|
|
|
| |
| | | |
551. Jesu, ons liefd', ons wenschen.
Jesu, ons liefd', ons wenschen
schepper van alle menschen,
die al dat leeft hier voedt,
wat liefd' heeft u ghemoet
draghend' ons sondich pack?
Dus hebt ghy willen lijden,
een doot, tot gheenen tijden
met schanden alsoo groot,
| | | |
Heeft u dan soo ghedwonghen
dijn liefde, groot minnaer,
soo moghen wel ons tonghen
u danckbaer zijn eenpaer;
och iae sy, want, voorwaer,
u cruys dat heeft doorschoten,
ghemurselt t' serpent quaet;
Wat cost ghy ons meer doen?
met een dancbarich woort,
al comt het traghe voort,
aenmerct ons flauwicheyt;
ter deucht in eeuwicheyt.
1, 3. scheppér van, enz., valsche scancie, die te verbeteren ware door: ghi schépper áller, enz.
| |
Tekst.
Het prieel der gheest. mel., Brugghe 1609, bl. 106, ‘Van de bittere Passie ons Heeren’; - Het Paradiis der gheest. vruechden, Antw. 1617, bl. 36; - S. Theodotus, Het Paradys der geest. en kerck. lof-sangen (1621), 5de druk, Antw. 1648, bl. 153.
| |
Melodie.
Het prieel, 1609, t.a.p. - Volgens de uitg., Antw. 1617, bl. 101, werd het lied voorgedragen ‘op de wijse: Het stont een moeder reene’; - volgens Het Paradiis, enz., ‘op de wijse: Myn droefheydt moet' ick klaghen’; zie bl. 2160-2 hiervoren.
|
|
|