
4, 5. t.: teeren van kinde.
A. W.P.H. Jansen, Tijdschr. der Vereeniging voor N.-Ned. Muziekgesch., III (1891), bl. 250 vlg., naar een Hs. van o. 1600, in zijn bezit, dat, te oordeelen naar het notenschrift, een afschrift van een vroeger Hs. moet zijn.
Dezelfde tekst, mits enkele veranderingen in de spelling, doet zich voor in Theodotus' Paradys der geest. en kerck. lof-sanghen (1621), 1627, bl. 12, zonder wijsaanduiding; het lied zal overigens zijn eigen melodie gehad hebben:


1, 4. aertrijcké, valsche klemtoon. - 3, 2. t.: om onse, enz. - 5, 3. Marie, Latijnsche genitief.
B. Naar Jansen, t.a.p., bl. 259, ‘Een ander leijse’. Naar het voorbeeld van Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenlied, III (1891), bl. 315, vervangen wij door a, de b op de laatste silbe van het woord ‘seere’, b die in den tekst staat voor bes, daar de ♭ aan den sleutel moet bijgevoegd worden.
C. Leysen-boeck der Catholijcken, Looven 1605, bl. 72; herdrukt door Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen (Verslagen en mededeelingen der K. Akademie van wetenschappen, Afd. Letterk., 3de reeks, Dl. IV, bl. 372), die ‘aan deze blijkbaar oudere lezing, ondanks haar bedorven staat’, de voorkeur geeft boven de jongere van Theodotus.
Dat het lied oud is, bewijst het refrein ‘Kyrieleis’.
Hoffmann v.F., Gesch. des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. 1861, nr. 2, bl. 29, beschouwt het als behoorend tot het einde der XIde eeuw, en tracht het tot zijne oorspronkelijke gedaante terug te brengen. - W. Bäumker, Vierteljahrsschrift, IV (1888), bl. 158, ziet het aan als eene omwerking van een lied uitgegeven door Christian Quix, Historische Beschreibung der Münsterkirche und der Heiligthums-Fahrt zu Aachen, Aachen 1825, bl. 119. Quix gaf het stuk uit aldus, waarschijnlijk naar een oud, echter door hem niet genoemd Hs.:
In een te Aken berustend Evangeliarium van Keizer Otto III (980-1002), werd een fragment van bovenstaanden tekst met de melodie ontdekt door den ‘Domchordirigent’ Boeckeler, die het mededeelde aan Bäumker. Deze laatste gaf het uit in Vierteljahrsschrift, t.a.p. en in het voornoemde derde deel, bl. 314, van Das katholische deutsche Kirchenlied. In Bäumker's eerstgenoemde uitgave is de aanvangsnoot c, in plaats van d, op het woord Syt, eene drukfout. Ziehier het fragment, dat echter door Bäumker wordt aangezien als zijnde in het gemelde Evangeliarium door eene latere hand geschreven en als behoorende tot de XIVde, zoo niet tot de XVde eeuw:

Nog eene andere lezing komt voor in een Hs. van o. 1394 te Erfurt, maar is tengevolge der meerstemmige bewerking niet ongeschonden gebleven.
In een te Aken berustend Directorium chori uit het midden der XIVde eeuw, en in een 17de-eeuwsch Rituale, copie van een vroeger Hs. van de abdij van Thorn aan de Maas, wordt deze leis vermeld als wordende gedurende den Kerstnacht in de kerk gezongen.
Bäumker's opsporingen worden ook medegedeeld door Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, nr. 1918, bl. 625.
Eene andere zangwijs, die met de voorgaande eenige trekken van gemeenschap heeft, wordt door Bäumker, t.a.p., I, nr. 302, bl. 600, aldus weergegeven; de oudste door hem aangeduide bron is het Münchener Gesangb., 1586:

Allengskens wordt deze zangwijs met de bovenstaande melodie nauwer verwant, zoodat ze in Mohr's Psälterlein, Regensburg 1891, nr. 162, dezen vorm aanneemt:

Jansen, die deze gedaanteverwisselingen het eerst deed uitschijnen, doet ook zien hoe de oude leis in meer andere liederen bij de Duitschers is blijven voortbestaan, ‘al zijn ook de aangebrachte wijzigingen vele in getal’.