5, 4. versta: daer hy Gods menschheid in ontving.
1, 6. neder-geseyndt = nedergezonden. - 1, 7. zijges = zijt gij. - 2, 2. en 3. Blijkens A 2, 2 en 3 wel te lezen: ínni gegaf, ínni geliet, waarin ínni wellicht vervormd uit ímmÄ“. - 3, 2. t.: uyt-verkooren, slaat op ‘Maghet. - 4, 2. sic Dr. Acquoy; t.: van doeck, van weyndel, van alles ter handt; vgl. den onmiddellijk voorgaanden tekst, str. 4. - Weyndel = windel, luier. - 4, 3 - 4. t.: Joseph moest staen en syn hoosen gaen tweemaal. - 4, 5. zijges en verder zyges = zyget es; cf. 2, 5. Zyget is uit zy-j-et, met verandering van j in g. - 5, 2. heeft hy bijgev. door Dr. A. - 5, 3. sic Dr. A.; t.: menigh schoon deuren verkleijt. - 6, 4. t.: maer als. - 7, 2. Heer Meester = starrenwichelaer (Dr. A.). - 7, 4. sic Dr. A.; t.: Heer Meester. - 8, 1. t.: gerant. - 11, 1. vordert u = zegene u. - 12, 3. t.: reder. - 13, 4. met eene. - 14, 3. misselijck = onzeker. - 17, 1. ‘Hoe men aan dit getal van elfduizend kwam’, zegt Dr. Acquoy, t. hierna a. pl., ‘is mij onbekend, tenzij het naar dat der Elfduizend Maagden is gevormd’ (zie hiervoren bl. 2092, de aanteekening op str. 9). - 17, 2. t.: sy storven alle-gader op eender nacht. - 19, 1. geleyssen = zingen.
A. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 11, bl. 35, ‘dit is die wise: Conditor alme siderum’. - Aangeh. door L.D. Petit, Bibliographie der Middelndl. taal- en letterk., 1888, bl. 184, nr. 790, als medegedeeld door W. Moll in Kerkhistor. Jaarboekje, N. reeks, II (1865), bl. 253. M. pl.
Zie hierna het lied: ‘Jesus is nu een kindekijn clein’.
B. Dr. J.G.R. Acquoy, Eene Kerstleis, in Archief voor Nederl. Kerkgesch. dl. II, afl. 4, 's-Grav. 1887, bl. 393 vlg., die daarbij aanteekent: ‘Hetzij men nu aanneme, dat de kerstleis eene uitbreiding is van het (onmiddellijk, onder A, voorgaande) kerstlied, of dat het kerstlied een gedeelte bevat van de kerstleis, of dat
beide zelfstandige aanvullingen zijn van eenige gemeenschappelijke strophen uit een ander lied, altijd blijven die strophen oud. Doch men behoeft de gansche kerstleis slechts in te zien, om te bemerken, dat zij in hoofdzaak nog uit den goeden tijd afkomstig moet wezen. Zóó dichtte men alleen in de dagen vóór de Reformatie’.
Dr. Acquoy geeft als bron op: Een geestelijk leysen-boecxken ‘verciert met nieuwe leysene ende geestelyke liedekens’, enz., den twaelfsten druk, Antw. z.j., ‘en zijn te bekomen tot Dordrecht by Hendrik Walpot (Walpot was als drukker en boekverkooper werkzaam tusschen de jaren 1728-1759), op de wyse als het beghint’. In dit ‘boecxken’ komt het lied niet voor, maar in een dun bundeltje, dat in 't exemplaar van wijlen Dr. Acquoy er bij is ingebonden, getiteld: Gheestelijcke liedekens ‘dienende voor de jonckheydt van den Catechismus, van Sinxten tot Alder-heylighen. Met noch andere nieuwe gheestelycke schoone liedekens. Tot Antwerpen. En zijn te bekomen tot Dordrecht, by Hendrik Walpot’, z.j. Op bl. B II ro, vindt men tekst B, met opschrift: ‘De gheestelycke Kerst-Leys, op de wyse: als het begint.’
Uit de vergelijking van de aanvangsregelen van A en B, mag men misschien afleiden, dat beide teksten op de melodie ‘Conditor alme’ werden voorgedragen, melodie welke voor B, de kerstleis (kerstlied met refrein), na elke strophe op de woorden ‘zijt willekom’, enz., als refrein, herhaald werd.