
1, 4. wel ghemeyt, statig, verheven; vgl. I, nr. 20, bl. 119, str. 3, r. 2. - 2, 1. t.: sprak. - 2, 7. verbannen, in den ban geslagen, vervloekt. - 3, 6. t.: hert. - 3, 7. cf. Lucas II, 35. - 6, 2; 8, 2 en 9, 2. throon = hemel, cf. Matth. V, 34. - 7, 2. badt, beter. - 7, 5. ontbreekt. - 8, 4. cf. Lucas XXIII, 34. - 9, 4. Johan. XIX, 25; cf. Lucas XXIII, 42 en 43. - 8, 5. schout, schuld. - 11. Johan. XIX, 26, 27. - 12, 5. Hely = mijn God. - 12, 5-7. Matth. XXVII, 46. - 14. Johan. XIX, 28, 29. - 15, 5-7. cf. Matth. XXVII, 23, 42. - 16, 3-4. Johan. XIX, 30. - 16, 7. daer bijgev.
Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 54, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 74, aant. bl. 343, ‘dit is die wise // ghelijck alst beghint’. Die wijsaanduiding slaat op het wereldlijk lied met zelfden aanvang (zie hiervoren I, nr. 44 B, bl. 244), waarvan bovenstaande tekst eene vergeestelijking is. - Verder vindt men den tekst in: Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst., z.j., bl. 39, ‘op de wyse / alst begint’; - Het hofken der geestelycker liedekens, Loven 1577, bl. 126, ‘op die wyse alst begint’; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw., geest. goedk., 1587, Sign. G 8 ro, ‘op de wijse: alsoo't beghint’; - Een suyverlick boecxken begrypende alle de geestelicke liedekens ghemaect eertyds by de salighe Thonis Harmansz van Wervershoef (Amst. c. 1600), Amst., Dircksz. Cool, 1643, bl.
30, ‘op de wyse alst begint’; - Catholijck sanckboeck (later verschenen als Gheest. harmonie), Embrick (1620), exempl. zonder titelblad, uitg. 1633 (?), nr. 52, bl. 71; - Het klein prieel der geest. melodyen, Luyck, z.j. (na 1620), bl. 31; - Willems, Oude Vl. liederen, 1848, nr. 205, bl. 443, naar ‘Geestelijcke harmonie, 1685, bl. 69’, het bovengemelde werk vroeger verschenen te Embrick onder den titel van Catholijck sanckboeck; - J.A. en L.J. Alberdingk Thijm, O. en n. Kerstliederen, Amst. 1852, bl. 192, gemoderniseerde tekst, met gansch bedorven tot modernen durtoonaard overgeloopen melodie, ontleend aan ‘J. Wits, Uitspanningen, bl. 40’; - W. Moll, Johannes Brugman, II, 1854, bl. 175, str. 1 - 5 en 7, ontleend aan Het hofken. - J.C.M. van Riemsdijk, Vier en twintig ldr. uit de 15de en 16de eeuw, 1890, nrs. 6a en 6b, bl. 11-12, de eerste drie strophen met de melodie.
Aangehaald door Dr. J.G.R. Acquoy, Het geest. lied in de Nederlanden vóór de Hervorming, 1886, bl. 4l, onder de geestelijke navolgingen, gepasticheerde liederen.
Eene andere vergeestelijking, met opschrift: ‘Dit lyedekin gaet op die wijse Van liefte coemt grot lieften Ende onder willen oeck grot leit etc.’, komt voor bl. 33 van het Hs. nr. 1042 van Meerman (na 1525), thans nr. 2631, 2de serie der K. Brusselsche Bibl., 5 str., waarvan de eerste luidt:
Zie hiervoren, t.a.p.