1, 2. snachts bijgev. - 1, 4. het was, enz., omdat het ons de verlossing mogelijk maakte.

2, 3. als = of. - 4, 2. daer bijgev. - 4, 3. die bijgev.; basten = barstten. - 5, 1. dustig. = dorstig. - 5, 4. t.: ontleken; vgl. C, 5, 4. - 6, 3. t.: is.
7. Vgl. hiervoren nr. 542, bl. 2129, r. 3-4.
A. Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 134, op die wyse alsoot begint; herdrukt door W. Moll, Johannes Brugman, 1854, II, bl. 165, als behoorende tot de liederen, waarin de hoofdgebeurtenissen der passie gezamenlijk behandeld worden, ‘zeldzamer dan die, waarin enkele bijzonderheden, de wonden des Heeren, de kruiswoorden, enz. worden bezongen’; - B. De Coussemaker, Chants populaires des Flamands de France, 1856, nr. 42, bl. 123, ‘Jesus dood’; - C. Lootens et Feys, Chants populaires flamands, 1879, nr. 24, bl. 40, ‘De vijf bloedige wonden’; - Rond den heerd, Brugge, IX (1874), bl. 152, aanvang van denzelfden tekst; - D. 't Daghet, Hasselt, III (1890), bl. 159; - Blyau en Tasseel, Iepersch oud-lb., Gent, 2de aflev., 1902, nr. 32, bl. 95, deelen eene tot vijftien strophen uitgedegen lezing mede.
Het door L. en F. vermelde Passielied: ‘Wolt ihr hören ein newes gedicht’ [Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, II (1867), nr. 1189, bl. 954; -Bäumker,
Das katholische deutsche Kirchenlied, I (1886), bl. 608; - Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort, III (1894), nr. 1957, bl. 662], met zijn eigen melodie, heeft met bovenstaanden tekst slechts het onderwerp gemeen.
De Coussemaker; - Lootens et Feys, telkens in driedeelige maat; - Blyau en Tasseel, t.a.p., in twee- en driedeelige maat. De zangwijs is die van den ‘Miserere’, zesden kerktoon.
Ten einde in de melodie eenigen rhythmus te bewaren (‘afin de lui conserver quelque rhythme’), veranderden L. en F. nutteloos het derde vers van de eerste strophe in:
Het lijdt geen twijfel of het lied, er in begrepen de lezing A, werd op de melodie van den ‘Miserere’ (zesden kerktoon) voorgedragen. Over het gepsalmodieerde volkslied, zie onze verhandeling: Het eenstemmig ... lied, Gent 1896, bl. 179 vlg. In B is de versbouw zeer regelmatig, zoodat de melodie zonder eenige stoornis op maat kan geschreven worden; in C daarentegen, zooals het reeds uit den derden regel der eerste strophe blijkt, heeft het metrum, onder den invloed der psalmodie uitbreiding verkregen door het insluipen van woorden zeker niet behoorende tot den oorspronkelijken tekst. Hier ware de melodie zonder vaste maataanduiding te noteeren.
Men denke overigens niet, dat de psalmodie van allen rhythmus beroofd is; haar eigenaardige rhythmus vloeit integendeel voort uit de door den tekst van de psalmen (of van het lied) tegenover elkander gestelde gedachten (het parallelisme), zoowel als uit het herhalen der muzikale cadensen.