vroeger, ook op drie-koningen-dag. In groote kerkgebouwen liet men de drie Koningen te paard opkomen, door verschillende ingangen. Zij ontmoetten elkander, terwijl eenigen, als engelen met vleugelen uitgedost, van het orgel het “Gloria” zongen, en weder anderen, als herders gekleed, beneden in het middelschip op schalmeijen bliezen, om nu met het oog op eene groote ster, die zich langs het gewelf bewoog, naar het koor te rijden, waar zij hunne offerhanden bragten aan een voor Maria spelend priester of klerk, die een kind hield. Daar men het aldus luisterrijk vierde, konden natuurlijk ook voor dit feest de liedekens niet ontbreken.’ Zie mede J. ter Gouw, De volksvermaken, 1871, bl. 164 vlg. - Prudens van Duyse, De Rederijkkamers in Nederland, Gent, II (1902), bl. 159-160, toont aan hoe in het begin der XVde eeuw, en nog lang daarna, de medewerking der Kamers een noodzakelijk deel bleef van de processiën, die zich aanvankelijk in de kerk, en weldra daar buiten, onder den naam van ommegang, lieten zien, en hoe de Jennettebloem van Lier bij zulke gelegenheid de drie Koningen - misschien een stom spel - vertoonde. Dergelijk processiespel wordt nog jaarlijks op de straat vertoond te Veurne (West-Vlaanderen). In den Veurnschen ommegang worden, door geene rederijkers, maar door penitenten, het leven en de dood Onzes Heeren verbeeld. Hier geldt het stellig geen ‘stom spel’, want ongeveer twee duizend Alexandrijnen worden door de verschillende personages opgedreund. De samenspraak tusschen de drie Koningen, den Engel, die hen voorafgaat, Maria en Joseph, bedraagt voor haar aandeel 224 heldenverzen. - Over dezen ommegang, zie nog Pr. van Duyse, t.a.p., I (1900), bl. 201 en 214, alsmede de: Beschrijving der vermaarde processie, enz., Veurne, J. vanden Kerchove, z.j. Ook te Rutten (Limburg) heeft nog jaarlijks een ommegang met spel plaats, ter eere van den H. Evermaar. Zie hierna het lied: ‘Ick ben een arme pelgrim hier.’

Melodie.

Een dev. en̄ pr. b., t.a.p.: ‘wise van den timmerman’, wijs die door de andere voornoemde liederboeken insgelijks wordt aangeduid; zie hiervoren I, nr. 40, bl. 217. - Voor de beide andere aangeduide wijzen, zie hierna de liederen: ‘Trueren alle die willen’, en ‘Wij willen ons gaen verheffen’.

prepostterug  begin  verder