
1, 6. gestadich int verbeyden = bedaard, vastberaden. - 6, 4. hem moeit = zich kwelt.
Een dev. enĚ„ prof. boecxken, Antw. 1539, no. 164, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 195, ‘op die selve wise’, d.i. op de wijs van het voorgaande nr. 163 derzelfde verzameling, waar men de melodie zonder wijsaanduiding vindt. Beide nummers verschillen in vers- en strophenbouw:
Men neme voorts in aanmerking, dat het zevende vers van de verschillende strophen van nr. 164, nu eens drie, dan weer vier accenten schijnt te vorderen, dat er meer andere onregelmatigheden van dien aard in dit lied bestaan, en men zal overtuigd zijn, dat het min of meer op de melodie van nr. 163 werd gewrongen, en dat de zangwijs ‘Sijt vrolic’, met geen volle zekerheid is weer te geven.
Ziehier de melodie van nr. 163:


J.C.M. van Riemsdijk, Vier en twintig liederen uit de 15e en 16e eeuw, nr. 22, bl. 39, heeft insgelijks beproefd de bovenstaande zangwijs op den tekst: ‘Sijt vrolic’ te brengen. De melodie, met de eerste strophe, wordt door hem onder de wereldlijke liederen zijner verzameling opgenomen. Deze strophe op haar zelf genomen, laat inderdaad niet toe te zien, dat zij deel uitmaakt van een geestelijk lied. - De tekst: ‘Hoort al na mi / verstaget’, enz. komt ook voor in het liederhs. gevoegd bij een exemplaar van de Souterliedekens berustend te Leiden, besproken door P.A. Tiele, Dietsche warande, 1869, bl. 572 vlg., nr. 6.