
2, 4 en 14, 4. luter = louter, rein. - 11, 3. bruse = gloed, hitte (Verdam).
Hoffmann v.F., Niederl, geistl. Ldr. 1854, nr. 103, bl. 204, naar het vroeger hem toebehoorend 15de-eeuwsche Hs., thans nr. 8. 190 Man. germ. van de K. Berlijnsche Bibl. - H.v.F. ziet dit lied aan als zijnde van Duitschen oorsprong en verzendt naar zijne Geschichte des deutschen Kirchenliedes, 3de uitg. Hannover 1861, waar het zich, nrs. 49-53, bl. 122 vlg., onder verschillende vormen voordoet. Onze tekst is meest van al verwant met nr. 49: ‘Der nun meigen welle // der neme Christus war’! In str. 17 van laatstgenoemde lezing, luidt het:
Daaruit wordt door H.v.F. dan ook afgeleid, dat de laatste regel, vervangen door ‘Maria is keiserinne’, de oorspronkelijke is.
Mainzer Cantual, 1605 (zie Böhme, Altd. Lb. 1877, nr. 578, bl. 688, en W. Bäumker, Das kath. deutsche Kirchenl. 1866, I, nrs. 312-3, bl. 613, en de daar aangehaalde bronnen), voor eene lezing met vijfregelige strophe. De melodie is oud en kan, bij herhaling van den vierden regel, op den bovenstaanden tekst gebracht worden.
Zie nog Mittler, Deutsche Volksldr., 1865, nr. 453-8, bl. 350-2; - Böhme, Altd. Lb., nr. 579, bl. 689, en Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort., III, nr. 2026, bl. 728: ‘Ich weiss mir einen Maien’, met opschrift: ‘Mailied des 14-Jahrhunderts’.