1, 1. Jesus Christus van Nasarene, ontstaan uit een contaminatie tusschen J.C. van Nazareth en J.C. de Nazareen.
2, 2. t.: maeyt. - 3, 1. t.: daer ghi maeyt. - 6, 2. toe, bijgev. - 7, 3. t.: di doden. - 8, 1. te bijgev.; vgl. D, 16, 1. - 9, 1. Het getal gewoonlijk opgegeven, ontleend aan Openb. XIV, 3, zegt Dr. Acquoy, Kerstliederen en leisen, bl. 388, die ook verzendt naar het Breviarium Romanum, ‘in Octava SS. Innocentium, lectio I’, is honderd vier en veertig duizend; zie hierna bl. 2102.
17, 1. Zie aant. C, 9, 1. - 19, 3. sijn, bijgev. - Aan het refrein ontbreken hier de woorden hi is.
2, 3. rijk, hier = machtig. - 14, 1. Zie aant. bij C, 9, 1.
A. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 5, bl. 24, naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs. 8,190, zonder wijsaanduiding; - B. Id., t.a.p., nr. 4, bl. 22, naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs. 8,185, zonder wijsaanduiding; - C. Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 12 ro, zonder wijsaanduiding; - D. Een dev. en̄ pr. boecxken, Antw. 1539, nr. 236, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 273 en aant. bl. 329; - Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen (Verslagen en mededeelingen der K. Akademie van Wetensch., Afd. Letterkunde, 3de reeks, dl. IV, 1887, bl. 387 vlg.), geeft aan dezen tekst de voorkeur boven A en E, en wijst op eene veel uitvoeriger bewerking van het onderwerp te vinden in Geestelijk leysen-boecxken, Dordr. bij H. Walpot, tusschen 1728 en 1759 (zie onmiddellijk hierna het lied: ‘Wete wel wat de kinderkens songen). Dr. Acquoy vermeldt onze leis onder de legenden, die gedurende de middeleeuwen in grooten getale in omloop waren, en die men niet in de apocryphe evangeliën, zelfs niet in de ‘Historia Scholastica’ van Petrus Comestor of de ‘Legenda aurea’ van Jacobus de Voragine, maar in sermoenen en heiligenlevens moet zoeken. Deze schrijver teekent daarbij aan: ‘Men vindt haar (de legende) in Le geu des trois roys (Jubinal, Mystères inédits du quinzième siècle, Paris 1837, t. II, p. 117-131). Als pantomime werd zij in 1431 gespeeld te Parijs bij gelegenheid van de feesten ter eere van den jeugdigen Engelschen koning Hendrik IV (Monstrelet, Chroniques, Paris 1596, vol. II, fol. 77 vo). In Wallonia, Liège I (1893), bl. 123, vindt men een lied, aangeteekend te Perwez (Brabant): ‘L'ang' du Seigneur est descendu’, waarin hetzelfde onderwerp wordt behandeld. Nog in de 18de, ja tot in het begin der 19de eeuw, speelde men in eene geestelijke school te Duinkerke een klein Vlaamsch tooneelstukje, getiteld: De vlucht nae Egipten en bestaande uit eene samenspraak tusschen Maria, Jozef, den akkerman en twee moordenaren. Men kan dit stukje afgedrukt vinden in de Annales du Comité flamand de France, II (1854-55), Dunkerque, 1855, p. 77-82. - E. Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 16, zonder wijsaanduiding; op elke strophe volgt het refrein: ‘Heer Jesus Kerst’; - zelfde tekst, buiten eenige varianten, in: Dit is een schoon suyverlijck boecxken (Antw., geest. goedk. 1570), uitg. Amst. bij Cornelis Claesz., z.j., bl. 13 vo; - Veelderhande schrifturelijke leysenen, geest. goedk., Antw. 1587, sign. B 6 ro, telkens zonder wijsaanduiding.
J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, O. en n. Kerstliederen, Amst. 1852, nr. 70, bl. 138, moderne bewerking, aanvang: ‘Heere Jesus, uit een Maagd geboren’, met
deze aanteekening, bl. 300: ‘Onnoozeler-Kinderenlied van omstreeks 1500, te vinden in Een schoon suyverlick boecxken, enz. (late druk) tot Utrecht, by Herman van Borculo, 1617 (bl. 15 vo). Muziek A. Th.’
Zie mede eene bewerking van deze legende door Prudens van Duyse, Nagelaten gedichten, III (1882), bl. 97, ‘De vlucht naar Egypte’.
W. Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 65, Vierteljahrsschrift, 1888, bl. 304, naar het voornoemde Hs. 8,190; - Een dev. en̄ prof. boecxken, t.a.p., zelfde melodie, buiten de slotnoot die ƒ klinkt. - In A, C, D en E gaat het refrein of koor, de strophe telkens vooraf; in B daarentegen komt het achteraan.