
De Coussemaker.

1, 2. De melodie eischt driedubbele herhaling van het woord wieghen, zooals het overigens in andere lezingen wordt aangeduid. - 10, 3. t.: weerden.
A. Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 28, zonder wijsaanduiding, hierboven weergegeven. - Verder vindt men den tekst: Het klein prieel der geest. mel., Luyck, z.j. (na 1620), bl. 27; - Parnassus dat is den blijen-bergh, Antw. 1623, den tweeden druk, bl. 152, ‘op de wijse als't beghint; - Den blijden-wegh tot Bethleem, Antw. 1645, bl. 21, ‘op de wijse: alsoo't beghint’, hierboven weergegeven; - Den gheestelycken speel-waghen, Antw. 1671, bl. 19, ‘op de wijse: alsoo't beghint’; - J.A. en L.J. Alberdinqk Thijm, O. en n. Kerstliederen, 1852, bl. 158, gemoderniseerde lezing naar Het klein prieel voormeld; - De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856, nr. 29, bl. 84, met weglating van str. 4 en het refrein: ‘Alle mijnen troost’, enz., nagenoeg met dezelfde spelling, die van des uitgevers gewone spelling afwijkt; wat ons doet veronderstellen dat dit, naar d.C., te zijner tijd nog gezongen lied, door hem niet uit den volksmond werd opgeteekend; immers de teksten van meer andere liederen werden door hem naar gedrukte of geschreven bronnen weergegeven; - Hoffmann v.F., Niederl. Volksldr., nr. 192, bl. 334, naar d.C.; - Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen, Verslagen en mededeelingen der K. Akad. van Wetensch., Afd. Letterk., 3de reeks, dl. IV, Amst. 1887, bl. 379, de eerste drie strophen naar Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, met verzending naar den volledigen tekst uitgegeven naar dezelfde bron door Moll, in het Maandschrift voor den beschaafden stand, Amst. 1855, bl. 435. - Het lied wordt door Dr. Acquoy gerangschikt, zooals reeds door H.v.F., t.a.p., werd gedaan, onder de leisen oorspronkelijk bij het wiegen van het kindeken gebruikt. Dr. Acquoy merkt nog op, dat deze leis een der weinige is,
die hem den indruk geven, dat haar refrein niet door allen gezongen, maar door allen gesproken werd, en voegt daarbij, dat hij althans de woorden: ‘Alle mijnen troost, mijn toeverlaet is Maria soon’, niet anders weet te verklaren. Het schijnt ons niet toe dat de comma, die, in den tekst van Den gheestelycken speel-waghen, het woord Maria volgt, den zin veel duidelijker maakt; of staat dit: ‘Maria soon’ hier niet voor: ‘Maria soet’, zooals in tekst B hierna? Wat er ook van zij, te oordeelen naar de melodie I, werd dit refrein wèl gezongen; - W.P.H. Jansen, Tijdschr. voor N.-N. mzgsch., IV (1894), bl. 159, 5 str., naar een Hs. gevoegd bij een zangboek van 1609, ter boekerij van het Amsterdamsche Begijnhof.
De wijsaanduiding: ‘Daer quamen dry coninghen uyt Orienten’, te vinden bij H.G. Bolognino, Den gheestelycken leeuwercker, Antw. 1645, bl. 63, voor het lied waarvan de eerste strophe volgt, slaat op de melodie van het bovenstaande lied:
I. H. Ph. Iennyn, Gheestelycken waeckenden staf der Iodsche Schaep-herders, Brugghe, 1651, nr. 19, bl. 82 vlg., voor het lied: ‘op de wijse: Het quamen dry koninghen enz.’, waarvan de eerste strophe volgt:
De dochter.

Jansen, t.a.p., deelt de oorspronkelijke lezing mede van eene variante derzelfde zangwijs, die wij hier in moderne notatie overbrengen:

II. D.C., t.a.p., melodie opgeteekend te Veurne, keeraafsch genoteerd en door ons metrisch hersteld.
De Coussemaker.

1, 7. Mária, stemt overeen met de nog heden gevolgde Vlaamsche uitspraak. - 2, 3. t.: ze vingen; door d.C. vertaald: ‘Ils virent l'étoile’, enz. - 3, 1-3. Vgl. hiervoren I, bl. 137, het fragment medegedeeld door J.W. Wolf. - 4, 1. Toe = Te, tot. - 9, 3 en 10, 3. t.: verblind; verblend in 't Wvl. rijmt met zend.
B. De Coussemaker, t.a.p., nr. 30, bl. 88.
De Coussemaker, t.a.p.; - D. Carnel, 't Kribbetje ou le mystère de la nativité du Christ chez les Flamands de France. ‘Pastorale dramatique’. - Annales du Comité flamand de France, I (1853), Dunkerque 1854, bl. 132, voor het lied: ‘Verslaet u niet Maget, en weest niet bedroeft’.
‘De oude kerstspelen,’ zegt Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen (Verslagen der K. Akademie van Wetensch., Afd. Letterk., 3de reeks, dl. IV, bl. 377), ‘zijn daar, om ons te overtuigen, dat er soms in de kerken dramatische voorstellingen van de geboortegeschiedenis werden gegeven. Waar dit niet geschiedde, had men toch achter het altaar of op het altaar of in het koor eene kribbe met het kindeke er in.’ - Het zooeven genoemde Duinkerksche ‘Kribbetje’ is als een naklank van de oude mysteriespelen, waarvan de Veurnsche processie en de ommegang te Rutten, nog overblijfsels zijn. Zie hiervoren III, nr. 485, bl. 1882: ‘Een alre lieffelicken een’, en nr. 527, bl. 2038: ‘Het quamen drie coninghen ghereden’. ‘Over de Weinachtslieder beim Kindelwiegen’, zie Hoffman v.F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, bl. 416, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nrs. 1935-48, bl. 642 vlg.
Een lied met een refrein van denzelfden aard doet zich voor in Het klein prieel der geest. mel., Luyck, z.j. (na 1620), bl. 13, zonder wijsaanduiding:
Dezelfde aanvangsstrophe, met vier andere strophen, ‘op de wijse als 't begint’, zijn te vinden in: Parnassus dat is den blijen-bergh, Antw. 1623, den tweeden druk, bl. 140.
C. Hoffmann v.F., Holländische Volksldr., 1833, nr. 26, bl. 69, en Niederl. Volksldr., 1856, nr. 193, bl. 335, naar De Marsdrager, of nieuwe toverlantaren, Amst. 1754, bl. 57; - Willems, Oude Vl. ldr., nr. 202, bl. 437, naar H.v.F. In enkele regelen stemmen A en A2 overeen met het Duitsche lied: ‘Gott so wöllen wir loben und ern’; zie Hoffmann v.F., Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg., 1861, nr. 259, bl. 445, en aant. bl. 447, waar nog naar een Deensch en naar een Engelsch lied verzonden wordt; zie mede W. Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, I (1886), bl. 66, die een Duitschen druk van 1560 aanhaalt.
T.p. waar door hem op str. 4 van C wordt gewezen, zegt M. Verkest, Tentoon-stelling van Vlaamsche Primitieven, Tongeren 1902, bl. 110: ‘Hier mag als algemeene opmerking gelden, dat de schilders de “Aanbidding der Wijzen” in eene meer ordentelijke of fatsoenlijke omgeving geplaatst hebben, dan het “Bezoek der Herders”. Dit laatste stellen zij in den stal voor; de Aanbidding der Wijzen, integendeel, laten zij gebeuren in een gebouw van rijker architectuur, op het voorplein van een kasteel, weleens op eene opene plaats bij eene hoeve, soms tusschen de puinen van een adellijk slot. De koningen zijn prachtig uitgedost in zijde, fluweel en hermelijn, dragend dikwijls kroon en langen mantel. Somtijds zijn het drie Blanken, doch meestal is er een Moor bij. - Wat zij Jesusje aanbieden steekt in gouden vaten, doozen of kelken; dikwijls zijn het juweelen of geldstukken...’

1, 2. t.: alle zoo verr'. - 7, 1. de magten, wellicht vervormd uit het Fr.: les mages.
D. De Coussemaker, Chants populaires des Flamands de France, 1856, nr. 28, bl. 79. Deze melodie wordt door d.C. als oud aangezien: ‘La mélodie de cette chanson est ancienne; sa tournure l'indique suffisamment...’
10, 2. kruis, zooals H.v.F. doet opmerken de voorzijde van een muntstuk, vroeger meestal een kruis dragend.
E. Hoffmann v.F., Niedert. Volksldr., nr. 194, bl. 336, zie C, en vgl. H.v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, 1861, nr. 258, bl. 444: ‘Süm got so wellen wir loben und ern’, een lied uit het ‘Kloster-Neuburger Hs.’. Dit 16de-eeuwsche Hs., zegt H.v.F., kan, volgens Mone, enkele liederen uit de XVde eeuw bevatten.
F. J. Ter Gouw, De volksvermaken, bl. 179, samengesteld uit verschillende teksten door t.G. voor beste gehouden. Deze schrijver ziet den laatsten regel: ‘Daar al de Joden meê hebben gespot’, als de oudste lezing aan. Elders, zegt t.G. luidt het: ‘Die hemel en aarde geschapen had’ (vgl. nochtans I, 6 en J, 4) of ‘Een zalig nieuwjaar verleene ons God’; doch dit zijn, ‘blijkens het rijm, later opgezette lappen, getuigende van christelijke verdraagzaamheid, die den Joden geen aanstoot wilde geven’. Zie t.a.p., bl. 181, een ‘Starre gesangh’ op de wijs van het onmiddellijk voorgaande lied: ‘Hier treden wi’, enz., ‘Steckt vrunden, het heuft ter deuren oet’ in ‘een bovenlandsch dialekt gesteld’, gedrukt omstreeks 1650 of 1660, te Amsterdam bij Dirck Cornelisz. Houthaeck, en berustend in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.
1, 1-2. In de Oost-Vlaamsche lezing, hierna vermeld: ster, rijmend op ver. - 6, 1. zoen = offerande.
G. Uit West-Vlaanderen, medegedeeld door Th. Sevens in Het Vlaamsche volk, Gent, nr. van 25 Febr. 1872, waarin mede voorkomt nagenoeg dezelfde lezing uit Gent (Oost-Vlaanderen), herdrukt naar eene mededeeling van J. van Hoorde in den Volks-almanak van het Willems-Fonds, Gent 1871, bl. 54.

H. Lootens et Feys, Chants pop. flamands, 1879, nr. 19, bl. 31. De aangeduide variante wordt door L. en F. aangegeven als een ouder slot.

I. J. Bols, Honderd Oude Vl. ldr., 1897, nr. 25, bl. 39, ‘gezongen te Westerloo’. - De melodie met de gis, is eene meer moderne opvatting van D.

1, 2. Tusschenrefrein voor: ‘a la berline postillon’. Berline = Berlijner wagen, die opengeslagen kan worden, in de laatste helft der XVIIde eeuw uitgevonden door Philip de Chiese, die er van Berlijn mee naar Parijs reed (Van Dale, Wdb.).
J. J. Bols, t.a.p., nr. 29, bl. 45, het eerste van de twee liederen uit het ‘Groot spel van de Drij Koningen’, een ‘boerentooneelstuk’, zooals de verzamelaar het noemt, dat hij meer dan eens zag uitvoeren op zijn geboortedorp Werchter (Brabant). De personages die er in optreden zijn: ‘Herodes, Maximus en Minimus, Jonas, de Drij Koningen, Granpé, Adjudant, De Vliegende Wind, Een met de ster, voorts is er nog een muzikant met trekorgel (accordeon). - De ‘Vliegende Wind’ is eene herinnering aan de ‘Sinnekens’ onzer oude rederijkersspelen; terwijl het gansche ‘Spel’, welke gekke dingen er ook, volgens het gevoelen van den uitgever zelf, in voorkomen, evenals de ‘kribbetjes’ (zie bl. 2047 hiervoren) een verre naklank is van de middeleeuwsche mysteriën.

10, 2. goed, lees: goud.
K. A. Pauwels, in Volkskunde, XI (1898-99), bl. 124, aangeteekend te Deinze (Oost-Vlaanderen).
Driekoningen noemde men ook Dertiendach, omdat, zooals J. ter Gouw, t.a.p., bl. 174, zegt, dit feest gevierd werd op den ouden ‘Dertiendach’, den dertienden of laatsten dag van 't Germaansche Joelfeest. Veel natuurlijker schijnt het en in beter overeenstemming met de meening van J. ter Gouw zelf, die in het Driekoningenfeest niets Germaansch wil zien, Dertiendag het feest te noemen van de aankomst der Drie Koningen bij het Christuskind, dertien dagen na Kerstmis. De oude naam bleef in Holland in zwang tot in de XVIIIde eeuw; in West-Vl. en in een deel van Oost-Vl. leeft hij nog krachtig voort (A. de Cock, Volkskunde, XII, 1899-1900, bl. 170, aant. 3).
In Het Brabands naghtegaelken, z.j., nog c. 1840 te Gent bij Van Paemel
gedrukt, treft men, bl. 58, een ‘Liedeken of Dertien-avond zang’ aan, ‘stemme: ‘Avec les jeux dans le village’, met aanvang:
Wat betreft de voorschreven melodie, zie hierna het lied: ‘O Heer, wilt mijn stem verlichten’.
Met de volgende strophe en hare zangwijs - deze laatste staat in verband met de onmiddellijk voorgaande melodie en met H - werd ik vóór eenige jaren bekend gemaakt door wijlen Caesar Snoeck, die deze van een oud man te Ronse, Oost-Vl., had geleerd:

In Volkskunde, Gent XII (1899-1900), bl. 30, vindt men een door Pol de Mont ‘uit eene vergelijking van een vijftal lezingen’ samengestelden tekst; daarbij eene zangwijs ‘die in de omstreken van Oudenaerde vrij algemeen verspreid schijnt’ (vgl. D hierboven):

Het lied, waarvan hierboven verschillende lezingen worden medegedeeld, behoort, zooals door Pol de Mont, t.a.p., wordt gezegd, tot een onzer meest verspreide Driekoningen- of Sterreliederen. De lezing B werd door de Coussemaker aangeteekend, tekst en melodie, uit den mond eener bejaarde vrouw, die zelve het lied met haren man en andere personen had gezongen rond Kerstdag, Nieuwjaar en Driekoningen. Zangers en zangeressen waren in herders en herderinnen verkleed, en droegen een stok met eene ster er op. In 't algemeen maakte men hun goed onthaal, daar zulke
van geslacht tot geslacht overgeleverde gezangen graag werden gehoord. Gewoonlijk werd de voordracht beloond met wafels, koeken of eenig geld. Terecht wordt ons lied door Hofdijk, Ons voorgeslacht (2de druk, Leiden 1875, V, bl. 260), in den mond gelegd van de ‘goede lieden’, die ‘Driekoningen vieren’ tijdens den strijd (1550-1600). ‘Die goede lieden’, zegt de schrijver, steunende op Schotel, Gesch.-, letter- en oudheidk. uitspanningen, Utrecht 1840, bl. 166, ‘gaan nog hun ouden gang, zij vieren onder elkander drie koningen; kleeden er twee in het wit en een - om den Moor - natuurlijk in het zwart; geven ieder een papieren ster met een brandende kaars daarachter, in de hand, en begeleiden dat driemanschap langs de straten tot in de eene of andere herberg, waar zij elkander onthalen op bier met suiker en oliekoeken.’ J. ter Gouw, De volksvermaken, bl. 177, vlg., die het ‘sterdragen’ in 't breed en in 't lang beschrijft en, zooals de Coussemaker het met een plaatje verbeeldt, het gebruik zoo oud noemt als de mysteriespelen en vermoedt, dat het de ‘scolaers’, d.i. de scholieren of studenten waren, die, in de middeleeuwen, er de stad meê omgingen, ja ook wel naburige plaatsen bezochten. Ons lied wordt insgelijks door dien schrijver aangezien als van ouds bestaande en als algemeen verspreid. Door hem worden, bl. 181, ook uit Breeroo's ‘Moortje’, III bedr., 4de toon. (1625), vier gewestfaliseerde regels aangehaald, die met het eerste en het vierde couplet van F overeenstemmen:
Al de lezingen van ons lied berusten op tweeregelige strophe; A, B, C en J hebben daarenboven een refrein, dat men in de twee laatstgenoemde navolgingen terugvindt. Sommigen, zegt ter Gouw, t.a.p., bl. 180, hebben zich heel veel moeite gegeven tot het opsporen van de woorden ‘Louwerier’ (tekst C). Dit ‘Louwerier’ heeft precies dezelfde beteekenis als het ‘Tierelier’, in Vondel's ‘Uitvaert van Orfeus’, en het ‘Falderalderire’, in het liedje van den bruggeman bij de Chineesche schimmen (‘De brugge die is in 't watre gevallen’; zie II, nr. 340, bl. 1229 hiervoren). - Het refrein van J met zijn ‘a la berdina kosteljon’, is louter onzin.
Over de ‘Sternsänger oder Sterndreher’, zie nog Hoffmamn v.F., Holländische Volksldr., 1833, bl. 70 vlg., on Erk u Böhme, t.a.p., Deutscher Liederhort, III, nrs. 1194-1201, bl. 109 vlg.