1, 2. al bijgev. - 1, 5. Moll, t. hierna a.p., bl. 160, noemt dat lied het lied van den pelikaan. ‘Die het dichtte’, zegt Moll, ‘maakte gebruik van een symbool dat reeds duizend jaren vóór hem in de kerk algemeen geliefd werd, het symbool van den pelikaan die zijne jongen met zijn eigen bloed voedt, als beeld van den Christus. Tegenover den pelikaan plaatste hij den roofzuchtigen en moordlustigen gier (str. 5, 1) als beeld van Herodes, terwijl de reine Moeder als eene tortelduif werd geacht’. Volgens kanunnik Auber, Hist. et théorie du symbolisme religieux,
III, bl. 448, is dit eene meer moderne opvatting. ‘C'est’, zegt deze schrijver, ‘et d'une manière un peu inexacte, le symbole du Seigneur qui nourrit ses enfants de l'Eucharistie. Il devient ainsi la figure de la Charité’. Volgens de oudere opvatting doet de pelikaan bij middel van zijn eigen bloed zijne door het serpent gedoode jongen herleven. In dien zin schreef Conrad Granerus een gedicht met aanvang: ‘Den Edlen Vogel Pelican’, aangehaald door Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III, bl. 843, bij het aldaar besproken geestelijk lied, nr. 2146: ‘Ein Mühl und die ich bauen will’. - 2, 1. Een dev.: is hi ghecomen. - 3, 1. Id. Ioseph ter stont. - 3, 2. Id. sijn behoede. - 4, 1-2. sic: Een dev.; t.: Negen maenden was hi gedragen // al over duve en was geen sage. - 6, 2. Een dev. heeft dies. - 9, 1. Id. doen woude. - 9, 3. Id. dede hi daer om sterven. - 10, 2. Id. iaer. - 10, 3. t.: in die stede. Een dev.: track hi tot Iherusalem der stede. - 12, 2. behoede bijgev. naar Een dev.
Dit is eē suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 23 r., zonder wijsaanduiding, hierboven weergegeven; - Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 224, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 254, aant. bl. 337; - Het hofken der geest. liedekens, Loven 1577, bl. 50; - herdrukt door W. Moll, Johannes Brugman, 1854, II, 162, en onder de leisen, door Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstldr. en leisen (Versl. en mededeelingen der K. Akad. van Wetensch., afd. Letterkunde, 3de reeks, dl. IV, 1887, bl. 391). Moll noemde dit lied in zijne soort een juweeltje, ‘en zoo zal ieder het gaarne noemen’, zegt Dr. Acquoy, ‘die het in zijne fijnheid van gedachte en liefelijkheid van versbouw heeft leeren kennen’.
Een dev. en̄ p.b., t.a.p., ‘op die selve wise’, d.i. op de wijs van: ‘Nu laet ons allen Gode loven’; zie het onmiddellijk voorgaande lied.