|
|
|
| |
| | | |
560. De soete tijden van den koelen Mey.
| |
A.
brenght voorts de vreughden
op dat 't graen uytspruyt.
Waer schenckt m' aen iemant
| | | |
sonder ieught oft vreught,
een nieuw' kerck en huys,
van ionghs voor myn huys,
1, 8. t.: onse. - 2, 7. t.: doet; wasschen = wassen. - 3, 3. t. aerderijck. - 5, 5. t.: ouwe dorre beenen. - 6, 8. uitg. zonder titelblad, sic = zemelen zonder bloem; uitg. 1695: ‘s'hemels sonne blom?’ - 8, 1. t.: ruinen. - 9, 6. t.: mijn ionghen tydt.
| |
Tekst.
A. D. Bellemans, Canonick Norbertien van Grimbergen (1670-1674). Den lieffelycken Paradys-vogel (1670), Brussel 1695, bl. 22, ‘Gheestelycken Mey-boom’, met wijsaanduiding: ‘Nuit agriable, sic [oft] Mon coeur soupire’.
| |
Melodie.
H. Guill. Bolognino (1590-1669), Den gheestelycken leeuwercker, Antw. 1645, bl. 349, ‘op de wijse: Nuict agreable mere des plaisirs’, voor het lied waarvan de eerste strophe volgt, die wij volgens de zangwijs scandeeren:
| | | |
Ó Mar - tha, séer heb - dy dén Heer be-mint /
Díe ghy wel ghér - ne hebt ál - leen ghe-díent/
Náer dat hy ú had / naer ú clacht / vol-dáen /
U sús-ters bés -te deel hád doen ver-stáen.
Op Bellemans' tekst gebracht, vertoont die toepassing dezelfde botsingen tusschen het woord en de muziek. Van daar, ongetwijfeld, de veranderingen, die de volkzang zelf aan het lied heeft doen ondergaan, én voor de woorden, én voor de melodie; zie B hierna.
De zangwijs: ‘Nuict agreable’, enz., die wij reeds leerden kennen voor het lied: ‘Marquis Prié, wat heb ik u misdaen?’ (Anneessens), zie hiervoren II, nr. 471, bl. 1809, kan oorspronkelijk behoord hebben bij een gezongen ballet van de eerste helft der XVIIde eeuw; misschien maakte zij daarvan deel uit als gezongen gaillarde.
‘Mon coeur soûpire (oft) Nuict agreable’, wordt aangeh. als stem bij Bellemans, Het citherken van Jesus (1670), uitg. Antw. 1698, bl. 59, voor: ‘O Godt almachtigh’, en omgekeerd: ‘Nuit agreable (oft) Mon coeur soupire’, in: Den eerelyken pluk-vogel, 8ste druk, Antw. P. Rymers, z.j. (geest, goedk. 1669), bl. 42, voor: ‘O schoon Diane’.
| |
B.
| | | |
op dat 't graen uytspruyt.
| |
Tekst en Melodie.
B. De Coussemaker, Chants pop. des Flamands de France, 1856 nr. 36 bl. 105, ‘Geestelyk meylied’, opgeteekend in de zondagsschool te Belle. - De tekst zal door D.C. waarschijnlijk weergegeven zijn naar het Hs., waaraan hij een ander lied van Bellemans ontleende; zie hierna: ‘O soeten Jesu, Godt en mensch’.
|
|
|