1, 2. t.: werelde. - 3, 1. mishapen, voor mishopen. - 7, 2 en 17, 2. vriet = bevrijdt. - 8, 4. onderscheit = bescheid, aanwijzing. - 9, 2. gheleisten = volbrengen, geven. - 10, 1-4. vgl. B, 9, 1-4, waar het rijm bewaard is, en zie H.v.F., t.a.p., bl. 131, die reeds poogde het rijm te herstellen. - 13, 1. liden = gedoogen. - 13, 2. nare tiden = nader tiegen, trekken. - 13, 3. ruren = aanroeren, aanraken.

1, 2. werlt, uit te spreken: werelt. - 3, 4. ny vroud = nieuwe vreugd, vgl. A, 3, 4. - 8, 2. hebbe bijgev. - 5, 1-4. de volgorde der strophen is blijkbaar verstoord. - 10, 1. oepen = kussen.
A. Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 59, bl. 129, ‘dit is die wise: Ic sach een vrisch vrouken voor mi staen, // si was fier ende...’ naar het 15de-eeuwsch Berlijnsch Hs. 8, 185.
B. G.H.M. Delprat, Algemeene konst- en letterbode, 30 September 1854, nr. 39, bl. 311, overgenomen in De eendragt, Gent, 26 November 1854, nr. 13, bl. 51,
eerste strophe. De schrijver stelt vast, dat van één der door H.v.F. uitgegeven geestelijke liederen de dichter hem bekend is geworden, namelijk de schrijver van het lied: ‘Och heer der hemelen stichter’. Delprat zegt verder: ‘Volgens het verhaal van Jacobus van Utrecht, alias Voecht (geb. 1369, † omtrent 1450), te vinden in een Hs. der Koninklijke Bibliotheek in 's-Gravenhage (4o, nr. 153) [l.: 70 H 69], onder den titel: ‘Incipit narratio de inchoatione status nostri et deinde de fratribus hujus domus, is daarvan opsteller Livinus van Middelburg, opvolger van den vermaarden J. Cele, als rector der school te Zwolle, en daarna werkzaam in die van Doesburg. Dezelfde stelde in de Latijnsche taal een gedicht op, de laude virginitatis: (over den lof der kuischheid), ten behoeve van de leerlingen der Zwolsche school, op de wijze van een, naar het schijnt, onstichtelijk lied, dat zekere ligtvaardige vrouw gewoon was te zingen. Het opperhoofd van het Zwolsche Fraterhuis, Diderik van Herxen (geb. 1381, † 1457), gaf daarvan eene Nederduitsche vertaling, niet onwaardig, zoo ik meen, om naast de verzameling van den heer Hoffmann v.F. een plaatsje te verdienen. Ik vond die vertaling met de zangwijze in een Hs. berustende in de koninklijke boekerij te Brussel (8o, nr. 8858) p. 232 vo.’ Zie het onmiddellijk volgende lied.
De Coussemaker, Dietsche warande, III (Amst 1857), ‘partie française’, bl. 34 vlg., geeft bovenstaanden tekst B, naar het vermelde Brusselsch Hs., en, op grond van hetzelfde, schrijft hij dien toe aan Diederic De Gruter, ‘moine de Doesburg’, die in het begin der XVde eeuw leefde. Op bl. 110 van dit Hs. staat namelijk te lezen: ‘Et erant in Doesborch aliqui alii devoti viri, praecipue Dominus Theodoricus de Gruter, senior discipulus Magistri Gherardi, et plures alii qui consilium Domini Theodorici libenter sequebantur. Composuit eciam Dominus Theodoricus carmen teutonicole pro laicis et sororibus, quod sic incipit: ‘Och heer der hemelen stichter’, enz. ‘Et habet multos versus ubi loquitur devote cum Jhesu, petendo veniam per admonicionem beneficiorum ejus et terminatur sic: ‘Al ist nu wael ghesongen’, enz. ‘Quod devota nota solent cantare, sicut rescriptum est.’ Hier wordt door d.C. aangeteekend: ‘Ce passage est écrit sous la date de M. CCCC. XXXIJ.’ Nu voegt d.C. daar nog bij: ‘Quant à la chanson latine (“Me juvat laudes canere”) avec traduction néerlandaise, il n'y a pas moins de certitude qu'elle a le même religieux pour auteur. On lit en effet en tête de la traduction néerlandaise, ces mots: Idem canticum Tentonice ab eodem Domino Theodorico compositum.’ - Dr. J.G.R. Acquoy, Middeleeuwsche geest. liederen en leisen, 's-Grav. 1888, nr. 3, bl. 6, tekst van hetzelfde Brusselsch Hs., met deze aanteekening, bl. 52: ‘Dit lied werd eveneens door Dirk van Herxen († 1457) gedicht’ (zie het onmiddellijk volgende lied: ‘Mi lust te loven hoechelic’).
Brusselsch Hs. nr. 8858, tweestemmige bewerking in de Dietsche warande, t.a.p., door de Coussemaker in facsimile uitgegeven, die over de notatie aanteekent: ‘Elle s'éloigne aussi en partie de la notation en usage à cette époque. Elle dérive des neumes et elle a grand rapport avec la notation neumatique connue sous le nom de neumes allemands. Mais elle en diffère par l'emploi de certaines notes à queue qui, contrairement aux notes de même espèce usitées alors, ont la queue en l'air. Dans l'esprit du notateur, ces notes doivent avoir une valeur rhythmique
différente des autres notes; sinon à quoi bon cette différence dans leur forme?’ Ziehier hoe deze notatie door d.C. in modern notenschrift werd overgebracht, vertolking waarbij de metriek deerlijk over 't hoofd gezien wordt:

De bes, telkens door d.C. bijgevoegd, wordt door dezen in het erratum vermeld. In de oorspronkelijke lezing, in facsimile weergegeven, worden geene accidentalen aangeduid.
Nu volgt de notatie van Dr. Acquoy, t.a.p., bl. 52:


Op onze beurt brengen wij de twee stemmen van het Hs. onder elkander. Het komt ons voor, dat de algemeene rhythmus van dit voor twee gelijke stemmen bewerkte lied, het best met 6/4-maat wordt teruggegeven.
Alhoewel de meeste geestelijke liederen werden voorgedragen op melodieën aan wereldlijke liederen ontleend, is het niet bewezen, dat de stemopgave: ‘Ic sach een vrisch vrouken’, enz. op de melodie van het Brusselsch Hs. slaat Aan eenen anderen kant bewijzen de woorden ‘quod devota nota solent cantare’, nog niet, zooals door d.C. wordt beweerd, dat het lied: ‘Och here’ op eene geestelijke melodie werd gezongen; die woorden kunnen evengoed beteekenen, dat men de gewoonte had het lied op godvruchtige manier voor te dragen.