2, 4. onder desen boom. De meiboom was een teeken van herleving; daar men nu sedert onheuglijke tijden het kruis met een boom vergeleek (zie hiervoren III, bl. 2129-30) en hem den boom des levens, ‘lignum vitae’ noemde, kon men er licht toe komen datzelfde kruis met den meiboom te vergelijken, die ‘bij den weg gezet op een hoogen berg’ eene hoogere verlossing predikt, de verlossing van zonde. Nu liet men uit de groene meilooveren den nachtegaal zingen en de dichter noemde Jezus zelf een nachtegaal (zie W. Moll, Johannes Brugman, 1854, II, bl. 171). - 3, 1. mei = meiboom. - 5, 3. die seven noten = de zeven kruiswoorden (Moll: t.a.p.). Vgl. hiervoren, III, nr. 548, bl. 2157, het lied: ‘Ick wil mi gaen verheugen // verblyden mijnen moet’, str. 2. - 6, 1. t.: hier; vgl. B, 6, 1.

1, 1. crucen boom, zie de voorgaande blz. - 1, 2. t.: gheel bloemkens. - 6, 2. eend' suverd'.
Hoffmann v.F. Niederländische geistliche Lieder, nr. 104, bl. 206: ‘dit is die wise: Hoe lustelic is ons die coele mey ghedaen’.
B. Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 29, ro: ‘op die wise: Hoe lustelic is ons dye coele mey ghedaen’, hierboven weergegeven. Hierbij sluiten zich aan: Dit is een suyverlijck boecxken, Aemstelr. Harmen Jansz. Muller, z.j. (1ste helft der XVIde eeuw); herdrukt door Hoffmann v.F. t.a.p., bl. 207, zelfde wijsaanduiding; - Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 184, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 216, aant. bl. 329; - Het hofken der gheest. liedekens, Loven 1577, bl 125; herdrukt door W. Moll, Johannes Brugman, 1854, II, bl, 171; - Veelderhande Schrift. leysenen, Antw.. z.j., geest, goedk. 1587, sign. H 2 vo; - Dit is een schoon suyverlijck boecxken (geest. goedk. Antw. 1570), Amst. Corn. Claesz., z.j., bl. 42 ro. - Hs. van Meerman, thans nr. 2631, 2de serie van de K. Brusselsche Bibl., bl. 23; aanvang: ‘Aensiet hoe lustelijc is ons die meye ontdaen’, staat in verband met str. 1-3 van A en str. 4-7 van B. - Al deze lezingen hebben dezelfde wijsaanduiding.
Dr. B. Hölscher, Niederdeutsche geistliche Ldr., Berlin 1854, nr. 16, bl. 35, ‘Wu leiflick is uns des cruices boem untdaen’, 7 str., stemt overeen met B.
Met de stemopgave: ‘Hoe lustelijc is ons den coelen mey gedaen’, waarschijnlijk aan een vroeger wereldlijk meilied ontleend, bevat Een dev. en̄ pr. b., t.a.p., eene melodie, die, voor den eersten versregel ten minste, door tusschen-schuiving van nuttelooze woorden bedorven is. De aanvang: ‘Hoe schone ende ghenoegelijc is ons des crucen mey ghedaen’, te oordeelen naar de wereldlijke stem-opgave en naar B, moet geklonken hebben: ‘Hoe ghenoegelic is ons’, enz. Onder B hebben wij getracht de melodie op de lezing van 1508 te brengen, lezing waarin het refrein ‘vermeyden’ echter niet wordt aangeduid.