
1, 1. hout = het hout des kruises, lignum vitae; zie hiervoren, bl. 2130 en 2176. ‘Zonderling is het’ zegt W. Moll, Johannes Brugman, Amst. 1854, bl. 171, aant., ‘dat men in de middeleeuwen het kruis somtijds ‘den dorren boom’ heette, gelijk mij uit Nederduitsche sermoenen van de 15de eeuw wel gebleken is. Men denke ook aan ‘de kapel van den dorren boom’ te Dordrecht. Zie Schotel, Kerkel. Dordrecht, D. I, bl. 12. - 1, 2. sic, Bäumker, t.a.p.; H.v.F.. schrijft: lover ende bloemkijns breide. - 2, 3. ombevaen, omvangen. - 2, 5. avelaen, aflaten, weglaten. - 2, 6. haen, hebben. - 5, 6. die viant ende niemant el, de duivel en niemand anders. - 6, 1-6. Hooglied, II, 17, 14. V, 1. - 10, 1. Numeri, VI, 26.
Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., nr. 106, bl. 209, naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs., met opschrift: ‘Die mei spruut uut [den] dorren hout’, hierboven weergegeven; - Een schoon suyverlick boecxken, begrypende alle de geest. liedekens ghemaeckt... door Thonis Harmansz. (c. 1600), uitg. 1643, p. 40 vo: ‘De mey die [spruyt] uyt den dorren hout // met lover ende bloemkens omringhet’, jongere lezing, zonder wijsaanduiding.
Bäumker, Niederl. geistl. Ldr., nr. 74, Vierteljahrsschrift, bl. 313, naar het voormelde Hs.; een allerfraaist voorbeeld van zangwijs in dorischen modus.