De rederijkkamers in Nederland. Deel 2


auteur: Prudens van Duyse


bron: Prudens van Duyse, De rederijkkamers in Nederland. Deel 2 (eds. Florimond van Duyse en Frans de Potter). A. Siffer, Gent 1902


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

Vijfde hoofdstuk.
Rederijkers, die van in de XVe tot de XVIIe eeuw een voornamen invloed hebben uitgeoefend.

I. Vlaamsche rederijkers.

I. Jan van den Dale.
Bloeide te Brussel in 't midden der XVe eeuw.

Van den Dale is de gelukkige, de vereerde, de beroemde Rederijker, de zedenschrijver, wiens naam men in elke onzer literarische geschiedenissen, wiens verzen men nergens ontmoet.

Welke ook zijne kunstwaarde zij, van den Dale verdient alleszins dat wij iets van hem mededeelen. Wij moeten nader kennis maken met zijne twee werken, beide zonder den minsten grond op den index gesteld.

Het eerste boekje heet: De stove bij Jan van den Dale, Bruesele(1).

Die samenspraak tusschen twee getrouwde vrouwen, de eene kwalijk, de andere wel gehuwd, behelst

[p. 6]

zes en veertig strophen, elkeene van zestien rijmregelen; de laatste regel is telkens zinspreukig.

De schrijver is in den Mei een wandelingsken gaan doen: mijmerend treedt hij in een badstoofhuis:

 
De stove was ghetempert, van passe heet,
 
Men bracht mij een schoon wel riekende cleet
 
Dat in langhe ghebesich(t) en was, ick meene;
 
Maer met dat ick dus naect ter stoven in screet,
 
Dat ik daer comen was, worde mij leet:
 
Want ick vant mij selven daer alleene.
 
Ick dachte, dits recreatie cleene:
 
Want danhoren van vele diversche gheesten,
 
Deen sot, dander wijs, stelt die wt weene.
 
So tbloet wort temperinghe vanden steene,
 
Een hertte verghetende ander oreesten;
 
Maar alsict begonst ha, moestic voleesten
 
En dachte: het is een out vercleren,
 
Hij es gheluckich die heeft al sijn begheren.

Hierop hoort hij, twee stemmekens van vrouwen, nadat de maarten hem water gebracht hebben, en als hij ze, om te vrijer toe te luisteren heeft doorgezonden, mag hij gemakkelijk hare samenspraak vernemen: want er was ‘niet meer dan een wandeken tusschen beyen.’

Eene der vrouwen wenscht hare gezellin geluk over haar huwelijk, dat haar allerlei vermaken laat genieten. Deze vertroost de minder gelukkige ten beste mogelijk, en bestrijdt hare verkeerde denkwijze. Zij laat niet na haar vele goede vermaningen te geven, en raedt onder anderen te doen als zij zelve in den beginne haars huwelijks gedaan heeft, dat is haren man zuur met zoet te beloonen.

Doch iemand, die in de stove komt, belet den auteur verder af te luisteren, en brengt de vrouwen aan 't zwijgen. Hierop vertrekt hij, en voegt er bij:

 
Maer eer ick wel cost van daer ghescheen,
 
So hadde wel gheweest mijn behaghen
 
Te weten, wie waren dees beeldekens reen:
[p. 7]
 
Maer ofter iemant ha moeghen wt denckende breen
 
Eenich quaet, en dorsticker niet na vraghen,
 
Wij (Sij(?)) waren ghehuwt: dus moest icx mij verdraghen.
 
Niemant en mach te nauwe eere decken:
 
Want vremde voghelen hebben vremde becken.

De zeldzaamheid van het werk beweegt ons nog de slotstrophe af te schrijven:

 
Met oorlof, ghi, vroukens, edel sinnen,
 
Die vrede, profijt en eerbaerheit beminnen
 
Dat ick gheteekent hebbe dit sempel ghestel,
 
My dunct oock, wildi meest verwinnen,
 
Wilt na die leere van dit vrouken beghinnen:
 
Ghy verwinter in inde met al u ghequel.
 
En ghi, mans, vol quader manieren fel,
 
Als ghi siet der vroukens obedientie,
 
Dwingt u oeck, en sijt niet rebel,
 
Ghi sijt beye een corpus, dit weettij wel,
 
Om u eere, profijt es haer intencie,
 
En dit moraelken van cleijnder excellencie
 
Neempt danckelijck; wt duechden ict verhale.
 
Daer veel hoofden sijn es deferentie.
 
Al dat wijs heet, en heeft geen siencie.
 
God verleene ons peys, vrede allemale
 
En namaels hemelrijcke, bidt Jan vanden Dale.

De oude moraliseerende toon der XVe eeuw steekt alom door, maar niet zonder aanvalligheid.

Wij zullen den lezer niet vermoeien met hem uit een ander werk, Die ure vander doot, uittreksels aan te bieden. 't Zij genoeg aan te stippen, dat het werk in versletene kunstvormen is ingekleed; 't is een droom, rijk aan allegorieën, niet minder rijk aan bastaardwoorden, en die op 't volgende nederkomt.

't Is de laatste dag van Mei. Onze schrijver waant ‘gaen stellen rethorijcken.’ Hij sluimert half in en denkt zich in een door hem beschreven lusttuin vervoerd. Hem verschijnen onder de gedaante van schoone vrouwen, de vijf Zinnen; zij trachten beurtelings hem te verrukken, de eene door hare

[p. 8]

omhelzingen, de andere door 't aanbieden van lekkere spijzen; eene derde door welriekende bloemen; en nadat de vierde, van eene uitstekende schoonheid, zijn gezicht heeft zoeken te betooveren, wil de laatste door zang en muzijk hem 't oor verleiden. Hij wederstaat, als een andere Hercules, aan die verzoekingen. Er heft zich nu een hevige storm; de zinnekens zijn geweken en een afschuwelijk wangedrocht, misselijk samenstel aller roofdieren, vertoont zich. Hierop treedt de dichter in onderhandeling met den dood, die zich niet laat verbidden; gelukkig verschijnt, als eene dea ex machina, O.-L. Vrouw, die den arm des doods weerhoudt, en hem uit name des Allerhoogsten gebiedt te vertrekken.

Ten opzichte des samenstels biedt het stuk eenige overeenkomst met den Homulus, hoe verre 't beneden dit kunstwerk ook staat. Als men van den Dale 's hooggestemde vereering voor de moeder van Jezus nagaat, komt de officiëele veroordeeling zijner zedelijke Stove meer en meer onverklaarbaar voor. Die veroordeeling bewijst, in alle geval, gelijk Dr. Snellaert het zegt, dat de verordeningen van den vreemdeling meer willekeurig dan godsdienstlievend waren(1).

[p. 9]

Alva vertegenwoordigd door zijne suppoosten, behandelde dien Rederijker zoo streng als Philip de Goede hem gunstig was geweest. Het gelukte onzen Jan bij de Brusselsche Kamer den Boek den eersten prijs der poëzij weg te dragen; deze bestond in een door dien vorst uitgeloofden gouden ring, met een rijken diamant bezet.

Meerdere eere viel den rederijker te beurt: bijna twee eeuwen later werd zijne allegorische rhapsodie, voor de vijfde maal, herdrukt, en vrij laat verboden; zij staat verre weg beneden De Stove, die, minder mythologisch, minder geleerd dan de schriften van den veel spader gebloeid hebbenden Houwaert, zich met meer genoegen dan de verzen over 't huwelijk van dezen laat lezen.

II. Anthonis de Roovere,
Bloeide te Brugge omtrent 1466-1482.

 
Daer zijnder vele doot niet te verpisene
 
Noch voorby te wijsene, dats klaer en waer;
 
Maer die hem int dicht poeghde te verjolisene,
 
Den Roover es voor al te prisene.
 
Casteleyn, De Konst van Rhetoriken, Str. 14.

De Brugsche rederijker De Roovere genoot gedurende zijn leven vele eer, terwijl men nog tachtig jaren na zijnen dood eenige zijner werken uitgaf en hem daarbij den titel van vlaemsch doctoor ende gheestich poëte gaf.

De schoone prijzen, die hij met zijne refereinen won, benevens de Spelen die hij componeerde, ver-

[p. 10]

schaften hem in zijn leven den titel van ‘prins der Brugsche rhetorike.’

Als hij geene rhetorikale beuzelingen, zooals acrostichen schreef, waarin hij ruimschoots de bastaardwoorden, volgens 't gewone rijmrecept, aanwendde, gebruikte hij eene vrij zuivere taal.

Zijn Doodendans of, zoo hij het heet, Van der Mollenfeeste, is niet zeer gelukkig. Het verhevene phantastische, het verbijsterend mysterieuse, dat er in dien middeleeuwschen dans ligt, krimpt bij den Rederijker tot een alledaagsch denkbeeld in: de Dood ‘des oppersten Princhen messagier’ is ‘met zijnder pijcke’ uitgezonden, om klein en groot te ontbieden in eene andere wijk te trekken.

Dit land heet Mollengijs (Mollenkerker?).

Nu volgt eene opsomming aller staten, die zich aan dit bevel niet kunnen onttrekken. Eindelijk gaat er een schemer van geestigheid op in de laatste clausulen. De schilderachtige kleederdracht des tijdsstips stoffeert zijn eentonig grauw paneel met eenigszins levendiger tinten:

 
Der mollen Coninck heeft doen vermanen
 
Alle jonghe ghesellen fijn,
 
Met corte keerels, met langhen palanen (strikken)
 
Aen haer schoen ende aen haer pattijn,
 
Voort alle stortstekers (slokkers), wie sy sijn,
 
Legt af u sweerden, u walsche dollen,
 
Want ghy moet, eer lanck termijn,
 
Trecken int landtscap van den mollen.

Vooral ter plaatse, waar onze ‘gheestiche poëte’ de ironie te bate roept, is hij scherpsnijdend, en brengt hij in dit somber onderwerp eenigszins een comisch uitwerksel voort:

 
Selden is volmaect de feeste
 
Daer vrouwen ghebreken, ofte jonckvrouwen;
 
Dies zijnse ontboden, minste ende meeste,
[p. 11]
 
Ter mollen feeste, in goeder trouwen;
 
Langhe sleypsteerten, ofte bonte mouwen,
 
Noch tuyten en dorven sy hebben twint:
 
De mollen, die daer feesten houwen,
 
Sy en soudent niet sien: sy sijn al blindt.
 
 
 
Dese meyskens zijn oock alle ghedaecht,
 
Die te vastenavonde pijpers hueren,
 
Eest dienstbode, voestre oft maecht,
 
Die haer voeten te dansene rueren.
 
Dese moeten wech in corter uren;
 
Hoe jonck sy sijn, hoe blijde van gheeste;
 
Dit danssen, dit reyen mach hier niet dueren:
 
Sy moeten gaen danssen ter mollen feeste(1).

De Roovere ging van 't ernstige tot het luimige, van 't wijze tot het amoureuse over; zijn stukje Sotte amoureusheyt is, wat den smaak betreft, alles behalve anacreontisch, maar er steekt iets verleidends in, dat niet bloot in de verkleinwoorden, of in de kunstig herhaalde rijmklanken van dit refereintje dient gezocht te worden.

Het begin luidt:

 
Ick heete Pantken, mijn lief Pampoeseken,
 
Dat gheerne een croeseken
 
Licht met vruechden, daert niet en gheeft.
 
Ghy en saeght ten daghen noyt blyder droeseken,
 
Alst appelmoeseken
 
Sijn buycxken al vol gheten heeft.
 
God wilse vercnapen(2);
 
Want alle de sorghe, die in haer cleeft,
 
Dats eten en slapen.
 
Men schrevet niet in ses vellen van schapen,
 
Als ick haer wille een pintken schincken,
 
Hoe vriendelijck dat haer ooghskens pincken!
 
 
 
Waer Paesschen hier, door minnen verhit,
 
Wy houweden ghereedt;
[p. 12]
 
Ende als ick haer wille verclaren dit,
 
Lachtse duymen breedt.
 
Hy en leeft niet, die ten vollen weet,
 
Als ic segghe: ‘Pampoeseken, ghaen wy drincken!’
 
Hoe vriendelijck dat haer oogskens quincken(1).

Het vloeiende, losse, volkmatige, dat er in dit recht Vlaamsch liefdestukje steekt, ligt grootendeels in de vrijere oude maat, omtrent ééne eeuw later door eene puriteinsche aan de Fransche nagebootste maat onttroond(2).

III. Andries van der Meulen
Bloeide te Oudenaarde op het einde der XVe eeuw, omtrent 1510.

Wat zeldzaam is, wordt hooggeschat. Deze rhetorisijn, lid der kamer Pax cum vobis, wellicht haar factor, behoort tot de zeldzame rijmschrijvers der onvruchtbare XVe eeuw en was misschien een harer voornaamste dichters.

Laat ons dit woord misschien zooveel mogelijk ophelderen. Met van der Meulen's naam verscheen Een zuverlic boucxkin vander ketyvicheyt der menschelicker naturen(3).

Het is eene vrije vertaling naar het Latijn van Paus Innocentius. Ze schijnt ons sopperig, maar zuiver van taal, althans te oordeelen naar de overbrenging der woorden. Nabuchodonosor somnium vidit quod cum valde terruit, et visiones conturbaverunt eum.

[p. 13]
 
Den droom die Nabugodonozor zagh
 
Maecte hem int herte zo groot gheclagh;
 
Want van zynen hoofde het vyzyoen
 
Heift hem zeer beroert in alle zijn doen,
 
Ende hy bleef vervaert, ontrust, ontstelt
 
Voor tspellen, ooc als hy hem was ghespelt.

Het voorlaatste dier verzen mist echter geen climax; het laatste, geene puntigheid.

Is dit nu wel dezelfde pen, die den ridderroman dYstorie van Saladine dichtte, een werk in 1479 verschenen, en het zegelmerk der taal dier dagen dragend? Geleerden vermoeden zulks(1). Van dien twijfel hangt de beslissing af, of van der Meulen den naam van dichter verdient. Intusschen, ten ware men den naam des dichters (of vertalers) van den Saladine ontdekte, zal dit punt over van der Meulen's verdiensten wel nimmer voldoende opgelost worden. Hoe wil, of kan men den nabootser van het opgegevene Zuverlic boucxkin met den genialen ridder-romanschrijver vergelijken?

Daar het adhuc sub judice lis est hier mag en moet ingeroepen worden, zullen wij eenige regelen aan dezes dichtwerken toewijden en eindigen, hoe gewaagd ook, met den vermoedelijken dichter op te geven.

Er steekt inderdaad scheppingskracht, dichterlijkheid in dien ridderroman: de opsteller had smaak; hij put zich in geene détails uit; hij schildert in den trant gelijk Bilderdijk het bij den romancezanger wil: ‘breed van trek, en vlak van koloriet’; zijn rijm is kunstig gekruist, en niet gekunsteld. Doch

[p. 14]

zoo hij de (bij ons nog niet steeds vermeden) klip der langwijligheid in het verhaal ontgaat, valt hij daarentegen in een gebrek dat, evenals de langwijligheid, verveling voortbrengt: hij herhaalt zoowel dezelfde gedachten als dezelfde voorvallen(1). Alleen het hoofdonderwerp van 't gedicht is historisch; het is de overmeestering van 't Jeruzalemsche rijk door Saladijn, en zijnen oorlog met twee vorsten, tegen hem ter kruisvaart opgetrokken: de eene van Frankrijk, Philippus-Augustus, en de andere van Engeland, Richard-Leeuwenhart. De verdichting beslaat eene ruime plaats in 't ridderwerk. Virgilius aarzelde niet Dido tot Enaeas tijdgenoote en minnares te maken: zoo treedt hier mede Sigis van Melide te voorschijn, die, zoo men weet, vrij later op den Groeningekouter, bij Kortrijk, onder de vanen der Franschen, sneuvelde. Om het stuk tot een soort van moraliseerend, zoo niet blij-eindend epos te maken, laat de ter dood gewonde Soudaen, die geheel zijn leven lang tegen de christenen van leer had getrokken, niet na het christendom te omhelzen, en met al de vroomheid eens ridders te sterven.

Het gedicht, zuiver van taal, is in geene ‘rimes plattes’ opgesteld, zooals vanouds bij de Franschen, en ook bij ons, in verhalen werden gebruikt; maar bestaat uit octaven, met dooreengevlochten rijmen.

Treffende, aandoenlijke tafereelen vinden hier hunne plaats, waaronder dat des bastaards van Bullioen uitmunt, die een jongste vaarwel zijnen hartvriende Hugo toebrengt. Deze namelijk

[p. 15]
 
Quam ter fonteynen, daer die bastaert
 
Gestrect lag met bebloedden oghen.
 
Den iammer, die daer was gheopenbaert,
 
En soude gheen meinschelic zin betoghen.
 
(Hi) ontboet, daer hi dus lach in doghen,
 
Sijnder moeder een groeten met drouven schine,
 
Ende zijne broeders, dat zij hem poghen
 
Zijn doot te wrekene by Saladine.
 
 
 
(Hi) Bat Hughen, den vromen rudder weert,
 
Dat hij Gheeraerde wilde gheven
 
Sijn ors Blanckaert, schilt ende zweert,
 
Theenen lijckteekene beseven;
 
Noch bat die edel bastaert verheven,
 
Dat Hughe zijn halsberch so duerscheurt,
 
Sijn broeders toeghe, dat zij deurt sneven
 
Zouden ter wrake meer zijn beceurt.

Recht ridderlijk, recht waar en schoon, en inderdaad weerklank van den toon der Nibelungen. Immers, een tafereel, welks aandoenlijkheid aan datgene van een anderen Vlaamschen ridderroman herinnert, waarin ‘Aymyns kinderen presenteren [tros] Beyaert aan Koning Carel, die het laet verdrinken,’ en dat, hoe verflauwd ook, en in waterachtige proza weergegeven naar het enkel bij stukken en brokken bestaande gedicht, Reynout van Montalbaen, niettemin eenen diepen indruk blijft maken.

Wij zouden geneigd zijn den Saladine minder aan van der Meulen toe te kennen dan aan den dichter van den Hugo van Tabarie, den Brusselaar Hein van Aken, die ons, naar het Fransch verhaalt, hoe ‘Hugo van Tyberien, den coninc ghevanghen hadde in sijn lant(1).’ Dit gedicht is van denzelfden tijd, en mede, in de toen al gebruikelijke octaven geschreven die op dezelfde wijze ingericht zijn. Men oordeele, wat den kunstvorm betreft, uit dit enkele begin des stuks:

[p. 16]
 
Eens was een coninc, hiet Saladijn,
 
In heydenesse een rike soudaen,
 
Hi was de vroomste sarrasijn,
 
Daer ic noyt af conste verstaen.
 
Wide ende side was dlant al sijn,
 
Ende alle tvolc was hem onderdaen.
 
Hi haette dorperlijc venijn;
 
Meneghe doecht haddi bevaen.

IV. Mr Jan van den Berghe, alias van Diest.
Leefde te Antwerpen 1539.

Wij hebben den tot nog toe onbekend gebleven schrijver genoemd van het meesterstuk onzes tooneels, uit het begin der zestiende eeuw.

Gervinus bracht het reeds tot de voornaamste werken uit dit tijdvak, en verkeerde in 't denkbeeld, dat het opstel van Duitschen oorsprong was.

De eer dit tooneelstuk eerst aengestipt te hebben, behoort aan Dr. Snellaert. Hij noemt Pieter van Diest, die 't stuk schreef ‘een tooneelspeler van groote verdienste, die op het laetst der vyftiende of in 't begin der zestiende eeuw schynt geleefd te hebben. Het geheele spel,’ zegt hij, ‘is goed geleid en de tael er van is zeer krachtig(1).’

Hoe hoog dit werk in de XVIe en volgende eeuw geschat werd, bewijst ons eene bijzonderheid, welke geen enkel ander voortbrengsel van eenigen Rederijker oplevert. Het bekwam, evenals Anna Byns' eerste bundel te Antwerpen in 1528 verschenen, eene overzetting in 't Latijn, die reeds in 1536 te Keulen het licht zag(2), werd herdrukt te Antwerpen in

[p. 17]

1538 en 1546, kwam in een deels Duitsch dialect uit te Nijmegen in 1556, en werd ten minste vijfmaal herdrukt in Amsterdam, namelijk in 1633, 1656, 1661, 1701, terwijl eene uitgave zonder jaartal daar vóór deze laatste verscheen(1).

De Latijnsche vertaling is dus de oudst bekende druk van den Homulus. De titel van die vertaling leert ons, dat het stuk vroeger in eene samenkomst der Vlaamsche steden, te Antwerpen, prijs had bekomen(2). ‘Welk landjuweel dit geweest zij, waar geene dan brabandsche Kamers, luidens dien titel, zich op vertoonden’ zegt Dr. Snellaert, ‘heb ik niet kunnen ontdekken(3).

Prof. Serrure denkt dat deze in 1520 zou plaats hebben gehad(4).

Van der Straelen ontsluiert den naam des dichters: ‘Ten jare 1551’ leest men in de Geschiedenis ‘der Rederykkamer de Violettebloem(5), hebben de regeerders het spel van den Wellustigen Mensche doen opvoeren, dat zeer wel gespeeld werd en gemaekt was door M. Jan van den Berghe, alias van Diest, Facteur van onze kamer.’

Die factor, juist daarom nog geen tooneelspeler, stond tot dusverre bekend onder den name van Diest, naar aanleiding der Latijnsche vertaling die hem Diesthemius, waarschijnlijk volgens zijne geboorteplaats, noemt.

[p. 18]

De opvoering van den Vlaamschen Homulus in 1551, veertien jaar na deszelfs opstel, is een nieuw bewijs van den bijval, dien 't stuk te rechte vond.

De Gentsche Bibliophilen hebben het enkel op het beperkt getal hunner leden ter pers gelegd en wel na de verduitschte uitgave van Nijmegen. Diezelfde uitgave heeft ons tot gids verstrekt, en men zal zich door de aangehaalde verzen overtuigen, hoe gemakkelijk de oorspronkelijke tekst min of meer gelukkig te herstellen ware: want van eene eerste Antwerpsche uitgave is er nergens spraak, zoodat het spel vanden wellustigen mensche waarschijnlijk naar een hs. in 't Latijn is overgebracht.

Maar hier doet zich de vraag op: is dit stuk wel oorspronkelijk? Inderdaad, het levert zulke merkwaardige uitzondering op tot eer van het rhetorikale tooneel, dat reeds hieruit een voor zijne oorspronkelijkheid min gunstig gevoelen zou kunnen onstaan.

De Engelsche schouwburg bezit een stuk, mede van 't begin der XIVe eeuw, getiteld Every man, dat met den Homulus, te oordeelen naar de ontleding, door Percy er van meegedeeld, veel overeenkomst heeft(1). Die schrijver loopt er zoo hoog mede op, dat hij het ‘a grave solemn piece, not without rude attempts to excite terror and pity’ noemt, en zegt dat het zou opgesteld zijn in het begin van de regeering van Hendrik VIII, die, zoo men weet, in 1509 op den troon klom.

Het juiste jaargetal naar 't Engelsche en Vlaamsche stuk zijn onzeker, en laat ook bij de grootste

[p. 19]

overeenstemming van beide de vraag van eerste geboorterecht onbeslist.

Dit alleen is zeker, dat de Homulus uit het Vlaamsche stuk is overgebracht; dat dit laatste in eene handelstad als Antwerpen, waar 't Engelsch vrij verspreid was, als mededingend tooneelwerk, zoo 't schijnt, bij een landjuweel den palm behaald heeft, en dat alles daarbij zoo vloeiend en los bewerkt is, dat, kende men de gemelde bijzonderheid niet, men geen oogenblik zou aarzelen het stuk vanden wellustigen mensche voor oorspronkelijk te beschouwen.

Zoude een tragi-comisch mysteriespel, dat den palm heeft behaald, niet even goed in 't Engelsch als in 't Latijn kunnen vertaald zijn?

Daarbij komt dat Meester van den Berghe, blijkens zijn eeretitel een geleerd man, nog eene eeuw later onder de voornaamste rederijkers van Nederland werd geteld(1).

Voor en achter het stuk staan een ‘Prologhe’ en een ‘Besluit’ die overbodig zijn. Het loopt in zes actussen af, terwijl de vierde actus hier zonder noodzakelijkheid staat aangeteekend.

Het stuk speelt beurtelings op aarde of in den hemel, en een der plaatsen toont aan, dat het tooneel aldaar in 't midden door een wand vaneen was gescheiden.

Buiten de personen komen een Engel en de Doot voor, terwijl er ook eenige zedelijke metaphorische

[p. 20]

wezens, gelijk de Rijcdom en eenige zinnekens (b.v. Duecht en ja V. Sin, door eene enkele personage verbeeld) optreden.

Verdiende dit stuk de buitengewone eer, or aan te beurt gevallen?

Indien wij ons terugvoeren tot het tijdstip, waarop het verscheen, kunnen wij niet aarzelen die vraag bevestigend te beantwoorden. Buiten het laatste bedrijf, dat in 't langwijlige vervloeit, is het over 't algemeen - de moralisatiën daargelaten - niet te lang van stijl. De gang van het geheel is kunstmatig, de ontwikkeling en de knoop belangwekkend; dermate dat de nieuwsgierigheid des aanschouwers niet kwijnt. De phantazij des dichters, in den vollen zin van schepper genomen, doorzweeft dit tooneelwerk, dat men als hoogst redelijk mag aanschouwen en dat zeker eenen onuitsprekelijken indruk op de gemeente der geloovigen moet gemaakt hebben.

Uit díen hoofde betwijfelen wij, of eenige natie uit dien tijd zich op een zoo treffend geheimzinnig spel, zulk een recht mysteriespel kunne beroemen. De zeldzaamheid van den Homulus zelven verdient, dat men er eene vrij breede ontleding van geve, waarbij wij de verdeeling der tooneelen zullen aanstippen, en door cijfers aanduiden.

Wij beschouwen 't als 't meesterstuk der Rederijkers en verhopen uit dien hoofde schotvrij te blijven voor de aanmerking dat wij aan de studie van dit mysteriespel - of hoe moeten wij 't heeten? - te vele bladzijden hebben afgestaan. Het zal ons tevens eene voorname bijdrage opleveren tot de wijze, waarop de schouwburg tot het spelen der tooneelen was ingericht.

[p. 21]

Dat .I. Actus.

1. Homulus maant zijne ziel aan, om van de tijdelijke door hem bezeten goederen te genieten. De epicurist spot met de papen, die zeggen dat men God daarvan rekening moet geven, daar deze wel ander werk heeft.

2. Vervolgens beveelt hij aan zijne huisvrouw, een avondmaal voor de door hem verwachte gasten aan te richten. Hoe bereidvaardig anders ook herinnert zij hem aan de priesters, volgens welke elk ten jongsten dage rekening zijner daden moet inbrengen. Waarop deze haar te gemoet voert:

 
Monicken ende papen, die dat leren
 
Wolden ons gheern also ververen,
 
Dat wy hem gaven onse grote goet.

De goede vrouw bepaalt zich bij 't verzoek, dat hij vroeg thuis zou komen.

3. Homulus ziet weldra gezelschap voor zijn partijtje aankomen: hij verzoekt daarop Joryen, zijn gezel, en eene lichtekooi, met name Melusina, tot welke hij zonder omslag zegt:

 
Joncvrou, Godt geef u eenen goeden dach;
 
Sal ick bi u slapen desen nacht?

Waarop deze dadelijk antwoordt:

 
Ick wil al doen wat ghy my bidt;
 
Sit hier by ons ende etet mit.

4. Na die tooneelen, welke waarschijnlijk voor Homulus' huis speelden, komt een Heremijt bij de dienstmaagd naar hem vragen.

5. De vrouw, door deze geroepen, verklaart, dat haar man zich elders is gaan verlustigen en dat zij zelve ten volle bezig is in de keuken.

[p. 22]

6. Na eenige moralisaties over het avondmaal, gaat de Heremijt den vrijgeest opzoeken.

7. (Verandering van tooneel: eene kamer) Hij vindt Homulus met Melusina en Joryen, spaart zijne vermaningen niet, en legt zulk een losbandig leven als 't zijne, lichtzinnigen anderen ten laste:

 
Die in der juecht haer leeren drincken wijn;
 
Doersneden cleederen moet hy draghen,
 
Costelike hemden mit golde craghen,
 
Een silveren degen moet hi hebben vry
 
Ende oock eene eyghene maecht daer by.

De Heremijt, hoe ook door den wellusteling verwenscht, houdt niet af, tot deze uitroept:

 
Swicht! die met en sit dach ende nacht bi den wijn,
 
Den halt men nu voer een begyn.
 
Maer moeder plach my daertoe te geven gelt,
 
Dat ick my sol halden na der werelt.

Spijt alle bedreigingen en eene aanhaling uit Matthaeus, door den Heremijt gedaan, blijft Homulus, evenals zijn gezel Joryen, verhard in 't booze.

8. (Verandering van tooneel) De Heremijt wordt aangetast door eenen duivel met name Larvicola:

 
Du alder hont, laet af dijn bellen,
 
Ick wold dat ghi aen galgen waer met der lellen.

Maar deze, die hem Homulus geenszins wil in den klauw laten, heet hem zwijgen en, ‘zijner straten gaen.’ Meer dan overbodig voegt hij er bij, dat God den booswicht spoedig zal bezoeken en hem met eene krankheid straffen, opdat hij zich bekeere.

Dat .II. Actus.

1. (Tooneel in den hemel) ‘God (de Zoon) spreect uut den troon.’ Hij, die zooveel voor allen heeft geleden, beklaagt zich over de boosheid des menschen:

[p. 23]
 
Hy en denckt niet meer op deser eerden
 
Dan hoe hy een groot hans mochte werden.
 
 
 
O edel siel, gebeeldt na Godt,
 
Hoe lang wilt gy sijn des duivels spot?
 
Mach u die lieffde tot my niet trecken,
 
Laet u doch der hellen pijn verscrecken;

2. Daar God wil beproeven den mensch door straffen te beteren, roept hij tot een engel:

 
Du engel, gaet, geft den Homulo een steke;
 
Makes niet te grof, dat 't hert niet en breke,
 
Stecten met der strael der pestilencien.

De Engel, die mede ‘compt uut den troon,’ zegt na eenige moralisaties:

 
Nu wil ic mijn godlike boetscap werven;
 
Hi sal meinen, hi moet daer aen sterven.

3. De zich voor zijn huis bevindende Homulus heeft ‘den steke’ gevoelt, en jammert.

4. Hij zendt zijn gezel Hans naar den doctor.

5. Homulus; alleenspraak.

6. Hans brengt een doctor mede die, voor allen troost, Homulus als in levensgevaar zijnde, naar den priester verzendt. De wanhopige zieke verlangt een strop, om zich te verhangen.

7. De Heremijt zegt hem, dat dood en leven in de hand Gods zijn.

8. Homulus, mag hij herstellen, belooft beternis. De Heremijt vertroost hem:

 
Nu, gaet hin na 't gemack dijn:
 
In corter tijt sallet beter sijn.

Waarop Homulus, die zich reeds beter gevoelt, vertrekt.

9. De Heremijt beproeft Joryen mede te bekeeren; maar deze, die 't eens is met zijn gezel Hans, verjaagt hem.

[p. 24]

10. Homulus wordt van Hans gezien en teruggeroepen. De nieuw bekeerde is nog zeer wankelend in zijn geloof:

 
Neen, ick heb gelooft ick wil my beteren,
 
Hoe wel my die tanden noch tot u weteren;
 
Mer ick sorge den lollaert(1) sal my zien.

Melusina, tot welker bekeering die lollaart geen enkele poging heeft gedaan, trekt nu Homulus naar zich.

Deze plaats is zeer merkwaardig: die Syrene wordt hier als eene Lutherschgezinde, eene theologe afgeschilderd, en de beroemde monnik van Duitschland wordt te vinniger geroskamd daar het een onverwachte zijdelingsche aanval is.

 
Melusina.
 
Ey, liever Homule, dat laet geschien,
 
Solt gy u van eenen monnick ververen?
 
Een beter lesse wil ick u leeren:
 
Vasten ende bidden is gantz verloren,
 
Daerom heb ik my selffs uutvercoren,
 
En wil singen in deser tijt een vrolick liet.
 
Geens goets wercks en bedarff men niet.

Op deze escobarsche morale relachée zegt Homulus, zinspelend op den Hervormer:

 
Ja, weet gy oeck daer van, ende zijt een hoer,
 
Hebt gy oec gehoert den nieuwen pastoer?
 
Ick bid u, geefft my te verstaen
 
Wat toch die selve is voor een man;
 
Want ick veele van hem heb horen sagen,
 
Ende over hem groot jammer clagen.
 
Hy die ordening der kercken begeert te verkeren,
 
Twedracht ende al ongeluck doet vermeren.
[p. 25]
 
Melusina.
 
Hy is geweest eens oordens man,
 
Die cap heefft hy uut gedaen;
 
Nu is hy sijn eygen apt ende heer,
 
Nu mach hy volbrengen zijns vleys begeer.
 
Sijn leven is so strenge ende gezwint,
 
Dat men hem selden nuchteren vint.

De dichter gevoelde dat die episode al ver genoeg uitdijde en breekt met een kwinkslag af:

 
Homulus.
 
Swycht stil, ende laet die saeck bestaen;
 
Ick wil nu by u sitten gaen.
 
Kan ons der geloeff alleen salich maken,
 
So sijnt nerren die Gods tornen laken;
 
Daer om wil ick na mynen wille leven,
 
Ende gelove, dat my Godt sal vergeven.

De Heremijt valt den lichtzinnige opnieuw hard, maar vergeefs. Homulus denkt nog lang te leven en te genieten. De Heremijt, vóór zijn vertrek, voorspelt, dat zijn gedrag hem eerlang zal berouwen. Homulus vermaant zijne meesteresse eens recht vroolijk te zijn en zegt:

 
Wy willen een mael hier om springen,
 
Ende laten die papen haer vesper singen.

Hij vertrekt, terwijl Hans verklaart hem ter plaatse te zullen afwachten.

Dat .III. Actus

1. Dit bedrijf ontsluit op dezelfde wijze als het tweede; God spreekt opnieuw ‘uut den troon’ en zegt, na de gewone klacht over 's wereld boosheid:

 
Rekeninge wil ic van Homulo ontfangen;
 
Want liet ic hem also zijn leven verlangen,
 
Hy solde erger wesen dan een beest.
[p. 26]

2. Hij wil de Doot bevelen recht over Homulus te doen, en spreekt haar in dezer voege aan:

 
Segt hem, hy moet huyden bevert gaen,
 
Hy moet voor mynen gerechtstoel staen,
 
Van zyner meyrschap rekeninge geven.

De Doot die ‘begeert heeft tot sulcken spil,’ wil dit ‘werk vrolick aangripen’ en zegt van de menschen:

 
Siet, met die roede wil ick se wecken;
 
Ick wil hen dat hert in 't lijff verstecken.

3. Zij vindt haar slachtoffer [vóór zijn huis]:

 
Hie, her Homule, ick sal u wat nieus sagen:
 
‘Gy en wert niet meer brassen in desen dagen;
 
Gy wert noch huyden suchten ende kermen,
 
Ick wil u omvaen in mynen ermen,...
 
 
 
Mi dunct, gy wil(t) ten danse gaen;
 
Gy hebt u so costelijc aengedaen.
 
Sol men aldus voer den rechter staen?’

Op Homulus' gezegde, dat zulks haar niet aangaat, noemt zij, wie haar zendt. Op de vraag: wat God van hem wil? volgt het antwoord: ‘rekeninge ontfangen.’ Dus zou hij best doen naar huis te gaan. Hij verklaart daartoe geen lust te hebben en blijft weerstreven. Gods bode zegt hem zijn naderend einde aan, waarop de vrijgeest, wanhopig geworden, vraagt wie zij is?

 
Die doot, also ben ick genant,
 
 
 
Het is noch genade, dat ick so lange blijf staen;
 
Gaet voort die rekening vuilick (vullick), aenvangen.

Homulus poogt haar door 't aanbieden zijns gouds te vermurwen:

 
o Homule, waer ick te betalen mit eertsche schat,
 
Ick had die werlt lang tot eygen gehat.
[p. 27]

4. De rampzalige bezweert God, hem ten minste tijd tot boete te laten, maar de Doot spreekt:

 
Niemant mach u verlossen uyt mynen ermen.

Homulus vraagt, of hij na die rekening naar huis zal mogen keeren; nu volgt het vreeselijk antwoord:

 
Na die rekeninge volcht die loninghe dijn.
 
Homulus.
 
O Doot, mach niemant met my gaen daer,
 
Die mijn rekeninge helpen maken claer?

Dit verzoek, dat de volgende bedrijven voorbereidt, wordt niet ontzegd. Na hem opnieuw zijne zorgeloosheid verweten te hebben, voegt de bode er bij:

 
Ic vrage niet wanneer die mensch is bereit,
 
Ick coemp, 't si hem lief ende daer toe leyt.

Nu vraegt Homulus een enkelen dag verlenging om zijne rekening klaer te maken.

 
Die Doot.
 
Homule, neen, dat en wil ick niet doen.
 
Is't niet genoech mit dit lange sermoen?
 
O, wat heb ick menigen dat leven genomen,
 
Die so lange tijt niet mochten overcomen!
 
Dit is dijn lesten dach: daer op sijt bedacht.
 
Ick wilt vertrecken tot in die nacht;
 
Daer tusschen maeckt claer u saken:
 
Gy condt noch wel een genedigen rechter maken.

Dat .IIII. Actus.

1. Homulus jammert, en zegt tot de wereldsche lusten:

 
Daer God so willich leet voer den doot,
 
Die comen doer u in eewiger noot,
 
O vader in hemel, had ick dit bedacht,
[p. 28]
 
Doen ick dijn vrient ende diener heb veracht.
 
Och, had ick my tot gesteliken leven gegeven,
 
Dat sol my nu comen wel even.
 
Och, had ick aengetogen eenen grauwen rock
 
En waer so geweest der werlt bock.
 
 
 
O hemelsche vader, wat sal ick doen?
 
Die son verloopt, het is haest noen.

Eéne hoop blijft hem over: zijne vrienden; vast zullen zij met hem gaan.

2. Weldra krijgt hij zijne blijgezinde gezellen Peter en Hans in 't oog. Op de vraag des laatsten, waarom hij zoo treurig is, zegt Homulus:

 
Dat ick minst heb gedacht
 
Dat sal mi comen desen tegenwoerdigen nacht.

En na eenige, wat langdradige aarzeling, uitgelokt door Hans, die hem getrouwheid tot in den dood toe zegt, en er bijvoegt:

 
Siet, met den schrijfmes heb ic twe slapen geleit;
 
Dijn viant wil ic also doen; dat si vry geseit,

breekt er eindelijk het hooge woord uit:

 
Desen morgen quam tot mi een bode
 
Uutgesant van den almechtigen Gode;
 
 
 
God wil rekening van my, synen ontfanger,
 
Ende vertoeven eenen dach niet langer;
 
Daerom, lieve gesel, wilt my nu niet laten,
 
Ende gaen met my die oncondige strateu.

De lieve gezel wil daarop zijn beraad nemen; wel wil hij mede tot in den dood, maar eenen ‘oncondigen’ of onbekenden weg, daarin heeft hij geen lust.

3. Hierop volgt de vraag, zonder anduiding des persoons, die ze doet en waarschijnlijk in Peter's

[p. 29]

mond te leggen, wanneer Homulus van die reis denkt weer te komen? Deze zegt:

 
Weder comen daer en wil met af werden,
 
Het is geen reyse te voet noch te peerde;
 
Wy moesten varen door een gans wilde zee;
 
In deser werlt en comen wy nummer weer.

Waerop Peter hem te gemoet voert:

 
Ic beve wanneer ic der zee hoir gewagen;
 
Oyc, dat my overal doet ververen,
 
Als ic hoor, so en is daer geen wederkeren.
 
Segt doch waer sult gy bliven in't lest,
 
Ende wie is die bode geweest?

Op 't antwoord:

 
Die bode is geweest die allendige doot;

past Peter's uitroep: ‘God segen mi, lieve gesel,’ en eene volslagene weigering:

 
Het is waer, ic heb u trou toegeseit,
 
Mer doe en hebben wi op geen sterven toegeleyt.
 
Wilt gy yewarts gaen boelscap bedryven,
 
Ic en wol, voerwaer, niet van u blyven.

Na dit double emploi der rollen van Hans en Peter, volgt een bloedige spot van Homulus, die ons met den wat ingesluimerden dichter verzoent:

 
Gy hebt, voerwaer, gesproken recht:
 
In die saken zy dy een gescickt knecht;
 
Waer men zal eten, drincken ende vrolick zijn,
 
Men behoeft niet te scoeren den mantel dijn.

Hans wenscht hem hierop goede reis.

Hem blijft nog een vriend met name Joryen, die hem op zijn verzoek antwoordt:

 
Waer hin? dat moet gy ierst sagen;
 
Is't een reyse te scepe off te wagen?
 
Weet gy van sconen vrouwen enich besceit,
 
Daer toe bin ick van stonden aen bereyt.
[p. 30]

Homulus antwoordt, dat zij ‘nae Occidenten’ zullen gaan:

 
Daer halt God gericht na recht,
 
Daer is die heer als die knecht.

Op zijne verzekering, dat hij niet weet wanneer zij zouden weer komen, zinkt ook dezen gezel de moed in de schoenen, terwijl hij op Homulus' aanmerking, over de verkeerde opvoeding door hem ontvangen, zegt:

 
Hebt gy lust onduecht te vertellen,
 
Dat en solt gy niet doen van uwen gesellen.
 
Van u ende uwen leven sulstu sagen.
 
Mijn boerden gi niet voer mi sult dragen.

Dat .IIII. Actus.

Hoe kort dit bedrijf zij, is het niettemin slepend. Een paar magen slaan den man hetzelfde verzoek af, van welken een zegt:

 
Ic wil mi beraden nog xiiij daghen;
 
Op die saken moet men sich wel bedencken;
 
Het en is geen reise als oft men ginc uut schencken.

Waarop Homulus eindelijk besluit naar huis te gaan, of hij daar mochte troost vinden.

Dat .V. Actus.

1. De ongelukkige wil voor alles zijn goudkoffer bezoeken. En hier wordt het Mysteriespel eerst een Spel van Sinne; want de Dood is zoo dikwijls verzinnelijkt voorgesteld in de middeleeuwen, dat men haar als een dramatisch wezen kan aanzien, waarmee ook de hedendaagsche aanschouwer vrede zou hebben. Ook komt het ons voor dat zij even als in den .III. Actus die in den hemel plaats grijpt, ten minste onder de gedaante van een engel zal ten tooneele

[p. 31]

zijn gevoerd, of onder een mantel verborgen. Hoe kon toch anders onze Homulus in het derde bedrijf tot haar spreken:

 
Mer ick wol gerne weten wie du weres,
 
Gy, die my so seer ververes?

Wij zeiden dat Homulus thans voor alles zijne toevlucht tot zijnen vriend Rijcdom wil nemen.

Even ‘boerdig’ als krachtig spreekt dit in den koffer liggend ‘Sinneken’ op zijne vraag: ‘Waar bistu?’:

 
Hier leg ic besmet ende besloten,
 
Dat heft den armen lange verdroten,
 
My verderft die roest ende de motten,
 
Des sidi van recht weert te bespotten.

Op Homulus' gezegde, dat hij gedagvaard is voor God om van zijn leven rekening te geven, en hij Rijcdom dus verzoekt hem daar te vergezellen, weigert deze; vermits het aan hem is, dat Homulus zich zwaar heeft vergrepen.

Rijcdom drijft hem zelfs den bittersten spot toe en maant den bloodaard tot geduld, zeggende:

 
Drinc nog eens, eer gi minder wert quijt.

Deze vervloekt Rijcdom, die tot vreeslijk afscheid hem het woord toeroept:

 
Na uwen wercken u loen gescie.

2. De vrouw die den schat uit den huize ziet dragen, drukt deswege aan Homulus hare verwondering uit.

Hij antwoordt, dat hij op reis moet, en den schat morgen niet meer zou kunnen bezigen. - ‘Zijt gij dan vergeten dat gij veel gasten te verwachten hebt?’ is de vraag.

[p. 32]

De ongelukkige zegt, dat zijne gasterij volbracht is. Hij moet sterven en noodigt zijne vrouw uit hem op reize bij te blijven, die met den schralen troost van: ‘Nu moet u Godt bystaen,’ hem wegzendt.

3. Hierop verzoekt die Doot dat hij het niet lang make, weigert hem allen uitstel en roept eene nieuwe personage namelijk die Sund, opdat zij zie in hoe verre hij al of niet haar dienaar is, terwijl Moyses het oordeel zal strijken.

4. Hier moet zeker eene theatrale hel te zien zijn geweest, waar de zwarte geesten uitkwamen, om den zondaar vast te binden: want die Doot zegt:

 
Her uut der hellen, die sijn daer in!

Waarop Moyses te voorschijn komt, om te vragen, wie daar gebonden ligt, en zoo jammert.

Die Sund spaart hem niet, en Moyses stelt zijn oordeel in. Hij doorloopt één voor één den Decaloog, en die Sund belijdt Homulus' overtredingen, die Duvel ondersteunt de betichtingen.

Bij dit vreeslijk pleidooi heeft Homulus met een zucht zich alleen den wensch laten ontsnappen:

 
Och, waer ick noch een cleyn tijt gewis!

Nu spreekt Moyses het oordeel uit:

 
Vervloect si die niet alle woerden des wets vervullet [samen]!
 
Dat hi daer nae doet, ende alle volck sal spreken: amen!

Sund, Doot, Duvel, zeggen op hun beurt: ‘amen! amen!’

5. Maar de laatste is met Homulus gebleven. De duivel is haastig om 't vonnis uit te voeren. Op Homulus' klacht verschijnt de Heremijt, die Christus' hulp inroept. Vast verschrikt door 's Heilands naam, tijgt de booze geest ter vlucht.

[p. 33]

De Heremijt raadt hem, zijne deugd tot hulp in te roepen:

 
Daer om moet gy tot dyner doecht gaen,
 
Sonder twyfel sal sy dy bystaen.

Dat .VI. Actus.

1. Weldra zegt de ongelukkige:

 
God groet u, mijn Deucht; hoe sijt ghi so stil?

Deze, die krank ligt, ten gevolge van zijn zondig leven, vraagt wat hij begeert. Hij verlangt, dat zij ten troost hem op reis vergezelle; naief is het antwoord der personnage Deucht:

 
Ic en can op mynen beenen niet gestaen;
 
Hoe sal ic met u dan connen ghegaen?

Zij vraagt hoe het met zijn rekenboek staat, en houdt hem dit voor oogen.

Op zijn aanhoudend smeeken, drukt zij den wensch uit, hem te troosten, maar zegt dat zij geen voet kan verroeren.

2. Doch Bekentnis wil gereedelijk hem tot leidsvrouw wezen om zijne rekening op te maken. Homulus roept hierop juichend uit:

 
Nu scijnt die son, nu crijch ick moet,
 
Nu wert mij weder werm mijn bloet.

Deze geleidt hem tot voor Biechte:

3. (Eene kerk) Homulus spreekt:

 
Sijt gegroet, scoen lelien bloem,
 
Rukende recht als die rosen scoen,
 
Ic kniele voor u met berou myner sonden.

Biecht geeft den zondaar

[p. 34]
 
...... een cleinnoot dat God aengenaem is,
 
Ende dat die sonde te verdryven bequaem is;
 
Dit is dat verdienste Christi Ons Heren.

Bekentnis zegt hem weldra:

 
Ghy moet u oec tot Marien weynden,
 
 
 
Si can niemant bermerticheyt versagen(1).

Waerop Homulus zich tot haar met de overbekende woorden van St-Bernardus wendt:

 
Sijt gegroet, coninginne des hemels ende der eerden,
 
Wie tot u vliet, can niet verloren werden.

4. (De Hemel) Maria zegt onder andere tot Jezus, die haar te wille staat:

 
Laet den sondaer ghenieten mijnder joncvrouwelijcke borst,
 
Die gy gesogen hebt na dijns hertzen lost.

5. (Op aarde) Bekentnis wakkert nu Homulus aan, die hierop zijn lichaam kastijdt.

6. Thans keert Duecht tot hem terug en wil van hem nimmermeer scheiden: want zij is nu ‘gesont ende wel te pas.’ Homulus wil hierop zijn ‘lichaem noch meer castyen’ opdat het haar te beter ga, die tot hem zegt:

 
Nu sijt gi gecleyt met dat brulofs cleit.

Weldra wekt hem Bekentnis op om aan te trekken ‘dat blinckende cleet der penitencie.’

Deucht en Bekentnis raden Homulus aan nog ander personen mee te geleiden, zooals daar zijn:

[p. 35]

Verstand, Stercheyt, Schoonheyd en .V. sin (zijnde een enkel persoon).

7. Homulus roept hen buiten: allen voldoen aan die uitnoodiging. De welgewapende Stercheyt zegt onder anderen:

 
Met deser hellebaert wil ic alle vianden verdriven.

8. Bekentnis drijft den reisvaardige aan, om eerst het lichaam des Heeren te ontvangen en de heilige Olie te begeren. .V. Sin, die dit voornemen hoogst goedkeurt, weidt uit in den lof der priesters.

Bekentnis zegt daarop in verzen, langer dan al de voorgaande(1):

 
Het is waer den priesterlicken staet is aller eeren weert:
 
Mer si en doen niet dat Godt van hen heeft begeert;
 
Als hij aen den cruyse sterf voer ons den bitteren doot,
 
Doen vercocht hy niet die genade voer eertsche goet seer groot;
 
Mer nu vercoopt men die provenen, ick swyge sacramenten,
 
Als hoender, gansen ende ander enden.
 
Sy hebben eenen eet gesworen, reyn te leven;
 
Tfi, met aller ondeucht sijn haerder vele omgeven!

Vijff Sin verhoopt, dat God, van hen ‘die ondeucht’ sal keeren (Homulus trekt eene kerk in).

9. Twee duivels, Crambarabus en Larvicula, houden eene samenspraak vóór die kerk; zij zijn door de helsche vorsten als bespieders uitgezonden. Larvicula vertelt, hoe hij en zijne gezellen Homulus reeds gebonden hadden, toen ongelukkig ‘een lollairt ende oick twee christen wyven’ daar aankwamen voor welken hij 't veld heeft moeten ruimen. Crambarabus leent het oor aan wat er in de Kerk omgaat, en roept weldra wanhopig uit:

 
Wapen, ons geschiet gewalt ende onrecht!
 
Homulus heeft sich gebicht ende is berecht!
[p. 36]

Larvicula zegt aan zijn gezel, dat hij duchtig zal geslagen worden als hij thuis komt, daar die zondaar hem was ‘gegeven te bewaren.’ Crambarabus houdt zich kras:

 
Zijt ghi stolt, compt my naerder aen.

10. Zij zijn vertrokken. Duecht maent Stercheit en Verstant Homulus die ‘heeft voldaen’, tegen te gaan. Weldra breekt hem 't doodszweet uit. Hij roept:

 
Siet, in dat graf sal ic liggen.

Schoonheit verschrikt op dat woord, en wil hem niet volgen, hoewel hij ‘moet seer wel connen callen.’ Ook Stercheit vindt, dat de ‘reyse is vele te swaer.’ Verstant is hem niet getrouwer:

 
Al waer dat graf met gold beslagen,
 
Nochtans liet ic mi daer niet in dragen.

.V. Sin wil al zijne gezellen volgen. Deucht alleen spreekt tot hem:

 
Set u vri op mi een vast betrouwen:
 
Die mi te vriende heeft, die en derf niet grouwen.

Bekentnis blijft hem mede bij.

11. De duivel berispt die Doot, dat zij Homulus te lange van te voren heeft vermaand. Deze verontschuldigt zich, en zegt, dat er bij Homulus twee vrouwen staan. De hier door verschrikte duivel durft niet naderen, doch hij blijft op eene gunstiger gelegenheid verhopen.

12. De stervende roept God en Maria aan, en sluit met de woorden:

 
O Vader, mynen geest bevele ick in dynen hend!
[p. 37]

13. Bekentnis vermaant de toeschouwers, en zegt:

 
Homulus hefft betaelt, dat ghy noch zijt schuldich
 
 
 
Ick hoer der enghelen stemmen singen;
 
Van vreuchden alle hemels borger springen,
 
Want Homulus rekeninghe is claer bevonden;
 
Een borgher des hemels wert hy deser stonden.

(In den hemel) Een Engel welkomt de ‘uutvercoren bruyt des hochsten heren,’ d.i. Homulus' ziele.

't Besluit is even vervelend als die Prologhe; loutere moralisatie!

Het is waarlijk jammer dat de eerste helft van dit stuk alleen een gelukkige uitzondering maakt op het langwijlige, dat de andere helft ontsiert. Hoe dichter men de ontknooping toenadert, te slepender wordt de handeling. De ‘Sinnekens’ hebben den dichter tot rhetorisijn gemaakt.

Desinit in piscem mulier formosa superne.

De op zich zelf staande verschijnselen van den Reinaert, van den Esmoreit met zijne aanhangsels, en van den Homulus (in zoo verre hij onzer mag heeten) zijn als uitzonderingen in de Dietsche literatuur. 't Zijn sterren in den duisteren letterhemel van 't einde der XIIe, midden der XVe en begin der XVIe eeuw; die werken leveren alle drie de bijzonderheid op, dat tot dusverre de namen hunner dichters niet bekend waren: wij hebben eerst dien van den dichter des Homulus ontsluierd; maar wie mag zich vleien dit ooit ten opzichte der andere twee schrijvers te zullen doen?

V. Hanske van der Schelde (klucht)
Verschenen in Vlaanderen in 't begin der XVIe eeuw.

Tot onze groote spijt is dit stuk ons alleen bekend uit eenige regelen, door Scheltema er over geschre-

[p. 38]

ven(1); ondertusschen bewijst die schrijver in hetgeen hij terzelfde plaats van den Homulus zegt, dat hij over dit tooneelstuk spreekt zonder het gelezen te hebben, vermits hij eene strekking daaraan toeschrijft, die men er niet in vindt. Ongelukkig is zulks geen groote waarborg voor zijn belangrijk beweerde omtrent hier ten titel opgegeven kluchtspel.

Na van een in 1512 te Gent verschenen boekje gesproken te hebben, dat aan de knapste bibliophilen onbekend is, en geheeten zou zijn: De incubis ac succubis (over de Nachtmerriën) - boekje, waarvan de schrijver het overbekende, ja, overbefaamde werk: Malleus malleficarum, poogt belachelijk te maken, zegt de gemelde geleerde: ‘Onder het werk der dichters vond ik het meest opmerkelijk twee kluchtspelen van Rederijkers, ook in Vlaanderen verschenen. Het eene is getiteld: de Klucht van Homulus; het ander Hanske van der Schelde(2). In beide wordt de nietigheid der magt van den duivel geestig ten toon gesteld. In het laatste speelt Hanske de(n) Paijas (Paillas?), of de Krispijn van dien tijd den (sic) hoofdrol. Hij dient voor geld, als raadsman, in vreemde gevallen. Onder vele min zamenhangende afdeelingen, is eene der aardigste, dat er eene vrouw ten tooneele verschijnt, die hem vraagt, hoe zij zich te gedragen heeft bij het aanzoek

[p. 39]

van den duivel, alhier Hendrik geheeten, ten einde met hem een verbond aan te gaan. Hanske raadt haar, om vooraf van den verleider, een teeken van zijne magt te vragen; deze raad wordt gevolgd, en nu blijken Hendrik en zijne medestanders, zelfs hun meester, Asmodaeus, tot de opgegevene proef buiten staat te zijn: te weten, om slechts ééne levende luis zamen te stellen.’

Dit kluchtspel, dat Scheltema schijnt gelezen te hebben, doch waarvan hij de uitgave niet aanduidt, zou sporen dragen van een opgehelderden geest; en ware het inderdaad uit de pen van een Vlaamschen rederijker, in het begin der XVIe eeuw, gevloeid, deze zou niet minder dan eene eeuw en half zijnen tijd vooruit gestreefd zijn, in dien zin dat de laatste rechterlijke vervolgingen tegen de tooverij in België van 1668 dagteekenen.

Waarlijk, de onmacht van den boozen geest tot scheppen - de onmacht van den geest de duisternis, welke als een bruischende leeuw zoekt wien hij, verslinde - der almacht van den licht- en levensgeest op zulk eene treffende wijze tegengesteld, zou een trek van volksgenie zijn.

Al of niet vertoond, moest dit drama vol aangrijpende fantasie op aanschouwer of lezer krachtig werken; al mocht het dan ook, in zijne afdeelingen (akten) minder samenhangen, de invloed er van op de volksbeschaving valt niet te betwijfelen; niet meer dan degene van den Homulus; waar een zedelijke strekking, gelukkiglijk met zekeren samenhang vereenigd, is te vinden.

[p. 40]

VI. Matthijs Casteleyn
Overleden te Oudenaarde 1560.

De zuiverste uitdrukking van den geest, die de konst van Rhetoriken, in 't eerste deel der XVIe eeuw bezielde en dit zoowel in de voorschriften, als in de ‘exemplaren’ die hij er van naliet.

Dat hij een veelschrijver was, leert men van hem zelven. Mercurius zegt hem in zijn hoofdwerk:

 
Ghy hebt meer dichts ghecomponeert
 
Dan eenich levende, oft gheexpireert(1).

Dat hij de eerste was, die als uitgever der Rijmkonst optrad, verzekert hij:

 
Ick ben d'eerste die dit bestont voor de ghezellen;
 
Noyt en waert ghedicht inde Vlaemsche tonghe(2).

De rhetorikale wetgever volbracht dit ambt vast te goeder trouwe: hij toch was onbekend met de voorschriften welke daaromtrent Jan de Decker, juist twee eeuwen te voren overleden (1351), in den Lekenspieghel gaf (B. III, Cap. 17), toen hij uiteenzette ‘hoe dichteren dichten selen ende wat si hantieren selen’: een kapittel, waarin de rijmschrijver daarin met Casteleyn overeenstemt, dat de dichter taalkundig moet zijn; maar daarin gansch met

[p. 41]

hem verschilt, dat terwijl Casteleyn de inventie als noodig dichtelement aanschouwt (str. 101), zijn voorganger, naar Maerlants theorie, in al wat de geestelijke of wereldlijke geschiedenis weergeeft, alleen de strengste waarheid aan den rijmschrijver, geenen dichter meer, toestaat(1).

Dit bracht, na Reinaerts en Artuers boerden de zuivere, doch koude rijmen van 't corps der klerken voort, die op hunne beurt, door de in taal, in maat, in vorm en stof gekunstelde rijmen van 't gild der Rederijkers verdrongen werden(2).

Het ontbrak Casteleyn noch aan belezenheid, noch aan inventie, maar aan smaak en gevoel: hierin was hij de prototype van den hoogopgevijzelden zinnenspeldichter Houwaert.

Casteleyn, als priester, had ‘clergie’ d.i. had 't Latijn geleerd; maar bleef alleszins de man van 't Rederijkersgild. Hij herhaalt de vernuftige lessen van vader Horatius in eene barbaarsche taal, en verbrokkelt Virgilius' teedere en aanvallige verzen, om voor de klerken te vertolken wat een referein is.

[p. 42]
 
De Refereynen, dats tsreghels repititie
 
Rijst ons ter monitie van Maro, zo ick meene;
 
In syn achtste eglogue blijckt dees conditie:
 
Wt twee veersen (daer) nemen wy suspicie,
 
Die daer verhaelt staen onder groot ende kleene:
 
Incipe Menalios is beseven de eene;
 
Ducite ab urbe domum moet dander betalen.
 
Den gheleerden geve ick tverstant hier af ghemeene,
 
Die gheen Latijn en kan, zal hier af falen.

Trouwens, zoo luidt de 164e strophe of balade, zoo hij 't heet, van De Konst van Rhetoriken, allen aenkommers ende beminders der zelver, een zonderlingh exemplaer, ende leerende voorbeelt, niet alleen in allen soorten ende sneden van dichten, maer oock in alles dat der edelder konst van Poësien aenkleeft... in dichte ghestelt bij wylent H. Matthijs de Casteleyn, priester ende excellent poëte moderne.

De man gaat van het denkbeeld uit, dat zijne kunst, uit het hoofd komende, niet den boezem ontspringen moet.

 
Want Rhetorica, alsmer wel op acht,
 
Es een konste van zeere wel te sprekene(1).

Zeiden de ouden: ‘de dichter moet geboren, de redenaar gemaakt,’ de goede Casteleyn wanhoopt niet, dat er uit zijn lessen ‘vele fraeye discipulen zullen komen, gelijck wt den peerde van Troeyen’ helden(2).

Casteleyn is in 't midden der XVe eeuw (1548) de vertegenwoordiger der diep vervallene Dichtkunst, met den naam van Rhetorica gedoopt. Al kende hij de Latijnsche klassieke schrijvers en dichters meer dan bij name; hij verstond ze gelijk zijn tijdgenoot

[p. 43]

Van Gistele, Virgilius, Ovidius en Terentius overbracht.

Reeds bij 't ontsluiten van het boek ziet men eene plaat, waarin Rhetorica verbeeld wordt, een zwaard in de eene, een lelietak in de andere hand(1); nevens haar zitten Demosthenes en Cicero; wat lager, Gracchus, Roscius, Quintilianus.

Waarlijk Casteleyn's Konste van Rhetoriken, waarin hij tevens de les en 't voorbeeld geeft, is nauwelijks door te worstelen; alles is hier even hard en hoekig. De inleiding is mythologisch.

Mercurius, de god der welsprekendheid,

 
die de konst wel kan
 
Die men niet en koopt met geldt ofte goede(2),

slaat met zijne roede den ‘excellent poëte moderne’ - zoo men lang na zijn dood Casteleyn heette - die daar inslaapt, van hem in die Edele Konst onderwezen wordt, en niet nalaat menigen kunstbroeder van den Oudenaardschen factor lof toe te zwaaien, onder anderen aan de Roovere, terwijl hij tevens van de Gentsche Fonteinisten met eere gewaagt(3).

De lessen van dien gedienstigen meester behooren tot de prosodie, of tot de vormen der gedichten.

Wat de prosodie betreft, hebben zich twee schrijvers de moeite getroost die na te gaan. Alles wat over het Rijm loopt, is getoetst geweest door eenen

[p. 44]

prosodist(1), en nog hedendaags vrij bruikbaar gevonden. Mone heeft samen de rijm- en verskunst des eersten wetgevers in de Nederlanden ontleed(2).

Casteleyn week in zijne voorschriften over het Rijm daarin van de vroegere dichters af, dat hij eene buitensporige strengheid wilde handhaven. De beste rijmen verwerpt hij; niet alleen keurt hij als dusdanige de niet en al geäspireerde woorden af, zoo als eer en heer; niet alleen de dubbel rijmen als goed zijn en moet zijn, die hij ‘syllabijcqsche adjectien’ noemt, alsmede memorie, vorie, queesten, feesten; maar ook verschillende andere, boven alle bedenking verheven, zoo als genomen, comen, die hij boerenrijmen heet, denkelijk wegens de uitspraak: commen. Half assonante rijmen, gelijk ledigh, heligh, bezigh, keurt hij goed in straatliederen, waarin zij tot dezen tijd toe gezegend voortheerschen(3).

De eigenlijke verskunst van Casteleyn is door Mone niet behandeld, maar deze heeft zijne eigene denkbeelden over de versmaat der ouden uiteengezet.

Casteleyn was inderdaad een half verloopen opvolger dier maat, in dien zin dat hij werkelijk nog met slagen en zinkingen zijne versregelen samenstelde.

Men kent zijnen door ons reeds vroeger aangehaalden regel(4):

 
Dat een reghel (vers) duert onghetelt, onghemeten,
 
Alsso langhe alst eenen aesseme herden mach.

Hij heeft de eer gehad van in een gunstigen zin

[p. 45]

gecommenteerd te worden door Bilderdijk. Wij hebben vroeger die regelen in hun verband met de 102de strophe der Konst der Rhetoriken beschouwd(1) en er deze slotsom uit opgemaakt ‘Wilde men die beide regelen onbepaaldelijk verstaan, dan zoude men er geen den minsten versbouw in kunnen zien: want wat wordt er van een metrum dat de syllaben telt, noch weegt? Doch dat Casteleyn de verzen, welke hij onder de goede schikte, vrij wil van den willekeur der Rederijkers en de zaak anders opvat, blijkt daaruit, dat hij die van negen tot twaalf syllaben bepaalt, welk laatste getal met dat der Alexandrijnen overeenstemt: een vers inderdaad zoo lang, daar 't uit zes voeten bestaat’, ‘alst eenen aesseme herden mach.’

Onder de voorschriften, die Casteleyn, buiten de voorgaande, aan de versmakers geeft, zijn deze de voornaamste: men vermijde niet alleen de vul-, of stopwoorden, maer stelle de woorden en schikke de regels en 't rijm op eene wijze, dat men de kunst niet ontware: de op elkander rijmende regels maakt men best even lang; men zorge door eenlettergrepige woorden het vers hard noch stroef te maken, en neme de elisie waar(2).

Wat nu de voorschriften over de verschillende vormen van gedichten betreft, mag men deze in twee klassen verdeelen: de eerste die geschikt zijn om eenig kunstbelang in te boezemen, zooals de Balade, het Referein, Rondeel, en ja, het Ketendicht; de tweede, die men onder de onbeduidende lief hebberijen der rijmelaren van dien tijd mag stellen, zooals

[p. 46]

de Retrograden en de nog in Vlaanderen voortlevende Jaarschriftverzen, enz.

Die voorname dichtvormen zullen wij afzonderlijk behandelen.

Van het Sonnet, dat korts na de eerste helft der XVe eeuw bij ons is ingevoerd, spreekt Casteleyn geen woord.

Alleen zullen wij hier bijvoegen dat Casteleyn's regels, weinige uitgezonderd, blijkbaar van de Franschen overgenomen zijn, en dus uit eene vreemde anti-germaansche kunstbron voortvloeien. Die wetgever zelf vermeldt ons, welke zijner kunstregels tegen die der ‘Walen’ aandruischen: onder anderen noemt hij als zijnen tegenstrever Molinet op(1).

De Fransche namen, aan al die kunstvormen bijgebleven (zooals die van Ballade, Referein, Rondeel, enz.), getuigen genoegzaam van hunnen oorsprong.

't Sonnet was dan Casteleyn nog onbekend.

Buiten hetgeen door hem over het Tafelspel wordt gezeid en door ons ook werd aangehaald(2), deelt deze vruchtbare tooneelschrijver ons geene in 't minst belangrijke regels over het maken van spelen mede.

 

Wij verstaan daardoor - vatten wij de duistere les wèl - wat Horatius uitdrukt door:

 
servetur ad imum
 
qualis [persona] ab incepto processerit, et sibi constet,

terwijl Casteleyn verder zegt, dat het een gebruik onder de Mercurialisten of Rederijkers is, de hoofdpersonage eerst vooral te scheppen, en vervolgens de hem onderhoorigen, naar de schikking van 't gansche werk samen te stellen.

[p. 47]

Duidelijker en met meer grond zegt hij(1):

 
Het is klein zake Refereynen beslichten,
 
Liedekins maken of Baladen dichten;
 
An de spelen leyt de kracht ende de efficatie.

Men vergunne ons als een pause bij 't doorworstelen eens wetgevers, dien wij veroordeeld waren te lezen, zijn gevoelen weer te geven over 't vraagpunt: mag men den duivel in een dichtstuk noemen, en ja, er eene personage van maken? Iets wat hij aldus poseert en solveert(2):

 
Dan zijnder meesters die wel konnen preken,
 
Oock vul ghebreken, ‘zoo ickt tooghe specialick’
 
Ende brijnghen voort met subtilen treken
 
Datmen den duvel en mach nommen noch spreken,
 
Ende als ghy om prijs dicht principalick:
 
Also my dijnct, sy verstaen dit qualick,
 
Want daer hy Christum leedt inder woestinen hol,
 
Is hy vierwerfven ghenoemt verbalick
 
Ende boven dien Satan, der Noortscher kockinen drol(3).
 
 
 
Noemten d'Evangelie (zo ick klaer meercke)
 
Zoo stijf op tsteercke, daer, en t'ander plecken,
 
En wy van hem daghelicx zijnghen inde keercke,
 
By wat docteure ofte by wat kleercke
 
En zouden wy hem in ons dicht niet vertrecken?
 
Dit zijn opinien, daer de lieden met ghecken.
 
Dus noemtene vry, u en zal gheen oultrage naken.
 
Waeromme zoumen hem by namen niet wecken?
 
Hy mach om prijs wel een personnage maken(4).

Ook de Eed bij de Pax Vobianen afgeleid - blijkbaar door den Zot der kamer - verdient bekend

[p. 48]

te zijn, en hebben wij te zijner plaats in ons werk afgeschreven(1). Casteleyn was facteur bij die kamer en gaf zijnen dooden goeden kunstvrienden van Oudenaarde, eene plaats in zijne rijmen, in de ballade Memorie der zomigher(2). Alle zijn met de diepste vergetelheid bedekt(3).

VII. Marcus van Vaernewijck
Geboren te Gent 1518; aldaar overleden 1568.

De Gentsche patriciër behoorde tot de rederijkkamer Maria ter eere in zijne geboortestad.

Van zijn algemeen bekend werk, die Historie van Belgis, zullen wij alleen zeggen, dat het zijn voornaamste waarde ontleent aan het phantastisch element hetwelk er in voorkomt(4). De naïeveteit des

[p. 49]

schrijvers heeft hare kunst in de sagen, en andere fabelen, die hij meedeelt. Als men zijn hoofddoel om het volk te vermaken in 't oog houdt, zal men den schrijver van dit eigenaardig volksboek recht laten weervaren. Hij heeft - gelijk hij zelf van Homerus getuigt - ‘met menigher hande fabulen geschauwt 't vervelen.’

Hoe veel zijn tijd, toen men nog de verbeelding uit de geschiedenis niet sloot, van den onze verscheelde, leert men reeds alleen daaruit, dat hij slechts drie maand naar school had gegaan: het volk was zijn tweede schoolmeester.

Uit den Epistel dedicatoire van dit werk blijkt dat hij enkel der moedertaal machtig was:

 
Wat wilt ghy benyden een onconstich man,
 
Die niet dan syne moedertale en can.

Er is weinig van hem gedrukt, in aanmerking genomen de menigvuldige door hem achtergelatene, maar verloren geraakte handschriften.

Men kan hem noch vlijt, noch eene soort van geleerdheid, echter dikwijls beuzelachtig, ontzeggen; doch dat hij de schrijvers waar hij op beroept, altijd zou gelezen hebben, schijnt ons eene verdichting. Met Erasmus ten minste zal dit wel het geval zijn.

Trouwens hij schrijft in de Epiloge der gemelde Historie van Belgis het volgende, waarin de taal om den wille van het lieve rijm nog al mishandeld wordt:

 
U dancke ick, edel mercuriale zinnen,
 
Die my patientelick hebt doorlesen,
 
Die de ionste, en oock de conste beminnen,
 
Al is hier de conste cleene bewesen,
 
Tis my een vermaken ende ghenesen,
 
Van ionstige herten te syne doorzien:
 
Afdraghende gheesten hebben haest mispresen
 
Cnoopen in biesen, die sy niet en bespien.
[p. 50]
 
Homerus heeft in zijn schriften excellent
 
Met menigherande fabulen gheschuwt t'vervelen,
 
Maer niet over al, t' was Erasmo bekent,
 
Daer wy dees argumenten al hier uut stelen:
 
Maro (seyt hy) laet hem zomtijdts bemelen(1),
 
Als hy een dinghen tweewerf vertrect,
 
Somtijdts is Homerus met zijnder kelen
 
Verdrietelick, als sijnde te lanck ghebect.
 
 
 
Maer dat (seyt hy) en salmen niet bevinden
 
By Virgilium van Andes oft Mantua gheboren,
 
Die conde zijn redene zoo cnoopen en binden,
 
Datmen niet tweemael een dijnck en mocht horen.

Zoude Maro, die zich wel eens liet ‘bemelen’ als hij iets herhaalde, even onbekend zijn geweest aan den Rederijker als de Virgilius, die zoo wel zijne rede kon knoopen?

Snediger komt ons het volgende naïef stukje voor(2):

 
Een edelman worden zijn gouden cnoppen ghepluct,
 
Vande mouwe zijns tabbaerts, sonder betalen,
 
Binnen Parijs, daer hy vande Walen
 
Zeere ghedromt was in onzer Vrouwen kercke;
 
En met dat hy dit ghewaer wier, sonder dralen
 
Begonde hy hem te stellen op sijn stercke.
 
 
 
Hij track synen snyder wt, eert yemant wiste,
 
En heeft met liste, des diefs oore afghesneden,
 
Die creesch seer luyde, als een snoot Sophiste,
 
En riep: ‘ghy snijdt mijn oore af hier ter steden.’
 
- ‘Tis waer (sprack den edelman), maer tis wel reden:
 
Ghy hebt eerst afghesneden mijn cnoppen verheven’;
 
Gheeft my die weder, so ben ick te vreden
 
En ick sal u oore oock wederomme gheven(3).
[p. 51]

VIII. Eduard de Dene
Bloeide te Brugge omtrent 1570.

Deze factor der kamer van de Drie Santinnen had voor zinspreuk: rasch up en dene (ras op end' henen) en berijmde in deze hoedanigheid de prijskaart van het gilde in 1570(1).

Zijn zeldzaam werk: De Warachtige fabulen der dieren (Brugge, 1567) wordt meest gezocht om de platen van den schilder Marcus Geeraerts. Elke fabel is in twee afdeelingen gesplitst, welk algemeen met een zinspreukig vers sluiten. Zijne somtijds van staartrijmen voorziene versregelen maken, evenals vele prologen van tooneelspelen in refereinen, een soort van mengelverzen uit, doch waaruit onze Brugsche rederijker geene partij, als Lafontaine in zijne onschatbare fabelen, wist te trekken.

Om iets van de Dene's arbeid mee te deelen schrijven wij af(2):

Den Hane op den messijnck.
 
Een hane, zouckende zyn beiagh
 
In den dagh,
 
Zoo hy gewoonlick neerstich plagh,
 
Op eenen messijnck scrabbende daer,
 
Een costelicken steen hy daer vinden zagh,
 
Die daer lagh
 
Reyn, zuver, schoone, blinckende en claer.
 
Nochtans en acht hijse gheensins, maer
 
Zeyde: ‘Een ander ionick u, schoonen steen,
 
Die u in weerden hilde, voorwaer,
 
En volghde naer;
 
Want al zijdy duechdelic goet, en zwaer,
 
Liever hadde ick gheerste, cooren sulck dijngh alleen:
 
Datmen niet en bezicht, achtmen wel cleen.
[p. 52]

De Esopet, van de XIIIe eeuw, vertelt dit minder langwijlig, en naïever:

 
Int mes daer .I. hane sochte
 
Spise, die hi eten mochte,
 
D' vant hi .I. dieren steen.
 
Doe seide die hane: haddi een
 
Ghierech man aldus hier vonden,
 
Hi soudi doen met sinen ponden,
 
Hi soude met di maken feeste groet.
 
Dijns en hebbic ghenen noet.
 
Ic quam hier soeken mine spise,
 
Die ic voer alle stene prise.
 
Wat doestu hier, dine mach van mi
 
Gheen goet ghescien, no mi van di.
 
Dise favele es gheseit
 
Vanden ghenen, die vroescap hebben leit,
 
Die no doghet, no redene
 
Int herte en roeken te bestedene(1).

Er bestond dus, in meer dan één opzicht, verachtering in onze poëzij: na misschien ruim drie eeuwen beoefening, had zij veel verloren.

IX. Lucas d'Heere
Een der eerste invoerders der Alexandrijnen in Nederland.
Geboren te Gent in 1534, aldaar overleden in 1584.

De Boomgaert der Poesijen door den Gentschen Lucas d'Heere is verschenen in 1565, tenzelfden jare waarin men de eerste uitgave van de poëtische werken des trotschen Jonkers Van der Noot plaatst, die men, tot het tegenbewijs wordt geleverd, met Stallaert voor den vermoedelijken invoerder der Alexandrijnsche maat mag houden(2).

[p. 53]

Onze Gentsche kunstenaar was een alleszins invloed uitoefenend lid der rederijkkamer Jesus met de balsembloem, onder zinspreuk ‘Doorziet den grondt,’ terwijl hij, blijkens zijne schriften, vele geleerde vrienden bezat. Het zal genoeg zijn hier aan te teekenen, dat hij onder dezen telde den beroemden Pieter Datheen(1), den dichter Frans Hieman, Karel Utenhoven, Dominicus Lampsonius, die te zijner eer een Dietsch vers schreef en den overbekenden Marcus van Vaernewijck, wien hij een Paradox opdroeg, ‘dat beter is leelijck en mismaeckt van gedaente te zijn, dan schoon en gent’, eene dier anti-waarheden die sterk in den smaak der eeuw vielen.

Schoon hij zich naar dien smaak nog al plooide, aarzelde hij niet met de ‘ydoine ende plaisante maget Rhetorica,’ wel eens den draak te steken. In een soort van hekeldicht, opzettelijk zonder samenhangende gedachten geschreven - iets wat de Franschen amphigouri noemen - rijmt hij:

[p. 54]
 
Een wanckelbaer ried, een vrauwelick pilaer.
 
Alst slechts ghedicht is ghetrocken by thaer,
 
Eyst met hemlien al Rhethorijcke schooue:
 
Den vraneschen Conijngh heeft een gente croone(1).

Hij zag dus verder dan zijne kamergenooten en overtreft ook in (dichtkunst zijne ons bekend gebleven kunstgenooten. Hij had op hen zijn schilderachtigen zin vooruit. Ten bewijze lust het ons een deel weer te geven uit eene liefdeverklaring van ‘een boerken van buyten an een fraey steedsche dochter(2).’

Nadat hij haar gezegd heeft hoe de liefde hem dag en nacht alle rust ontneemt, vervolgt hij aldus:

 
Ghy hebt noch eenen vryer, die hem vermeett
 
U te minnen, ende dat tot minen spile,
 
Maer ic hebb' een langh mes daermé ic afsmite
 
Eenen dicken tack houts, ten eersten slaghe.
 
Indien hijs te veel maect, tsinen meshaghe,
 
Sal ic hem naer zijn vleesch bauwen crachtigh wel;
 
Want als ic gram ben, ben ic zoo machtigh fel.
 
Al de knechten vanden dorpe ontsien my,
 
End' ic zaudt al om u waghen, ia, ic vry.
 
Dus bid' ic u, dat ghi my ooc wilt minnen,
 
Ende comt dese kaeremesse t'onsent binnen,
 
Teghen dan zullen wi een vet vercken slaen,
 
En backen taerten, coecken en vlaen;
 
Ooc goet bier inlegghen, t'uwer eeren.

Nu volgt eene schets waarin de volkskleedij nauwkeurig wordt beschreven, immers zooals wij ze nog op de schilderijen van van Ostade en Teniers aantreffen:

 
Ic sal soo moy sijn dan, met mijn nieu cleeren;
 
Te weten', ic heb' een schaerlaken bonnette,
 
Daer ic een gente langhe vere op zette,
[p. 55]
 
En eenen gauden streck, met quispels mé.
 
Ic sal een wambaeys hebben op de nieu sné,
 
Van root camelot, gheboordt met fluweel;
 
Ooc een hemde, met zwert ghewrocht gheheel;
 
En mi moere, sal my thalf-vasten gheven
 
Een paer gh'ackelde caussens schoon boven schreven,
 
Die ick rondsom sal vul nastelen steken.
 
My en sullen ooc gheen moy causs'banden ghebreken
 
Van schoon root lint, met maeillekens gheclanck.
 
Sal dat niet knechts staen, op die hosen blanck?
 
Ik heb' ooc eenen rock, niet om vermoyen,
 
Gheboort met trijp, en heeft XX. ployen,
 
Noch heb ic al, veel al, dat ic niet en schrive:
 
Maer ghi sullet sien, comdy selfs metten live.

Deze regelen, evenals de blijspelen onzer voorouders, bieden ten opzichte van kleederdracht, zeden en gebruiken een bijzonder belang aan.

Wij hebben hier niets bij te voegen wat Lucas d'Heere's werken betreft, dan een enkel woord over een zijner handschriften, waar hij 't leven der schilders beschreef. Het moet binnen Gent berusten onder de erven der familie de Potter(1)

X. Jan Baptist Houwaert
Geboren te Brussel 1531, overleden te St.-Joost-ten-Oode 1599.

Sommige aesthetici loopen zeer hoog op met dezen rederijker, die vast aan eene der Brusselsche Kamers van Rhetorika in werkzamen dienst was; althans J.-A. Alberdingk Thijm aarzelde niet te schrijven:

[p. 56]

‘Houwaert était un homme d'érudition et de goût, et ses stances innombrables, tout parées qu'elles sont de mythologismes et de gallicismes (bastaardwoorden) se lisent avec un certain plaisir; il avait une érudition facile: ses pensées ne sont pas dépourvues de profondeur. Il était sans contredit le meilleur poëte néerlandais de son temps, et nos ancêtres, qui avaient nommé Anna Byns la Sappho brabançonne, étaient parfaitement dans leur droit quand ils décernèrent à Houwaert la qualité de poëte lauréat et qu'ils le désignèrent comme “l'Homère” de son temps. On ne dirait même pas qu'il y eût presqu'un siècle de distance de Jean Houwaert à Jacob Cats(1).’

Men weetdat men zijn borstbeeld op den Vlaamschen Minards-schouwburg nevens dat van Ogier geplaatst heeft, aldus aan beide rederijkers de eer bewijzende hen als vaders van den Vlaamschen schouwburg te beschouwen(2)!

Er is meer: de Belgische dagbladen meldden in Juni 1857 dat een dorp bij Brussel, waar zijn graf bestaan heeft, eene fontein te zijner eer ging oprichten(3).

[p. 57]

Houwaert's meest bekende werken zijn: Den handel der Amoureusheyt(1) en Pegasides Pleyn, ende den lusthof der Maeghden(2). Zijne andere schriften zijn nagenoeg bloot bij titel bekend.

De timmering dier spelen laat zich in haar geheel omvatten door de ontleding, die Snellaert van den AEneas ende Dido heeft gemaakt(3).

De rhetorikale dichter heeft zijne mythologische zinnespelen, zooals zijn voorganger Casteleyn, tragi-comedisch behandeld. Wat het ernstig of mythisch gedeelte betreft, hij heeft dit, althans in zijnen AEneas ende Dido, op een klassiek geraamte saamgesteld; het comische of grotesque gedeelte er van heeft hij geschapen uit personen des lageren stands of uit zinnekens wier rollen in den lagen volkstrant, weleens vrij weinig stichtend, geschreven zijn.

Doch iets moet men te zijnen voordeele bekennen: hoe langwijlig en buitensporig hij dikwijls is, hoe zeer uitgerekt de episoden zijn die den samenhang van 't geheele verdringen, hij bezit een onderhoudenden volksstijl. Zijne woorden en spreuken, aan 't volk ontleend, boezemen nog zelfs heden eenig belang in

[p. 58]

voor den doorgronder onzer taal en spreekwoorden. Dit gedeelte van zijnen arbeid heeft hem bijval bezorgd; maar voor anderen dan curieusen en liefhebbers is de anders nogal eigenaardige Houwaert ongenietbaar geworden. Zijne in 't oneindig gekunstelde maat steekt tegen de effen kunstsimpele eentonigheid van Cats geweldig af; maar hij is nog langwijliger voor den hedendaagschen lezer dan die volksdichter en niemand zal 't wagen Houwaert in zijn geheel te herdrukken. Indien deze als zedeschrijver de St. Jan-Baptist of voorlooper van den dichter des Trouwrings is geweest, was de Brabander toch niet waardig de schoenriemen van den Zeeuw te ontbinden.

Wil men dit ons oordeel over den zinnespelopsteller door eenig voorbeeld gestaafd zien, men ga bloot het begin na van den AEneas ende Dido.

Het tooneel ontsluit met de plaats uit Virgilius (AEneis I v. 226-300). Nadat Venus Jupiter gesmeekt heeft haren op zee zwervenden zoon Italië te laten bereiken, antwoordt hem ‘de vader van Goden en menschen, met den zelfden aangezichte dat de stormen verjaegt’ het bekende:

 
Parce metu, Cytherea: manent immota tuorum
 
Fata tibi.

Houwaert heeft die plaats meer ‘rhetorijkelijcken’ dan ‘poëtelijcken’ op zijn 16e-eeuwsch nageneurd:

 
O Venus, Venus, weest onbevreest doch,
 
Onder blixem komt ghemeynlijck den dondere,
 
Alle myn wercken zijn wercken van wondere,
 
Laet staen u klagen van zulcke nieu-maren,
 
Naer eenen donckeren nacht komt altoos eenen klaren,
 
Naer sonne-schijn komt dickwils een duyster werck,
 
Dat eerst teer is, wordt namaels wel sterck.
 
O Venus, het werck en is noch niet ten halven,
 
Ick sla, ick ghenese, ick quetse, ick kan zalven,
[p. 59]
 
Ick doen vallen, op-staen, blijde wesen, en trueren.
 
Al dat belooft is, zal hem ghebueren;
 
Maer hy moet wel bezueren’ die wil bezoeten:
 
Al mach hem nu perijckel en druck ontmoeten,
 
Peyst d'eerste groeten’ vallen altoos stranghe.

Wat arme rijkdom van denkbeelden! Wat ontijdige zinrijkheid! Wat classicisme zonder smaak!

Zeker, als zich al die zinspreukige zedelessen in afzonderlijke strophen voordoen, gelijk in de stukken in die zinnespelen tusschen geschoven en in het Pegasides Pleyn, kan er die mozaiek niet alleen beter door, maer verdient Houwaert te dien opzichte, en te dien opzichte alleen, den naam van Brabantschen Cats der XVIe eeuw.

Zoo luiden de twee eerste strophen der Voorreden op d'arguatie vanden ouden man teghens een jonghe vrouwe in dezer voege:

 
Maer zijn't niet wel vreemde en wonderlijcke zaken,
 
Dat een vrouwe zoo vele door liefden doet,
 
Daer sy ten lesten moet om smaken
 
Een stoop azijn voor een druppel zoet?
 
Als ghy wilt baeyen inder vreuchden vloet,
 
Ziet dat ghy daer inne niet en verdrinct:
 
Die zoo verblint is en zoo onvroet,
 
Dat hy naer ongheoorlofde vreucht verlinct(1),
 
Die moet peysen dat hy syn eere krinct.
 
 
 
Maer tis kleyn wonder, datmen Venus zach dolen,
 
Die daghelijcx zoo veel volx tot liefden treet.
 
Al smaken de brocxkens zeer zoet ghestolen,
 
Die doolt, hem zelven schande verwect;
 
Vyerighe liefden en wilt niet blijven ghedect,
 
Want sy de menschen heel blint kan maken,
 
En dan worden sy vande weerelt ghehouden suspect,
 
Als sy niet wel en bewimpelen hun zaken,
 
Die naer ghestolen brockxkens haken.
[p. 60]

In de spelen van Houwaert ontmoet men van tijd tot tijd trioletten, b.v. in de straks gemelde arguatie.

 
Den ouden man.
 
Ick zegghe als voren, myn eerste vermonden,
 
Ick ben in't quaetste gareel ghebonden
 
Datmen oyt heeft vonden’ uyt West oft Noorden.
 
De jonghe vrouwe.
 
Ghy moet daer aen lieghen tot allen stonden
 
Den ouden man.
 
Ick ben in't quaetste gareel ghebonden.
 
De jonghe vrouwe.
 
Hadde ick zulken leetschap van myn zonden
 
Ick zou met Godt zeer wel accoorden.
 
Den ouden man.
 
Ick ben in't quaetste gareel ghebonden
 
Datmen oyt heeft vonden’ uyt West oft Noorden.

Buiten de moralisatie hield het rhetorikaal rijmspel vooral den schrijver bezig. Hij levert daarin mede in den trioletvorm het non plus ultra op:

 
tWonder’ byzonder’ dat onder’ d'amoureusen gheschiet,
 
Dat waer’ ons te swaer’ om uyten klaer’ de secreten.
 
Wy en zouwen’ dat niet ontfouwen’ al wouwen’ wy, ziet!
 
't Wonder’ byzonder’ dat onder’ d'amoureusen ghesciet.
 
Brengt veel gelieven’ die hun verhieven’ in grieven’ die't
 
Gheproeft heeft’ naer jonst ghetoeft heeft’ mach't weten:
 
tWonder’ byzonder’ dat onder’ d'amoureusen gheschiet.
 
Dat waer’ ons te zwaer’ om uyten klaer’ de secreten.
 
Dus willen’ wy stillen’ de ghescillen’ van groots vermeten(1).
[p. 61]

Het eindeloos uitvoerig dichtwerk, Pegasides Pleyn, waarvan de baring den auteur weinig moeite zou gekost hebben, is voor onze tijdgenooten niet door te worstelen. Hij weet zich niet te bepalen.

Zijne historische geleerdheid is doodelijk vervelend. Willems, die uit het laatste boek eene strophe aanhaalt, zegt: ‘Deze onuytgekozene staeltjens toonen dat Houwaert niet zonder geest en beleézenheyd was, en dat hy bykans nog heden zyne lezers vinden zou(1).’

Niet ‘bijkans’, maar stellig... bij uittreksels(2).

Wij hebben, naar onze wijze van zien, den dichter recht gedaan. Heeft hij ook als vaderlander bijzondere aanspraak op de eer, die St-Joost-ten-Oode hem wil toebrengen?

Voorzeker was hij geen Spaanschgezinde!

Op de vraag door Ghelijcke complexie gedaan:

 
Wat isser gaens?

Antwoordt Amoureuse affectie:

 
Het volck te bedriegen op syn Spaens(3).

Van die gevoelens getuigt bijzonderlijk een zijner werken, getiteld: Milenus clachte, waer inne de groote tirannye der Romeynen verhaelt, ende den handel van desen tegenwoordighen tyt claerlijck ontdect wordt (Antw. 1578).

[p. 62]

Doch de man, die het rustige ambt van ‘conseillier ende meester ordinaris van die rekeningen des hertogdoms van Brabant’ bekleedde, heeft ook anders dan met de pen 't vaderland verdedigd, men zou hem zelfs de verovering van 't kasteel te Antwerpen te danken gehad hebben. Hij zat in de commissie van verdrag bij de overgave der stad Brussel in 1585.

De zoogezegde Virgilius van België deed dezen zoogezegden Cats van Brabant recht. Bochius namelijk, Secretaris van Antwerpen, en zeer Spaanschgezind, zinspeelt echter op Houwaert's krijgsdiensten in 't bekende Latijnsche grafschrift op deze(1).

't Is waar dat in later tijd, toen in België het Spaansch gebied weer vastgeworteld was, Houwaert niet langer van de oppositie meer was: hij moet zelfs een dichtwerk aan den hertog van Parma hebben opgedragen.

Zijn vaderlandsche diensten, waar een tot zijner eer geslagen penning duurzaam bewijs van bewaart, kan men nagaan in een opzettelijk daarover gheschreven artikel(2): men leert er uit, dat, groot voorstander van Matthias en den Prins van Oranje, Houwaert zich ook aan Marnix van Ste-Aldegonde had gehecht; ook vertaalde, ja, berijmde hij de beroemde oratie, voor de Duitsche rijksvorsten te Worms door Marnix gehouden.

[p. 63]

Houwaert heeft dus zijne taal, vooral zijne spreekwoordkundige, benevens zijne historische waarde.

Wij zeggen ten slotte, met Prof. Visscher: ‘In het belang der fraaie letteren mogen wij voor Houwaert geene geestdrift meer verlangen(1)’. Wij voegen er bij: ‘En kunnen wij 't gevoelen van Alberdingk Thijm niet bijtreden. Kan Houwaert, ook als Belgisch letterkundige, ooit nevens zijnen vriend, den dichter van 't Wilhelmus van Nassauwen en van de Psalmen gesteld worden? En wat is tusschen de refereinende Anna Bijns en de lyrische Sappho, tusschen den moraliseerenden Houwaert en den epischen Homerus gemeen? Is ook de afstand tusschen den Brabander en den Zeeuw, die bijna tijdgenooten waren, niet oneindig?

XI. Jeronimus van der Voort
Hij leefde in de laatste helft der XVIe eeuw.

Van der Voort was een dier rederijkers, die de Hervorming niet alleen omhelsden, maar met hunne pen voorstonden. Bijtijds de rondgrijpende ijzeren vuist van Alva ontvloden, schijnt hij, onzeker in wat jaar, zich in den Briel opgehouden te hebben: althans gaf hij daar eene, vast niet ontijdige, bittere weeklacht uit, onder den titel van: Het heerlyck bewys van des menschen ellende, enz., waarin de oudrederijker, die zeker ook bijbelvast was, blijken gaf zijner ervarenheid in de schriften der wijsgeerige Oudheid. Uit dit standpunt beschouwd, was dit werk een voorlooper der philosophische refereinen,

[p. 64]

omtrent eene halve eeuw later, op het landjuweel van Mechelen verschenen.

De balling verhaalt er in, hoe hij, die eens zoo menig schoonen prijs op verscheidene rhetorijkfeesten had gewonnen, binnen Lier ter nauwernood aan de handen des wreeden Hertogs was ontvlucht; verder hoe hij den Prins van Oranje op alle zijne tochten had gevolgd, voor Maastricht, in Frankrijk, voor Bergen (in Henegouw) en in Holland; en hoe hij ooggetuige van onbeschrijfelijke ellenden was geweest. Zoodat zijn schrift niet van historische waarde is ontbloot. Heeft het er ook meer?

Willems, dien wij hier volgen(1), roemt zijne belezenheid, hoedanigheid in dien tijd, ook in een rederijker, niet onpoëtisch te kleuren, ten minste in de verzen, waarin hij het - sedert Juvenalis verouderde - thema ‘van de mizerien des houwelijks’ behandelt; aardig en welluidend zingt hij verzen op, waarin men voelt dat de balling een vrijer lucht dan die zijns vaderlands inademt:

 
Dit zijn doornen, die daer staen onder de roosen,
 
Dits dobbel galle met honing verblomt,
 
Dits 't pont soets met thien pont alsems bekroosen,
 
Dits de korte vreugd aen wangen die bloosen,
 
Daer duysent tranen en alle smert uyt komt.
 
Daerom sprack een spot-meester eens, kort gesomt,
 
Dat hy liever honderdmael monick waer, in een kap gedompt,
 
Dan eens onder 't ongerief des houwelijcs gekromt.

Zoo iets had er toch onder 't Spaansch bestuur niet door gekunnen: dat rook te sterk naar den mutserd.

Echter kon van der Voort zijne vaderstad niet

[p. 65]

vergeten: hij droeg zijn werk aan haar magistraat op en liet daarbij niet na, ten slotte, in een referein - dat oude aanvalwapen der rederijkers - de weer katholiek geworden Antwerpenaren aan te tasten:

 
die het woordt des Heeren
 
Wel wetende, nu weder haeren rok om keeren;

Hij vergelijkt ze bij Caïphas' dienstmaagd, en werpt hun de bedreiging toe:

 
Wee u, den haen die kraeyt!

Zijn invloed moet groot geweest zijn; dit werk werd in Holland herdrukt (te Delft 1596) omtrent twintig jaar nadat hij eene andere weeklacht had uitgestort, waarin hij nu, overeenkomstiger met zijne grondbeginselen, uit de Schrift zijne zedelessen putte(1).

Hij schreef mede een lied over den ‘Afstand der Nederlanden’ benevens enkele andere te vinden onder de Geuzenliederen(2).

XII. Claude de Clerck
Geboren te Ieperen 1587; aldaar overleden 1645.

 
O eed'le man, wiens naam alle eeuwen door zal dringen
 
Wiens liedren elk geslacht aen 't jong're voor zal zingen.
 
Lafaut, van Ieperen (prijsvers).

Wie deze regelen zou lezen, en vernemen dat zij tot een bekroond gedicht behooren, zou zich al heel

[p. 66]

veel kunnen voorstellen van den man, wiens liederen van geslacht tot geslacht, als die van een anderen Homerus, zullen overgaan, ja, als die van een Ossian of Tasso, voortgezongen worden. De lezer zou in dit gevoelen wellicht versterkt worden, als hij zou bekend geraken met het grafschrift op den Vlaamschen Claudius, netjes berijmd door Lambert Vossius, die hem doet zeggen:

 
Hy die u op het schouwtooneel
 
Met liedies, clinckdicht en rondeel
 
En redenrycke clucht vermaeck
 
Soo dickwils heeft gheweirt den vaeck, enz.

Vooral zou de kunstminnaar naar Claudius verzen verlangen, als men bij overlevering zou vertellen, dat deze, schoon maar een simpel bierkruier, een poëtisch overvlieger van de eerste vlugheid was; dat hij ‘van syne kindsheyd af alles, zelfs in den gemeynen handel, in rym sprak, waer af de maer metter tijd zoo verliep, dat de beruchte dichter Cats uit Holland eene reis naer Iper gedaen heeft, om dien vermaerden geboren dichter te sien, ende met hem in gesprek te komen(1).’ En hoe zou de op poëzy verslingerde kunnen twijfelen, als hij zou vernemen, dat het Rethorijk van Ieperen, nog in 1856, een lofdicht op haren onsterfelijken stadsgenoot heeft uitgeschreven(2), die, zoo men wil, noch lezen noch schrijven kon, iets wat zeer wel mogelijk is.

Wij moeten den boom uit zijne vruchten leeren

[p. 67]

waardeeren. De Adam en Eva van den doorluchtigen Ieperling biedt ons hiertoe de gelegenheid aan de hand.

Dit booze serpent, dat Raphaël met een vrouwenhoofd in deze gelegenheid heeft gestoffeerd, wil de onschuldige gade bewegen de hand naar 't verboden ooft uit te steken:

 
Maer Eva stond-verbrod:
 
Sy sey: 'k Heb een gebodt,
 
Dat my verbied te proeven.’
 
- ‘Wat wilt gy u bedroeven
 
Daer over,’ seyd' het spoock,
 
‘Dien man verboodt my oock
 
De hand daer aen te steken;
 
Maar 'k lach met sulke treken;
 
't Is, dat hy 't lieve nat,
 
't Welck deze vrucht bevat,
 
Voor sich alleen wilt houden.’
 
Toen sey vrouw Eva: ‘souden?’
 
Vergeeft my dat kwaed woordt,
 
't Geen sy bragt effen voort,
 
Soo het hier is gesproken:
 
Had sy, soud hy? ontloken,
 
't Waer beter vlaemsch geweest;
 
Maer, die het schrift doorleest,
 
Sal lichtelijk bemercken,
 
Dat sy in Vondels wercken
 
Of in Cats suyver bladt
 
Niet veel gebladert had.
 
Het is nochtans een wonder,
 
Want Adam was besonder
 
Een grooten yveraer
 
Der rederijcke schaer, enz.

Waar steekt, in deze grove aerdigheden, een zweem van geest? Wie zal nu nog bijzonder trek gevoelen naar de Clerck's slaperige tooneelen, hoe dikwijls zij ook in hunnen tijd den vaak mogen geweerd hebben, en onder welke voornaamste men telt: Het Oordeel van Salomon, Theophilus, Chrisoarius, Belgica en Spinola, 't Guesen ghejanck en Sedechias, waarvan de drie laatste nog bestaan.

[p. 68]

XIII. Mr Jan Moerman van den Kiele (improvisator)
Hij leefde op het einde der XVI
e eeuw.

Die rijmschrijver, denkelijk van Antwerpen, gaf daar in 1584 een werk uit(1) dat de eer genoot na verloop van vier en twintig jaar in Amsterdam herdrukt (1608) en, in deze stad, wat later door Vondel omgewerkt te worden. Ja in dien zin, dat deze ontluikende dichter op de platen, waar Moerman rijmen op had geschreven, nieuwe verzen vervaardigde onder den titel van Den gulden Winckel.

Moerman discht ons een proefje zijner geleerdheid op in zijne voorrede, maar die geleerdheid is weinig bekookt. Volgens hem zouden omtrent het jaar duizend (‘over ses of seven hondert iaren’) onze voorouders openbare scholen voor de Poëzy gesticht hebben! De ‘Barden’ waren dezelfden die heden ‘Rhetorisynen’ worden genoemd! Maar wat hij er bij zegt is vol waarheid, en wijsheid: ‘Den gheest drijft wonderlyc. Wie sal hem wederstaen? Die hem tot dichten begheeft slae syne stonden gade.’ Hij voegt er, als gevolgtrekking, bij: ‘Ic hebbe my dan laten van den gheest ghesegghen, en hebbe t'werc op niet min dan ontrent drie dagen tyts volbrocht, niet naer mynen wille, maer soot hem belieft heeft.’

Niet onaardig onder anderen is het stuk, van zes tot zeven slagen uitdijend, en wel eens 't Nevelingenvers weergevend(2):

[p. 69]
 
Een weerdinne vervaren in guychelrye,
 
Verschiep dicwils haer selven (t' is een wonderlyc beduyt):
 
Want als sy haer bestreeck met eenighe meesterye(1),
 
Soo wert sy eenen voghel, en vlooch ter deuren wt.
 
Apuleus dat siende, nam oock wat van dit cruyt,
 
En soo haest als hy hem daermede heeft ghewreven,
 
Soo is hy gheworden eenen esel ruyt
 
En liep naer den stal, den huysgoden beneven,
 
Om de roosen te eeten, daer haer hooft verheven
 
Mede was verciert; maer hy wert ghesmeten.
 
Ende soo haest en was hy van daer niet verdreven,
 
Hy vont een ander roose, diemen hem sach eten.
 
Met dien heeft hy weer syn esels huyt vergheten,
 
Ende wert een mensche, soo hy was te vooren.
 
Dees roose beteeckent voorsichticheyt en weten,
 
En hy is een esel die de wijsheyt wil verstooren:
 
Want daer en is gheen coninc, hoe hooch ghebooren,
 
Heeft hy geen wysheyt in syn conincrycken,
 
Hy en moet wel eenen ghecroonden esel ghelijcken.

Vondel vervloeit hier in 't langwijlige, en mist dit puntig slot; maar men vergete niet dat de zanger van Palamedes nog ver af was: hij schreef dan nog berijmde historische aanteekeningen op platen, gelijk heden onze dichters en ondichters op, in den vreemde aangekochte, plaatjes van Taschenbücher of Keepsakes.

XIV. Ogier
Geboren te Antwerpen in 1618; aldaar overleden in 1689.

Ziehier de vertegenwoordiger van het Vlaamsch blijspel of eigenlijker gezegd van de klucht, gedurende het midden der XVIIe eeuw. Hij is zeer verschillend beoordeeld geweest.

[p. 70]

Onder allen heeft Van Ertborn het ongunstigste oordeel over hem uitgebracht, die 't eenertijde factor der Violieren en schoolmeester was. Van Ertborn breekt den staf over hem in deze woorden: ‘Het is moeyelijk zig iets slechters, van eenen verfoeyelijkeren smaeck en somtijds iets onbetamelijkers te verbeelden dan zijne tooneelstukken.’ Van Ertborn staaft zulks door een uittreksel uit het stuk de Onkuysheyd, en voegt er bij: ‘zoo schreef men in de zelfde eeuw, die Vondel het Hollandsch tooneel met zijne stukken zag vercieren, en waerin Molière aen het Fransch tooneel zijne meesterstukken gaf(1).’

Willems erkent gaarne, dat zijne stukken ‘op veéle plaetsen recht geestig en boertig’ zijn, maar dat hij die ‘altezeer met platten en vuylen straet-praet overlaedde(2).’

Dr. Snellaert heeft over Ogier's schrijftrant, over zijne kunstpogingen, in verband gebracht met het tijdstip zijns tooneelarbeids, veel gunstiger gedacht.

Heden biedt het lezen dier stukken weinig belang aan: men moet er zich, als letteroefenaar, opzettelijk toe stellen om ze te doorworstelen. Ogier wil doen lachen, dat is zijn hoofddoelwit. Alle zijne personages zijn kluchtig, en die kluchtige strekking heeft niets van Molière's rijken geest. Ogier geeft er even weinig om als Plautus de ontucht op het tooneel te brengen.

[p. 71]

't Is waar, de Antwerpsche kluchtspeler zegt, dat hij het met de goede zeden wel meent(1). Ja, een onbevoegd Hollandsch rechter schreef onbeschaamd genoeg, dat er ‘by Ogier, meer Amsterdammer dan Antwerpenaar te noemen (!), niets ergelijks ook voor het teederst oor in 't straffen der zeven hoofdzonden voorkomt;’ doch dient zoo iets wel wederlegd?

Dat Ogier zich vergeten hebbe in zoo eene gevaarlijke stof als die over de ontucht loopend, is licht te begrijpen: laat ons den man dus in een ander stuk nagaan, en wel in datgene, waarmede zijn voltalligen bundel ontsluit: De Hooverdigheyt, kluchtsgewys vertoont op de Kamer vande Violieren den 18 October, anno 1644, binnen Antwerpen.

Francisco, een arme duivel, en ‘vermeynde Ioncker’, heeft Beyken tot eene bedrogene dochter gemaakt. Deze is de zwagerin van den ‘Baes vande beirstekers’. Francisco is een trotschaard, die niemand betaalt, zijnen knecht Joos niet te eten geeft, en niets doet voor Beykens kind, nu zes weken oud. Gaarne zou haar zwager moeder en kind - welk laatste zij te vinden heeft geleid - overmaken aan den ‘beirsteker’ Balten; doch deze, die reeds zijne hand aan twee vrouwen heeft toegezegd, weigert. Francisco blijft dus alleen over: op aandringen

[p. 72]

van den zwager van Beyken, en nadat hij dien - in ‘beirstekers’ stijl gesproken - deftig ‘verguld’ heeft, huwt hij Beyken, schoon hij tegen haar en zij tegen hem de laagste scheldwoorden hebben uitgestort.

Het tooneel moge, om geene veroordeeling in te loopen, bloot eene uitspanning zonder nut zijn, maar is er hier niets in, dat ook buiten de laagheid der toestanden, het zedelijke gevoel kwetst? De schrijver, die geene enkele der zeven hoofdzonden heeft willen voorbij gaan, moest zich vast daarbij eenig doel, eenig nut voor den aanschouwer voorstellen. In hoeverre toch kan er leer en les in de hoofdpersonage Francisco steken? Ik zoek, en vind ze niet.

De meester wordt aldus door den knecht afgeschilderd, en dit zal nog wel de beste, dat is de meest genoegzame plaats uit dit grove stuk zijn:

 
Joos.
 
k' En wist noch niet dat in myn meester sulcken sotte gentilhom stack;
 
Hy verstaet dat hem een jegelijck waer sal gheven sonder gelt.
 
Hij haelt geiren, en hy betaelt met afsmeiren. Gy doet ghewelt,
 
Seet hy soo, als hem jemandt maenen comt, aen een man van reputatibus;
 
K'en ben geen canalie, seet hy soo, maer van groote qualitatibus,
 
En, seet hy soo, k'en betael niemant, seet hy soo; mynen beyaert luyt:
 
Brengt al in, seet hy soo, maer g'en krygther niet met allen uyt.
 
t'Waer me oock een schandt, seet hy soo, t' betaelen waer my tot verkleynen:
 
Want myn successie moeten vereert syn als prins van d'oude Romeynen.
 
Dies, seet hy soo, hebde wel een galgh ofte rat verdient,
 
Dat ghy my comt manen, daer ghy noch geldt aen my vindt.

Na dezen goeden zet, vervolgt de poetsemakersknecht volgender wijze:

 
Laet het u, seet hy soo, ghenoegh syn, dat ick in uwen boeck staen geschreven
 
Als uwen schuldenaer: gy behoorde, seet hy soo, noch gelt toe te geven
 
Voor de eer die gy geniet, dat in uwen boeck
 
Een man geschreven staet, met een a la mode broeck,
 
Met een lanck lyff, met een kees kop, met een pluym schoon van coleuren,
 
Met leirsen, met sporen, met de broeck vol faveuren.
 
Ha gy bengels, seet hy soo, morghen sal ick u te proncken doen setten op een schavot,
 
Om dat gy geen reputatie en draeght aen myn gepoyerde callot.
[p. 73]
 
Wilde, seet hy soo, u sententie hooren lesen,
 
Soo comt nu ter vierschare, en morgen sulde ghehangen wesen.
 
En die hem met sulcken auctoriteyt hoort spreecken, die staet en siet
 
Met het back-huys vol tanden, en hy en geeft niemant jet(1).

Dat deze plaats het volk destijds heeft doen lachen, gelijk het met elke mascarade, met elke karikatuur lacht, laat zich verstaan: maar is die scherts wel natuurlijk?

Is die jonker niet eerder krankzinnig dan hoovaardig, als hij op dien toon aan zijne schuldeischers spreekt?

Of doet Molière aldus Don Juan ten opzichte van zijnen schuldeischer, Monsieur Dimanche, te werk gaan(2)?

Waarlijk, had het tooneel zooals Molière het verstond, datgene zooals 't Ogier begreep, verdrongen, er ware geen verlies bij geweest! Inderdaad, Molière is hier zoo verre boven Ogier als de fatsoenlijke menschen boven de personages staan, die deze Vlaming meestal tot zijne typen neemt. Molière vermaakt en leert ook het beschaafdste gezelschap, terwijl hij den wijsgeer doet nadenken; Ogier, ofschoon het hem aan geenen geest van waarneming, aan geene onderhoudende levendigheid faalt, mist goeden smaak; ja, verwekt weleens afkeer in plaats van vermaak.

Maar hij is lang toegejuicht geweest niet alleen door Brabant, maar ook door Holland! - Zulks bewijst dat de smaak van den Antwerpschen rederijker niet meer gevormd was dan die van 't publiek, dat hem toejuichte, en dit wellicht deels om zijne

[p. 74]

gebreken, om zijne grofheden. De door hem genoten bijval bewijst, dat zijn tijd, vooral zijn landaard invloed op den schrijver heeft gehad, maar dat hij zelf, als kunstschrijver, op zijne aanschouwers geenen invloed heeft kunnen uitoefenen.

Molière had den moed om tegen den wansmaak, evenals tegen de gebreken zijner eeuw, te worstelen: dit getuigen Boileau en de geschiedenis van den Franschen schouwburg. De beroemde zinspreuk van Santalius Castigat ridendo is op dien grooten schrijver ten volle toepasselijk. Molière had smaak: hij gaf de natuur met getrouwheid, met kracht, met bevalligheid weer.

Wij hebben zooeven eenige van Ogier's kunsthoedanigheden aangestipt, handeling en levendigheid, en kunnen er geene andere in hem opsporen.

't Is mogelijk dat hij, evenals Lopez de Vega, wetens en willens de eenige kunstregelen van smaak en gevoel verkrachtte, om zijnen tijd te behagen, en zich weinig over 't oordeel van 't nageslacht bekreunde: in welk geval het nageslacht zich weinig om den schrijver bekommert.

Snellaert, in zijne beschouwing van het Vlaamsch tooneel in de XVIIe eeuw, heeft Ogier eene goede plaats verleend, en er te rechte van gezeid, dat zijne stukken het volksleven getrouw weergeven.

Volgens dezen beoordeelaar hekelt elk personage de verkeerdheden des tijds zoo gepast, dat Ogier de ‘tuchtmeester van 't volk mag genoemd worden(1).’ Dit moge op de sententien der personages toegevoegd, waar zijn, doch wat de han-

[p. 75]

deling derzelve op de voorstellingen des tooneels betreft, zal men met van Ertborn en Willems moeten erkennen, dat de eeretitel van tuchtmeester weinig den kluchtschrijver zou betamen. Trouwens zoo schijnt Snellaert zelf te denken, als hij ons zegt, dat Ogier er geen kwaad in zag, de boosheid in hare naaktheid ten toon te stellen; iets, voegt de criticus er bij, dat voor den beschaafden mensch alleen waar kan zijn, maar niet voor den ruwen hoop(1).

Dezelfde beoordeelaar wil, dat de vrijheid die Ogier zich geeft om zijne stukken in een onbepaald getal uitgangen, in plaats van ze in drie of vijf bedrijven te verdeelen, er eene losse beweging aan schenkt, die niet ongevallig is: de zwakheid der intrigue, doorgaans op een misverstand uitloopende, zoo Snellaert getuigt, heeft Ogier, wiens stukken meermalen op straat spelen, de verdeeling in bedrijven laten missen.

Snellaert beschouwt die zwakheid van intrigue veeleer als eene verdienste dan als een gebrek: ‘Hierin’, zegt hij, ‘is alweer den meester te erkennen, die zoo wel zynen tyd en de menschen begreep. Men zou van Ogier eene fyngesponnen ontwikkeling verwachten, zonder te letten, dat hy geen leven van hovelingen schetste en voor geen hovelingen schreef, maer voor ronde vlaemsche burgers die Teniers en Ostade toejuichten en aenmoedigden.’

De kunst richt zich tot alle standen, ook dan als zij burgertafereelen afmaalt. Molière bewijst het; en zijn al de ontknoopingen des grooten Franschen blijspeldichters niet altijd gelukkig, dit is den meester

[p. 76]

immer als eene verdienste te min aangerekend geweest. Wat het ut pictura poësis betreft, ook Teniers en Ostade, scheppers in de kunst, weerspiegelen keurig de natuur, en dragen wegens oorspronkelijk samenstel en kunstige penseeling de bewondering der kenners weg. Dit is, onzes dunkens, niet geheel het geval met Ogier.

Eene verdienste, die men echter den Antwerpenaar niet kan ontzeggen, is de mijn van spreekwijzen, eigen aan het volk, die hij met milde hand ontsluit, en die zeker tot het toejuichen zijner stukken het hunne hebben toegebracht. Laat ons dit staven met er eenige uit de eerste bladzijden des boeks over te schrijven:

 

1.Hebben, is hebben, krijgen is de konst (bl. 7).
2.Daer comen stroppen te cort, alsmen alle boerenbalgen telden,
En die gaen veur, inden ommeganck van leerken op (bl. 9).
3.Patientie is gout weert, denct hy in dees occasie (bl. 9).
4.De iongers weten nu van hun twelf of dertien iaren,
Daer eertyds de oude lien gansch in onnoosel waren (ib.).
5.Men seyt, die diepsinnich is, dat die de beirstekers slacht (bl. 12).
6.Denckt, t'is een plaegh over u en over 't landt,
Slaeget met de Geusen in een predestinatie (bl. 16).
7.Ick ben hier in stadt als eenen uyl op een kruck (bl. 20).
8.G'hebt een memorie als eenen garnaet (ib.).
9.Ick ben een plompen boer, en ghy eenen grootsen geck,
Ick sou u dienen gelyck den haen op den toren (bl. 24).
10.Het gaet met hun gelyck het spreeckwoort seght:
Men meynt een ander te brillen, en men brielt syn selven (bl. 27).
11.. . . . . . . . . . Had ick de weet
Dat gy waert een aertjen naer 't vaertjen (bl. 28).
12.Het crielt er als mieren (bl. 30).
13.Als de doecken staen op het alder’ fierste,
Dan syn de broecken op het alder’ dierste (bl. 30).
14.Wa, g'heb' een memorie als eenen predicant (bl. 32).
15.De saus van alle spijs syn goey geteerde maghen (bl. 34).
16.Die de dant trauwt om de want’ verliest de want, en hout de dant (bl. 39).
17.Dat is te veel gemist (bl. 45).

 

Dat onze oude dichters, die 't volk eigenaardig afschetsen, ten opzichte der spreekwoorden, enz.,

[p. 77]

groote waarde voor de studie van de taal, en van 't volk in de taal, aanbieden, is overbekend. Hoffmann von Fallersleben, bij 't uitgeven onzer oudste Abele spelen ende sotterniën, paste reeds dit grondbeginsel daarop toe: ‘Die meisten älteren niederländischen Dichter’, zegt die Duitsche geleerde, ‘pflegen Sprüchwörter, Denksprüche und sprüchwörtliche Redensarten in ihre Gedichte einzuweben, um eine Ansicht, eine Meinung oder sonst etwas zu bekräftigen(1).’

Doch wij mogen niet vergeten aan te teekenen, dat Ogier de vader is van Barbara Ogier, die veel voor het tooneel heeft gewerkt(2), terwijl wij er nog meenen te moeten bijvoegen dat het een betwisbaar punt is, of het blijspel: Don Ferdinand oft Spaenschen sterrekyker aan Ogier moet toegeschreven worden(3).

XV. Cornelis de Bie
Geboren te Lier in 1627; overleden in het begin der volgende eeuw.

Een notaris te Lier, wien zijne protocol tijds genoeg overliet om schilderijen en tooneelstukken te maken, de laatste waarlijk in geen klein getal: de man berijmde niet minder dan een en twintig spelen en achttien kluchten. Hij had het verstand niet, bij tijds de pen neer te leggen, en Willems

[p. 78]

getuigt, dat de voortbrengselen zijner laatste jaren hem veel meer den naam van rijmelaar dan van dichter verzekeren(1).

Als moraliseerend rederijker had de notaris het ook op de wereld gemunt. Hij schreef Des Werelts-Sots-cap(2), grootendeels in den trant van Cats en met de dan in vollen zwang zijnde zinnebeelden opgeluisterd. Maar bijwijlen bekroop hem de destijds schaarsche zucht, vader Vondel van verre na te hinken. Trouwens hij getuigde in zijne voorrede dat hij voornemens was zich een weinig te ‘laten toomen vande waere kunst, die hier in Werelts-Sots-cap niet alleen naer den Hollantschen styl en manier wordt voorgestelt, maer naer de natuer van d'eygen poesie.’ Men ziet dat de Bie gezond oordeel miste.

Als zoovele andere rederijkers, die geene geleerde opvoeding hadden genoten, ontbrak het hem aan vinding, aan kennis van den aard des volks, dat hij ten tooneele bracht. Als Ogier, doch in minderen graad dan deze, bezat hij dus zekere Vlaamsche genialiteit, doch waar de goede smaak al te dikwijls geen integraal deel van uitmaakte. De Bie kon zich mede boven den bedorven smaak zijns tijds niet stellen, die, ook in de klucht, nog lager gedaald was dan de literatuur der meest onklassieke eeuwen. Willems, die zulks te recht aanmerkt, voegt er bij, dat De Bie's tooneelwerken vol zijn van de plompste, liederlijkste en ergelijkste straatpraatjes,

[p. 79]

doch dat het er destijds niet veel beter uitzag ter Amsterdamsche Academie In liefde bloeyende, dan op den Lierschen schouwburg van Den groeyenden boom, en ja, dat Langendijk zelf er zich niet vrij van wist te houden, daar de poëten en schilders van dien tijd dit noemden: naar de natuur schilderen.

II. Hollandsche Rederijkers.

I. Jacob Celosse.
Bloeide te Leiden in het begin der XVIe eeuw.

Zes jaar was verloopen sinds Casteleyn's voor ruim eene halve eeuw geschrevene Konst van Rhetoriken in Holland was herdrukt, toen een Rederijker van dit land ook de hand aan eene Ars poetica besloot te steken. Hij heette Jacob Celosse. De man kleedde zijn alexandrijnsch leerdicht in den vorm eener samenspraak tusschen drie Zinnekens, die zoo vele persoonen verbeeldden: het waren In Konsten vierigh, Liefhebber der Konst, en, wie hier als meester optrad, Neerstigh Ondersoecker. Dit leerstuk betitelde hij 't Spel van't recht ghebruyck ende misbruyck der redenrijcke scholen(1). Doch de Hollandsche rijmer was minder gelukkig dan de Vlaamsche: het werk van dezen is wijd en zijd bekend en hetgene des anderen ligt in een hoogst zeldzaam boek begraven.

Wij willen het eenigszins door uittreksels doen kennen.

 
In Konsten vierigh.
 
Als broeder reyn in konst, moet ick u mede deelen
 
Den schat uyt s'herten grond gegraven, doch wat slecht.
 
Siet, dit heb ick ghestelt, en t'saem aen een ghehecht.
[p. 80]
 
Wilt dat eens oversien; 'tis niemant tot verkleeningh,
 
Maer meest om oeft'nen my: dus segt vry uwe meeningh,
 
En hoe dat u behaeght: 'tis gheen verwerret streck.
 
Neerstigh Ondersoecker.
 
U werck is niet heel slecht, doch niet vry van gebreck.
 
Die silbe comt te hardt(1), en die moest harder wesen;
 
Dien dicht(2) staet dien te by, om even eens te lesen;
 
Die rustplaets' valt niet wel; dat is geen goet begin;
 
Die rede komt wat slecht(3), en dat woort breeckt den sin;
 
Die voeghelijcke naem(4) voegt niet by dit selfstandigh;
 
Daer mist gy in't geslacht; dat's geen verval(5) gehandigh,
 
Dien vol voorleden tijt moest teghenwoordigh staen;
 
Daer dient op't spellen ghy wel beter acht te slaen,
 
Het dient oock meer verciert, met cieraet redenrijclijck,
 
Voorbeelden in 't verhael, ghelijckenissen blijck'lijck
 
Die moeten zijn versint, waer deur een werc schoon blinckt.

Men ziet, hier draagt onze Aristarch zijne critische denkbeelden voor over datgene, wat in Spieghel's Twe-spraack tot de Letterkunst (Grammatica) behoort: hij spreekt over spelling, taalregelen, prosodia en compositie. Voorbeelden en gelijkenissen geeft hij als poëtische sieraden op.

Laat ons nu zien, welke begrippen over de strekking der kunst en de te beoefenen schrijvers voorgedragen worden. Met een van vreugd overstroomd gemoed, als de wiskunstige Syrakuseaan bij den uitroep: Ik heb 't gevonden! treedt te voorschijn

 
Neerstigh Ondersoecker.
 
Och, nu ben ick ter plaets', daer elck my na sagh spooren;
 
Ghevonden heb ick nu, dat ick heb langh gesocht.
 
Siet hier, vrient, wat een boec dat ik heb med'gebraecht;
 
Den inhoudt konstigh schoon, is fraey in alle wijcken.
[p. 81]
 
Liefhebber der Konst.
 
Laet sien, wat ist voor een?
 
Neerstigh Ondersoecker.
 
Spelen der Redenrijcken
 
Zijnt al, soo ghy meught sien, die eertijts zijn ghespeelt
 
Int Gentsch en Handwerps perc, die t'saem het lofbaer beelt
 
Der lofbaer ed'ler konst, men konstigh sagh afmalen.

Men ziet hier reeds Gent en Antwerpen, als degelijke Vlaamsche zustersteden, aangehaald.

Hierna wordt overgegaan tot de geschiedenisboeken die zulk een ‘lofbaer edele Kunst’ bevorderen. Hier worden naast Titus Livius, Carion (?), Josephus Flavius, Sleydanus, Stimphius (?), Frossard (sic) en van Metren (sic) opgegeven.

Celosse wil ook zijn classicisme wat te luchte hangen, maar, eilacy, in rhetorikale verstrooidheid maakt hij, waarschijnlijk op Bredero's Moortjen zinspelend, den blijspeldichter der Romeinen, wien, bij vele gaven, enkel de vis comica ontbrak, tot een treurspeldichter!

 
Neerstich Ondersoecker.
 
Hebdy oyt fraeyer stuck als dit oyt wel bespeurt?
 
'Tis van Terentius eertijts konstrijck beschreven.
 
In Konsten vierich.
 
Wtnemend' wort daer ooc dees edel konst verheven:
 
Want zijn treurspelen droef die luyden in't verstant,
 
Al waer des menschen hert hardt als den diamant,
 
In't hooren, schreyen soud' wel heete tranen bloedigh.

Niet minder geleerdheid wordt er over Pollio, uitgekraamd, die treurspelen (praetextatae)(1) schreef en tot blijspeldichter wordt gemaakt!

[p. 82]
 
Liefhebber der Konste.
 
Hoe heeft ook Pollion, en veel meer ander vroedigh.
 
In vreughden spelen soet, ontsloten haren schat.

Hierop vervolgt

 
Neerstigh Ondersoecker.
 
Dat is my wel bekent (!), en wat segt ghy van dat
 
Schoon fraey en konstigh boeck, vol reyne dichterije,
 
Van Maro fraey ghestelt? en dits Pieter Messie,
 
Die als een kruyt hof staet verciert met menigh kruyt.
 
In Konsten vierich.
 
Natuerlijck ende schoon veel saecken by ontsluyt,
 
Beweghende den mensch hem stadigh t'overlesen.

Wat verwarring! Wat onkunde in den wetgever van Parnas! Terentius tot een Seneca, Pollio tot een Terentius omgeschapen, en Virgilius naast een compilator gesteld(1)! Zoo grof maakte het Casteleyn zelf niet.

Wat Virgilius betreft, deze zal waarschijnlijk aan Celosse meer dan bij name bekend zijn, dank zij Cornelis van Ghistele, die de AEneis ‘rhetorijckelijc’ maakte, ‘playsant ende weerdich om lesen.’

Wij zagen zooeven in de hulde, aan twee Vlaam-

[p. 83]

sche steden toegebracht, dat de kunstachting van Holland voor België stand had gehouden, een deel der schrijvers die Alva's zwaard ontweken waren, werden in 't land, dat hun eene schuilplaats bood, herdrukt. Ook aan andere Vlamingen viel die eer te beurt, zooals van Ghistele en Casteleyn. Uit Celosse leeren wij kennen welke Rederijkers destijds in Noord-Nederland meest nering hadden. Wij lezen in zijne aangehaalde samenspraak:

 
Liefhebber der Konst.
 
Wel siet eens dit oock aen, en seght of daer kan wesen
 
So schoon en sinrijc were, bequaem voor groot en kleyn.
 
Dit Manders arbeydt swaer, en dat is Casteleyn
 
Die uyt Castali vloedt oock med' al heeft ghedroncken.
 
Neerstich Ondersoecker.
 
Wt boomen so vruchtbaer wel spruyten schoone troncken.
 
In eeren moet men haer al houden nacht en dagh.
 
Ontallijck is de vrucht, die elck daer speuren magh,
 
't Verciert dorp, stat en lant haer schoon aerbeydigh ploegen.

Na dezen, voor Celosse niet ongelukkigen vierling spreekt

 
In Konsten vierigh.
 
Siet hier noch sulck groot deel, om elc een te genoegen,
 
Als Van den Dale fraey, Hauwaert en van der Voort,
 
In druck en in geschrift van die Oorboort accoort,
 
En dan die Van der noot, dat vindy al hier onder.
 
Liefhebber der Konst.
 
Ik mercke dan byna hier heel het wout van wonder,
 
En siet daer Vaernewijck, dies heel mijn vruecht vermeert,
 
En Schade Leer u(1) oock, och, die is weer gheeert,
 
Met noch veel ander meer, die ick alom hier mercke.
[p. 84]
 
Neerstich ondersoecker.
 
'Tzijn oock de boecken goet, die hier in elcken percke
 
Een Redenrijcker recht behoort te hebben wel:
 
Want daer vindt elck een in den aert, en 'tgoet bevel
 
Van de schoon lofbaet Maeght, en haer dierbaer juweelen.

II. Dirk Coornhert
Geboren te Amsterdam 1522; gestorven te Gouda 1590

 
'k Ontving tot Amsterdam, ik gaf ter Gouw mijn geest.
 
Wiens strijdt voor zeden, schrift, en vrijheit is geweest.
 
 
 
P.-C. Hooft.

Er is over dezen man(1), die zoowel als politiek persoon dan als schrijver in verzen en proza de aandacht verdient, reeds zeer veel geschreven, wij mogen dus kort zijn over dien werkzamen auteur, die een der voornaamste leden was der Amsterdamsche Rederijkkamer In liefde bloeiende. Eerst in het jaar 1567 was hij kamerist geworden(2).

Naast Spiegel houden wij hem voor een der beste prozaschrijvers die tot de Rederijkers behoord

[p. 85]

hebben: maar beider rol ten opzichte der staatkunde liep gansch uiteen. Spieghel had een onverzettelijken afkeer van ambtsbedieningen; Coornhert, daarentegen, nam, als pensionaris der stad Haarlem, een zeer werkzaam deel omtrent 1562 ‘aan de poogingen voor de zijde der Hollanders, ter beteugeling der Spaansche heerschzucht aangewend, en was niet slechts de raadsman van Bredero, den beroemden overbrenger van het smeekschrift der Nederlandsche edelen, maar werd ook door Willem I in verscheidene gewigtige zaken gebezigd.(1)’ Zijne vrijheidszucht stond hem duur.

Als aan Boethius, dien hij later vertaalde, bleven de Muzen hem in zijnen kerker getrouw. In 1567 schreef hij zelfs den Lof van de ghevangenisse, in eene taal vrij van alle uitheemsche smet, in zinlijke rijmregels, die niets van het stroeve hebben, dat, als een roest, Spieghel's zedeverzen, vooral zijne alexandrijnen, ontsierde.

De in den Haag gevangene zingt:

 
Wat baet hem 'swerelts vryheyt wiens ziel is gebonden
 
Met duysent aenklevende dootlycke sonden?
 
Wat schaet oock de rycke siel dees lichaems banden?
 
Niet; hy pronckt met zijn meesters cluysters eerlyck,
 
Meer dan menigh sot met ketens van gout begeerlyck,
 
Der vromen boeyens eeren hun, den vanger tot schanden(2).

In dien ernstigen toon stelde hij ook den Lofzangh van 't Goudt in; en, ja, beschreef 't Loeye en leckere leven, een werk dat niets met het vanouds beschreven Luilekkerland gemeens heeft, maar allegorisch is behandeld, ja echt rhetorikaal, schoon uit het Latijn nagevolgd.

[p. 86]

Uit de gevangenis gevlucht zijnde, zocht hij redding in de ballingschap. Later diende hij als secretaris bij de Staten van Holland.

[p. 87]

‘na ick, wezende balling in vreemde landen, uyt oorzaken voorschreven, beghonnen hebbe ghehad te maken eenen Neerlandschen Grammaticam, maar doort ontberen van alle myne armoede, benodicht zynde om met mynre handen arbeyd myn kost te winnen, hebbe ick dat myn voornemen anderwerven moeten verlaten.’

In 't volgende jaar 1585 verscheen het voornaamste zijner dichtwerken: Recht ghebruyck ende misbruyk der tijdlicke have(1), onder andere gevolgd van een onderwerp, dat hij zich ten volle het recht acht te behandelen: een Protest teghen den slaep.

De alexandrijnsche maat was reeds dan in Holland bekend: doch Coornhert, en schoon men in hem somtijds achtereenvolgende regels in die maat ontdekt, bleef in den grond aan de vrijere oude maat getrouw, welke hij vijf-en-twintig jaren te voren opzettelijk had verdedigd.

Huisinga Bakker heeft een deel dier berijmde prosodia, welke van 1561 dagteekent, weergegeven in zijne, van valsche grondbeginsels uitgaande, Beschouwing van den ouden gebrekkelijken en sedert verbeterden kant onzer Nederduitsche verzen(2), en waarlijk die rhetorikale voorschriften zijn merkwaardig genoeg om hier vollediger dan bij hem gelezen te worden.

 
Wat zijn hier reghels van vijfthienen?
 
Sulcx en doen gheen rethorisienen
 
So lanck te maken: way, dats geen const!
 
Men ghebruyct tien, twalef ende elf.
 
Dees heeft een ruyme wech op hem self.
 
Tschijnt geen rijm; 't is schant dat hijt begonst!
[p. 88]
 
Sulcke nueswijsen moet ick vraghen,
 
Door wat recht sy de vrijen plaghen,
 
Met huer wetten dwaeslijk vercoren?
 
Virgilius, de groote poeet,
 
Stelt reghels van seventhienen breet.
 
Ey, laet hem, om huerluy te horen!
 
 
 
Een volle sin eyscht een heel reghel,
 
Daer af sy de rijm, tslot en seghel,
 
Als elcx een athem wt mach spreken, enz.(1).

't Overige deelt Huisinga Bakker mede, die Coornhert verkeerdelijk van onze rhythmische maat naar die der Latijnen te willen regelen, heeft te rechte gewezen, en aanmerkt dat hij de kunst van Rhetoriken kende, waarin men leest:

 
Een reghel duert onghetelt, onghemeten,
 
Also langhe als eenen aesseme heerden mach(2).

Eene aanmerking waarin een diepe zin steekt en waarover elders.

De vertaling der Odyssea door Coornhert volgens dit ruime stelsel, zweemt somtijds sterk naar Nevelingverzen. Men oordeele uit de slotregelen van het tweede boek:

 
Tseyl begonst te swellen, het schip snellic voort te vlieten.
 
De blauwe zee ruyschte om tschip, dwelc de baren voort stieten,
 
Dat zwam doort water, als een swaen met verheven pluymen’ doet.
 
De riemen werden wech geleyt, om den wint te genieten.
 
Sy droncken tbruyssende wijnken met zijnder scuymen’ soet,
 
En soo offerende die goden, nader costuymen’ goet:
 
(Sonderlinc Pallas, die hun met de[n] wint te ruymen’ spoet)
 
Voeren si al den nacht: wantmen geen goeden wint versuymen’ moet.

Zijne latere rijmen, zoo wij zeiden, zijn eenigszins veralexandrijnscht, en algemeen in engere palen gesloten.

[p. 89]

Zijn Protest teghen den Slaep heeft op sommige plaatsen veel gemak, veel zwier. De verrederijkerde Coornhert staat hier verre beneden den Ovidiaanschen Hosschius, wiens Elegia ad sumnum even meesterlijk is in 't gedeelte, dat eene lofspraak voor, als in 't gene een protest tegen den slaap behelst.

De minder klassieke dichter sluit zijn stuk aldus:

 
Doetse slapen, gapen, sluymen, snorcken en quijlen
 
Diens verdrietige leven maeckt lange wijlen,
 
Sendt desen u bode Mankop laet en vro na,
 
Begraeft die in u pluymige fluwijnen,
 
Kerckertse binnen u duystere gordijnen,
 
Wtsluytsters van de goud-blinckende Aurora.
 
Bant uyt heur wooninghen de blaffende honden,
 
De ghekroonde vogels die den dagh verkonden,
 
En de vluchtige vloyen, der slapers verdriet;
 
Siet dat ghy smids ende kuypers, die vroegh wercken,
 
De klinckende klocken, de zingende klercken,
 
Oock ruysschende winden het zwijgen ghebiedt,
 
So mooghdy u dienaers en willighe slaven,
 
Die levendigh als doode leggen begraven,
 
In u stomme, stille, blinde dromeryen,
 
Soo veel van heur tijdt en leven ontstelen,
 
Als sy gaerne ontberen en u willigh deelen,
 
Om te ontgaen heur wroeghende fantazyen(1).

Zijn deze verzen, waarin een losse en lieve herinnering eener klassieke beschrijving doorstraalt(2), niet van eene rhythmische eigenaardigheid, die ons 't lange miskennen der oude maat doet bejammeren? Dan zij herleeft, die maat; de eens afgerukte snaar is op de Nederlandsche lier weergesteld!

Coornhert verzuimde geenszins den machtigen volkshefboom, den schouwburg; maar wij zijn alleen met de titels van enkele zijner tooneelstukken bekend, waarvan meer dan de helft bijbelsch is(3).

[p. 90]

III. Hendrik-L. Spieghel.
Geboren te Amsterdam in 1549; overleden te Alkmaar in 1612.

Ypey in zijne thans eenigszins verouderde Beknopte Geschiedenis der Nederlandsche tale (1812), beschouwde Coornhert als den ‘hersteller - neen! - de(n) vader onzer nederlandsche poëzij, den vader van den eigenlijken rhythmus, die met eene kunstige, evenredige mengeling van hooge en lage lettergrepen geboren werd.’ Hij brengt die verbetering omstreeks het jaar 1580(1).

Men heeft ten overvloede in den laatsten tijd bewezen, hoe mank dergelijke beweringen gingen, daar de middeleeuwsche poëzij bij ons zoo wel regels in den versbouw volgde als degene die omtrent het einde der zestiende eeuw van de Franschen deels overgenomen werd, en die men, met hare getelde syllabenmaat, eene puriteinsche versmaat zou mogen noemen(2).

De versmaat is in Coornhert's Recht ghebruyck ende misbruyck der tijdlicke have nog zeer los(3).

Echter bekent Ypey, dat Spieghel dezen overtrof zoo in taalkunde als in dichttrant. Beiden waren

[p. 91]

rederijkers. De dichtvorm van den laatste is wel minder vloeiend en aantrekkelijk dan die van Coornhert, maar zijne waarde is in den grond werkelijk grooter.

Op dien dichtvorm kleefden nog de gebreken van den rederijker. Doch wij moeten eerst van den prozaschrijver spreken.

Gaarne stemmen wij toe, dat hij, in wedijver met Coornhert, de bastaardwoorden uit onze taal verdreven, en ze van veel andere leemten en gebreken gezuiverd heeft; gaarne erkennen wij, dat de wijsgeerige schrijver vindingrijk is in 't uitzoeken van keurige uitdrukkingen, doch hij laschte in zijn opstel veel in onbruik geraakte woorden, zonder gelukkig gevolg, hoe zinrijk hij die uitgebaggerde woorden trachtte te benuttigen.

Ons is niet onbewust, hoe hoog taalkenners en dichters met hem hebben opgeloopen.

De Vries had hem een der eerste en voornaamste opbouwers onzer letterkunde genoemd(1), en met dien vrij hooggestemden lof is Ypey nog niet tevreden, welke wil, dat die kunstrechter hem ‘veilig den voornaamsten van die allen had mogen noemen’ als een man, ‘die vol vinding was bij het uitzoeken van de keurigste uitdrukkingen die hem voor zijn onderwerp dienden.’ Ook zwaait hij dien hoogen lof toe, wegens ‘het koppelen van onderscheiden woorden, die nooit, dan op zich zelven, gebezigd worden, waardoor zij eene gemengde, maar meer met de zaken juist geschikte beteekenis kregen(2).’

[p. 92]

De verklaringen van dichters omtrent Spieghel's taaldiensten en kunstverdiensten zijn nog ontzaglijker. Hij verdient niet alleen van Hooft, wegens diepzinnigheid van ‘stijl’ daar hij zelf een meester in was, maar van Vondel zelven te worden gelezen en herlezen(1). Ook Poot achtte den Hertspieghel hoog(2), met één woord, bij die kunstmeesters stond hij te boek als onze Ennius, groot van geest, ruw van kunst(3). Het bleef voor onze dagen bewaard daarvan een alles overtreffend bewijs op te leveren, en dien kunstijsbreker eene onsterfelijke hulde toe te wijden: Bilderdijk werkte diens hoofdwerk om, doch misschien meer door de stof dan door 't gewrocht zelve, meer door de denkwijze des schrijvers dan door zijne kunst uitgelokt. De groote, doch wel eens grillige dichter liep toch met Spieghel's taal over 't algemeen, vooral wat de koppelwoorden betreft, zoo bijzonder hoog niet: of schreef hij niet ten slotte zijner omwerking zinspelend op dezes eerste boek, v. 107 en 108, wat wij gaarne afschrijven, als eene voorname taal- en dichtles des meesters bevattend:

 
Ja, Spieghel, gy doorwroet ons grondwoordrijke taal,
 
En mijdt uitheemschen pronk; maar dees uw roem is schraal.
 
Gy wroet tot moddrig zand, om tot een hoop te maken,
 
Waar elk die 't leest, met moeite, en naauwlijks door kan raken,
 
Och, hadt ge of oor gehad, of ware taal gekend,
 
En 't merk eens schoolpedants op alles niet geprent;
[p. 93]
 
Uw woorden wel verstaan, en door ze zoo te schikken
 
Dat ze en gehoor en hart door melody verkwikken,
 
Den dichtrengeest getoond bij 't filozoofsch verstand!
 
Gy waert de roem geweest van 't denkend vaderland(1).

Zeker kan men in hem recht snedige, ja, in den grond poëtische plaatsen uitzoeken, b.v. zijne beschrijving der ontluikende lente, reeds door Ypey met eere herinnerd(2):

 
Taal-leye leid ons uyt, langs d'Amsterlandsche strómen,
 
t'Anschouwen 't nieuwe kleed van 't natte veld en bomen,
 
Diens vrolik-bleke-lof drong plotselijken uyt,
 
Met swanger knoppen bol, der takken dorre huyd:
 
En 't gras, dat onder t' ijs in d'herrefst was geweken,
 
Begon zyn spichtich hoofd door 't water op te steken.

Wel is dit laatste vers inderdaad eens grooten dichters waardig, maar gegrond is en blijft het verwijt, hem gedaan door zijnen onwerker, dien men te rechte een verstandspoëet bij uitnemendheid heeft genoemd, en die misschien door Spiegel's lectuur al vroeg is opgewekt om beter partij dan hij van deze grondwoordrijke taal en hare koppelwoorden te trekken: 't doel hierin door Spieghel nagezet, heeft Bilderdijk beschoten, misschien wel eens overdreven; maar den Rederijker blijve de eere der poging!

Dat Spieghel ook zijner Muze Thalia of haren zusteren dien stijveren dos kan uitschudden, opdat zij in luchtig gewaad zouden dartelen, blijkt uit eenige zijner liederen. Los en lief, als het Klaertjen van Hooft, of eenig liedeken den Frieschen Lust-hof van Starter doorklinkend, luidt Spieghel's Vryerssangh, deels uit trippelende, en wat ernstiger ge-

[p. 94]

mengde verzen bestaande, en met een aardigen zet aldus afloopend:

 
Ghy pruylt 'er, en preutelt’ ghy mymert, ghy reutelt,
 
En zomtyds benje stom of 't antwoordt is te dom;
 
Ghy kuyert alleen, en schuwt'er meest al de liên,
 
En zijt'er gheweest’ soo rustigh een gheest,
 
Als ick'er ooyt heb ghesien.
 
 
 
Dit zyn de ghebreeken’ van minnende leecken,
 
Wanneer m'een blaauwe scheen’ gestoten heeft an't been,
 
Dat geen artzny genesen kan of kruydt;
 
Maer die dese man’ soud redden hier van,
 
Dat moest'er dan wesen zyn bruydt(1).

Die bij uitzondering vloeiende liederzanger was echter wel degelijk een rederijker: zijn werk getuigt ruimschoots van 't belang, dat de man in de godinne Rhetorica stelde; het biedt ons verscheidene Nieuwejaars lieden aan, van 1578 tot 1601 voor de Kamer In liefde bloeiende, in zijne hoedanigheid van vinder geschreven(2).

Trouwens in 't gene van 1580 bezong hij ‘rhetorickelicker’ de

 
Eel Redenryke reyn,
 
Loflyke kunst eerbare,

doch vermengd met basterdwoorden, en wel aardigheidshalven op 't spoor der Brabantsche gildebroeders(3).

Van oneindig meer belang is zijn laatste lied, werkelijk een zwanenzang, beschouwd als uitvloeisel van wijsheid en doorzicht: Spieghel zong als een vates en in volmaakte overeenstemming met zijn

[p. 95]

Jubel-jaar-liedt op simpelyk geloven en weldoen, van 1600:

 
't Schijnt nutter (waart te doen) dat men dien bant verknochte
 
Op beter voet, eer twist dit lichaam t'onder brochte,
 
't Vervormen van de kerk schijnt dies een goede zaak:
 
Maar ik vervorm gheen ding als ik het ding ontmaak(1).

Met zijne verdere rhetorikale beuzelingen, als acrostica, en wat dies meer zij, dienen wij ons hier niet op te houden.

Wij kunnen dus Ypey niet onvoorwaardelijk toegeven, als hij(2), na de voren beroepen plaats op de lente aangehaald te hebben, beweert, dat niemand zoo dichtte vóór Spieghel: immers zijnen verzen ontbrak veelal die harmonie, dit rhythmisch schoon, dat Jan van Hout, reeds dertig jaar te voren aan eene Vondeliaansche kracht van uitdrukking wist te paren(3); liever staan wij, doch niet zonder voorbehoudenis, dien schrijver onzer taalgeschiedenis toe, wat hij van Spieghel als prozaschrijver getuigt: ‘In onrijm was s' mans stijl meer los en natuurlijk (dan in versmaat), doch even keurig en oorspronkelijk. Dezelve was een der schoonste modellen van [ter] navolging, hoedanig een niemand nog

[p. 96]

geleverd had... Aan niemand meer, dan aan Spieghel, heeft de nederlandsche letterkunde die deftige vastheid van een' mannelijken stijl te danken, welke sedert twee eeuwen in de schriften is waargenomen(1).’

Stellig is het dat, evenals het later Nederlandsch lettertriumviraat Hooft, Vondel en Cats, onze wijsgeerige dichter een voornaam prosateur was, wiens wel verdeelde volzinnen in vaste vormen gegoten waren, maar komt een goed deel des lofs door Ypey aan den schrijver Van natuurlicke geneichtheid op zeker ‘ghevoelen der Ghereformeerden(2)’ toegekend, niet ook toe aan dien dapperen en wakkeren man, van welken hij zelf aldaar getuigt: ‘Castalio is in mijn zin een wijs man gheweest, maar ik wil hem in 't bestraffen van 't gheen in mijn ogen onrecht is, niet volghen, noch Erasmus, noch Coornhert.’ Of bewees deze laatste door zijne zinrijke, krachtige vertaling van Boëthius en Cicero's Officie niet mede den deftigen stijl veel dienst?

Wat er van zij, het is een zonderling iets te zien, dat de man die in 1580 met het door ons vroeger aangehaalde(3) rederijkerslied vol bastaardwoorden, optrad, daarentegen in 1584 niets verzuimde om ook te dien opzichte de taal met eene vaste stevigheid te schuimen en te zuiveren(4), ten ware men dit vroegere stuk voor eene spotzieke parodie der in de taal verachterde Brabanders hield.

Het zal dus tijd zijn, hem als spraakkundige

[p. 97]

na te gaan, en de aandacht te vestigen op de Twe-spraack van de Nederduitsche letterkunst, dat is: een dialoog over de Nederduitsche taal.

Dit werk ging uit van ‘Keyzer, Factoor (onzen Spieghel), Prins ende Kameristen In liefde bloeyende, den 1en des Hoymaants, t'jaar 1584(1).’ In den ‘Toeeyghen-brief’ wordt er niet alleen van Goropius Becanus gewaagd(2), maar zelfs dien Vlaming de eer bewezen, dat hij hun ten spoorslag is geweest: schooner hulde, althans beter gemeende terechtwijzing ontving toch die zonderling geleerde wel nooit.

‘Een Bekanus’ zegt men, ‘isser gheweest onder de gheleerde, die na de rechte grond des zelfs [sic, der taal] met ernst ghespoort heeft. Ghave God dat hy langher gheleeft ofte wat meer in het te recht brenghen onses taals, als int bewyzen des zelfs oude heerlykheyd ghearbeyd had(3). Deze heeft ons beweeght.... om zó veel in ons is... het Duytsch op te helpen, vercieren ende verryken, t'welck wy óóck verstaan ons ampt te zyn, alzó alle kamers van Rederyck als ghemene scholen des land-taals behóren gheacht te zyn, waar toe een yghelyck niemand uytghezonderd (de bloem wtstekende) vrye toegangh heeft; dies hen luy het zuyveren, verryken ende vercieren des taals, ende niet het rymen alleen, eyghentlyck betaamt, zó óóck de betekenis des naams

[p. 98]

[van rederijker], tzy men die ons ofte den Griecken eyghengmaackt medebrengt(1).’

Spieghel zal wel het voornaamste deel aan 't opstellen dier Twe-spraack genomen hebben, schoon Coornhert, die er de aanbevelende voorrede van schreef, er vast mede vlijtig aan heeft gewerkt. Stellig is de Dialectica die het tweede en derde deel van het werk uitmaakt van Spieghel alleen: die verzekering berust op Vlaming's getuigenis(2).

De Twe-Spraak raakte niet alleen de Grammatica, maar ook de Prosodie aan; dan wij mogen het nagaan dier laatste achterlaten, dewijl dit punt reeds in onze prijsverhandeling wordt behandeld(3).

Wat de Spraakkunst betreft, Spieghel, die te zamen een voorlooper en achteruitziener was, is, na Maerlant en zijne tijdgenooten, de eerste geweest, die recht acht gaf op den onderscheiden naamval, zooals die op ieder naamwoord met zijn lidwoord paste, naar het mannelijk, vrouwelijk of onzijdig geslacht dit vereischte(4). Inderdaad sprekende van de ‘deling ende buighing der namen ende wóórden’ zegt hij(5): ‘daar in is het lelyckste misbruyck, t'welck óóck zwaarlyckst te helpen is: t'blyckt daar an

[p. 99]

dat hem nóyt iemand (immers dat ons bekend is) heeft onderwonden grondlyke ende alghemeene reghelen daar van int licht te brengen(1)’. En daarin trachtte de ook grammatikaal wijsgeerige man te voorzien.

Een dichter was de prozaschrijvers in 't erkennen dier vlijt van Spieghel voorgegaan en zong:

 
D'onduitsheidt en de taalsmet van het land
 
Week voor het helder licht van zijn verstand(2).

Als taalkenner en taalkundige, als dichter en nagenoeg als prozaschrijver is Spieghel een der verdienstelijkste of, al die begaafdheden te zamen genomen, de verdienstelijkste rederijker der Nederlanden. Zijne ziel was schoon en weerspiegelde zich soms enkel door den vorm wat beneveld, in zijne werken.

Ook boezemen zijn leven en dood veel belang in, hij stierf als slachtoffer zijner vaderliefde. Gewettigd was dus zijn levensbeschrijver Vlaming om te zeggen dat ‘zijn kinderen eenen lieven en getrouwen vader; de dichtkunde, haeren vormer, voedstervoogt en voortzetter; Amsterdam, een paerle uit zijne kroon hadden verloren.’ Inderdaad, hij stond tot Vondel gelijk tot Virgilius, Ennius; ik durf niet zeggen Lucretius, tenzij ten opzichte der episoden, meer dan der wijsgeerige stof, door dezen behandeld. Spieghel heeft meer gedaan dan de taal gezuiverd: hij heeft ze met eene dichterlijke, d.i. met eene scheppende kracht bezield, die

[p. 100]

reeds den dertienjarigen Bilderdijk voor hem innam.(1)Spieghel heeft de taal eerst regt beschaafd, zegt Ypey; met andere woorden, hij heeft haar regt wijsgeerig gemaakt: poëtisch, namelijk in dien zin, dat zij door hem verrijkt is met zulke verheven uitdrukkingen, die ons de zinnelijke voorwerpen naar het leven vertegenwoordigen, en wijsgeerig, in dien zin, dat zij door hem verrijkt is, met eigenaardige uitdrukkingen, die geschikte teekenen zijn van afgetrokkene denkbeelden.’

En wie toch zou aarzelen zijn zegel te hangen aan de uitspraak zijns omwerkers Bilderdijk over de dichterlijke waarde des omgewerkten? ‘Onze schrijver, en waarom niet dichter? Want waarlijk daar is poëzij in dit zijn geschrift, en het is uit volle poëtische ader gevloeid, hoe het dan ook met zijne verzen gesteld moge zijn, die toch voor het minste in hunne stijfheid en stroefheid eene deftigheid ademen, een trap tot het stille verheven(2).’

Natuurlijk bekent Bilderdijk daarbij, dat Spieghel's taal reeds vrij gedwongen was voor den tijd, toen hij schreef, en thans, ook in hare woordschikking, na omtrent derdhalfhonderd eeuwe verouderd, duisterheid heeft voor landgenooten, die alleszins met hunne taal te weinig bekend zijn(3).

Aannemelijk wordt het dus wat men vertelt,

[p. 101]

wegens het hoofdwerk van den katholieken dichter. Hij zou namelijk dit werk in hs. naar de Alma Mater van Loven gezonden hebben, om er de goedkeuring der godgeleerden op in te winnen, maar kreeg dit met de naïeve verklaring terug: ‘dat men het niet verstaen konde(1).’

Wij zeiden: den katholieken dichter; want evenals Roemer Visscher bleef hij in den schoot der Kerk. Wij hebben reeds uit een zijner liederen zijne verdraagzame, vredelievende denkwijs leeren kennen(2).

Spieghel verdiende dus ook aan dien kant naar waarde geschat te worden bij 't schetsen des invloeds op de zedenleer of godsdienstigheid, zulken grooten invloed ook op den godsdienst of cultus uitoefenend.

Men verschoone eenigszins uit dien hoofde de talrijke aanhalingen van schrijvers hier bijgebracht, en die door nog talrijker namen van kunstrechters te vermeerderen zouden zijn(3).

[p. 102]

IV. Gerbrand Adriaensz Bredero.
Geboren te Amsterdam in 1585; gestorven aldaar in 1618.

Er is veel voor en tegen Bredero's dramaturgie te zeggen, ten minste tegen de wijze waarop hij er 't levend grondbeginsel van toepaste en bestond; dat in 't letterlijk weergeven der natuur. Zijn talent wordt niet meer dan de uitspattingen er van ontkent.

Hij vond een ongehoorden bijval bij 't Amsterdamsen publiek; immers de Amsterdamsche volkszeden die hij calqueerde en, ja, het Amsterdamsche dialect dat hij op het tooneel weergaf(1), moesten hem welkom doen zijn aan dit volk, dat hij zoo stoffelijk weerspiegelde. Hij deed als Lopez de Vega, die mede wetens en willens de kunstregelen opofferde aan 't losse vermaak der gemeente. Heeft Bredero misschien gedacht dat waar zijn tooneel in zedelijkheid te kort schoot, zulks vergoed werd door 't gebruik dat er gemaakt werd van de fondsen voortkomende van zijne tooneelen?

[p. 103]

Coster, zijn trouw medewerker, getuigt het volgende over dien bijval. ‘Het is immers de waerheyt, dat van den tweeden Julij af tot April 1616 toe, 'twelck minder is als thien achter een volgende maenden, het oude-mannen Goods-huys door den vlijt ende neersticheyt van ons tween, over de twee duysent guldens, boven alle onkosten, genoten heeft, behalven dat de Camer noch zoo aen kleeren als andere behoefticheden daar by grootelycx is verrijckt. Ende dat in de drie jaren tydts oft daer ontrent die Breroo by de Camer geweest is, het voorzeide Goods-huys meer inkomst gehadt heeft als in alle de voorgaende jaren dat voor 'tselve by de Camer gespeelt is geweest(1)’. Op die lofbazuiningen volgt eene schimpscheut tegen de Rederijkers die tegen Bredero ijverden en, zoo zijn medewerker wil, hem belasterden terwijl zij conventioneele vormen voor die weleens overdreven natuurstrekking stelden: ‘Gij zult’, zegt Coster, tot ‘Borgemeesteren ende Raden’ van Amsterdam ‘liever in dese geluckige ende vruchtbare tydt van poëten, de poësie hanthaven, ende niet van een hoope moolicken, die haer 't onrecht Rederijckers noemen, laten onderdrucken.’

Coster tracht het magistraat door den opgegeven stoffelijken uitslag de kunstwaarde zijns makkers te bewijzen. Om die op zijne beurt te verdedigen, richtte zich Brederode ironisch tot de ‘verstandighste rymers der Nederlantsche poësie’, gelijk wij straks zullen zien.

Daar bestonden redenen tot die zelfverwering,

[p. 104]

want de bezwaren, die op Bredero's blijspelen drukken zijn beduidend, ja, zij zijn zoo gewichtig, dat men geschreven heeft: ‘Misschien bezweek zijn treurspel onder die bezwaren(1).’ Die solidariteit tusschen de blijspelen en tragicomedien des auteurs schijnt ons echter niet aannemelijk. De bijval der eerste zal destijds de andere veel meer hebben doen begunstigen, dan dat deze later zouden geleden hebben bij die blijspelen. Men mag hem veel eerder den Amsterdamschen Aristophanes, dan den Terentius zijns tijds noemen, ook dan als hij dezen laatste in het Moortjen van verre nabootst; hij had de vuile onzedelijkheid des Griekschen schrijvers en bezat de comische kracht, die aan Terentius ontbrak.

Kan de tijd, waarin hij schreef, hem evenals Socrates' vijand, wegens die ontuchtigheden verschoonen, ja, lag bij Brederode de grond van dit misbruik in zijnen tijd zelven, kwam het met den Nederlandschen volksgeest overeen(2)?

Zoo denkt Alberdingk Thijm. ‘Dit was in over-een-stemming’, zegt hij, ‘met den volksgeest, die vóor alles vrijheid wilde, en goed en bloed opofferde onder anderen ook om een einde aan de inquizitie en de censuur’ gemaakt te zien. Dat de volksgeest voor alles vrijheid van 't geweten wilde en dus tegen de inquisitie en de daarmee in verband staende censuur streed, is bekend; maer de vrijheid in alles, tot het losbandige toe, is geen natuurlijk gevolg dier behoefte van onafhankelijkheid. Dat in woelige dagen zij, die

[p. 105]

naar die vrijheid streven, er misbruik van maken, is niet vreemd, maar ook dat is lang vóór de inquisitie en censuur gezien, b.v. in Playerwater, de bekende ‘cluyte’. Ook is dit elders dan in Holland gezien: of schreef later de katholieke Ogier altijd zedelijker dan Brederode? Beviel hij minder aan Antwerpen, dan Bredero aan Amsterdam?

‘De auteur’, voegt Alberdingk Thijm er bij, ‘men moet het ter zijner schuldverlichting zeggen, predikte de leer der nieuwe Fransche roman- en dramaschrijvers; hij schetste het kwaad in al zijn naaktheid, maar verdedigde zich met zijnen regel:

 
Is 't dat ghy yet’ merct, leest of siet
 
Dat quaet is, schuwt dat, doetet niet.’(1)

Wij meenen, dat de Fransche comedie nooit ontuchtiger dan in de middeleeuwen is geweest, hoeveel zij ook nog in 't begin der XVIIe eeuw te dien opzichte te wenschen overliet. Ook herkent Bredero dat hem ‘slechte(n) Amsterdammer, maer een weynich kints-school-frans in 't hooft rammelde’, en dat, zoo hij zijn Moortjen na Terentius op eene Fransche vertaling bewerkte, hij ‘die nauwelijckx en verstont(2).’

Merken wij er bij aan, dat dergelijke navolging, ingeroepen tot schuldverlichting, weinig afdoet; niet meer dan Brederode's zelfverdediging.

Catullus verdedigde zijne obsceniteiten, en Lafontaine zijne losse vertellingen, niet gelukkiger.

[p. 106]

De vader van Horatius, toen hij zijnen zoon van de ondeugd wilde afschrikken, maakte hem geen getuige van verergerende tooneelen, maar wees hem, met den vermanenden vinger, op den afgrond waarin dezelve voorname burgers hadden gesleept.

Ja, Bredero vergreep zich op eene schuldige wijze aan het eindelijke doelwit aller kunst, aan het min of meer zedelijke harer strekking, daar zij, van de geestbeschaving uitgaande, die in alle geval niet mag tegenwerken. Zij moet niet altijd voedzaam graan, maar mag toch nimmer onkruid of giftige planten in plaats van bloemen zaaien.

Bredero met zijn spotziek voltairiaansch proza, en zijn weleens op zijn Plautus' bewerkt tooneel, had ontzaglijk veel geest. Hoe meer talent hij bezat, te strenger is men later jegens zijn kluchtspel geweest. De critiek der eerlijke lieden deed hem na zijnen dood voor 't handgeklap en 't voetgestamp des gepeupels boeten.

Zijne dramaturgie stond anders op goeden grond vast; hij trok tegen eene stijve, slaafsche navolging der klassikasters op, en streek de scolastieke zinnespelen in 't voorbij gaan door, zich op de studie der natuur beroepende, waarin hij ongelukkig lage modellen nam, in plaats van ze keurig en kunstig te volgen, en dus den eigenlijken naam van dichter te verdienen.

Geestig verweert hij zich tegen zijne berispers, ‘'t Is waar, dat ik meer op het aansicht mijns beginsels sach, als op de voeten van myn uytkoomste; dies ist ghevallen dat ick in een groote dool-hof van gebreecken ben geraackt, soo wel inde loop der gemener woorden, als oock inde verdelinghe der wercken en der tyden, sulks dat ick teghen 't gebruyck der Griecken, Latijnen en Franschen

[p. 107]

hier in heb ghevoeght een tyt van meer dan twintigh iaren, daar sy lieden selden meer daghs namen dan een eetmaal, twee of minder(1).’

't Vernuft van Bredero was, zòo 't schijnt, der regelen moede, even gelijk het omtrent eene eeuw later met Frankrijk was gelegen toen Lamotte zich bevlijtigde te bewijzen, dat de eenheid van handeling, hoe fondamentaal zij schijne, uitzonderingen kan lijden; dat de eenheid van plaats een bloot bijkomend voorschrift is, terwijl degene van tijd enkel dwaas en noodlottig is, ja, dat de eenige wezenlijk verbindende eenheid in die des belangs bestaat, welke daarin ligt dat men reeds in den aanvang de aandacht wete te vestigen op 't voornaamste, waar men den geest mee wil ophouden en 't harte ontroeren.

Die afwijking van de uniteiten ging bij Bredero vergezeld van een afkeer tegen de fijngesponnen moraliseerende en theologiseerende Spelen van Zinne. Hij zegt ter reeds beroepene plaats ‘aan de verstandighste rymers’: ‘Is hier niet kunstelijck ghereden-kavelt, noch van onsienelijcke of twijffelachtige dinghen sinnelijck ghevernuftelizeert, dat sult ghy lieden, die neffens u overnatuurlijck verstant, de boecken en gheleertheyt der uytlandsche volcken te voordeel hebt, om myn eenvoudicheyt en alleen Amstelredamsche taal verschonen: Ghy, goedige goden van mannen, die in groote rymen de vrouwen, dienst-meysens, ja, stal-knets doet philosopheren, van overtreffelijcke verholentheden, het sy van de beweginghe der sterren..... oft andere schier onuytdenckelijcke saecken, dat ick doch meer voor een bewijs van uwe wetenschap acht, als voor

[p. 108]

een eygenschap in die slacht van menschen. Ick hebbe door myn slechtheydt een boer boerachtig doen spreken, en meer de gewoonte dan de kunst gevolght.....’

De rederijker De Koningh, uit Brabant naar Amsterdam overgegaan, had daar de tragicomedie, althans het afwisselend ernstige en boertige beproefd: Brederode zette dit tooneelsoort door, hetzij om de eentonigheid te vermijden, hetzij om door scherpe tegenstellingen het tafereel van het treurige te scherper te doen uitkomen: eene mengeling die natuurlijk, en door kunst bestuurd, dramatisch moet zijn(1).

Zoo verstonden het Shakespeare en de Duitsche dramaturgen van later tijd.

Het nieuw grondbeginsel, waarvan Bredero uitging, was juist: had zijn levendige, waarnemende geest zijne modellen weten te kiezen, had hij vernuft aan smaak weten te paren en ten minste de zeden geëerbiedigd, een gevoel uitgaande van de zucht voor 't schoone, hij ware niet gevallen.

Hij verbande echter niet altijd de allegorie in zijne tragicomediën: men ga zijne Griane na, waarin grofzinnelijke personages (Bouwen Langhlijf, met sijn wijf, Sinnelijcke Nel van Goosweghen) het tooneel ontsluiten, om hun intermezzo bij elk bedrijf, hier ‘deel’ genoemd, voort te zetten. Ook in dit stuk speelt de Tydt zijne rhetorikale rol. Zoo wel als in Trente ans ou la vie d'un joueur, dat overbekend Fransch drama, is hier ‘een tijdt inghebracht van twintigh jaren, waer in dat het Palmerijn groot en ridder geslagen wort.’

[p. 109]

Griane is een mengelmoes van onversmolten klucht en ernst, van prinsenwoorden en esbatementstijl.

De op zichzelf staande kluchtdeelen zijn samengesteld uit min of meer lange prozaregelen met een rijm sluitend; het ernstige deel is in alexandrijnen, somtijds afgewisseld door versjes: die gedachte eener verschillende versificatie was niet ongelukkig.

Doch ook bij dit misselijke soort van ongelijke prozamaat ging Bredero van vrijheid tot losbandigheid over; ook hierin werd hij voor velen een slecht model.

Hoe verstond Hooft dit beter, toen hij in 1617 - vijf jaren na 't spelen van Griane - zijn Ware-nar schreef, waarin de verzen, meest uit regelen met vijf, zes of zeven slagen samengesteld, voortstappen, en uit gewogene, niet getelde syllaben bestaan; verzen, wier wemelende losheid oneindig geschikter is dan de alexandrijnsche om het gemeene leven, met zijne eigenaardige uitdrukkingen, weer te geven(1).

Men zal dus gereedelijk erkennen, dat Brederode geen geringen invloed, zoo ten goede als ten kwade, op het tooneel heeft uitgeoefend: schoon rederijker, was hij vijand van rhetorikale vormen.

Men vindt zijn lof en veroordeeling in de woorden van Ware-nar's commentator: ‘onder de heerschappij der Rederijkers, toen koude redeneeringen en onbeduidende rijmlarij voor dichterlijk vuur en talent, zoutelooze zinspelingen voor fijnen smaak, platte en morsige schilderingen voor geestige tafereelen doorgingen; toen zinnebeeldige personen op het tooneel een ijdelen omhaal van

[p. 110]

zoogenaamde geleerdheid uitkraamden, en alle gevoel, smaak en kieschheid uit onze dramatische letterkunde verbannen was, toen voorzeker was het vaderlandsch tooneel tot eene laagte gezonken, waarin elke verandering verbetering zijn moest(1).’

V. Roemer Visscher
Geboren te Amsterdam in 1547; overleden te Alkmaar in 1620.

Deze was en blijft een der geestigste epigrammatisten van ons vaderland. Hij heeft niets van dat stroeve overpuntige dat meermaals de puntdichten van Huygens ontsiert. De oude, meer vrije, meer populaire voetmaat, door den ‘Martialis van Holland’ gebruikt, heeft weleens uit zijne rijmregelen die stijve plooi, die Huygens niet altijd vermeed, gebannen. Staring, toen hij eenige epigrammen op zijn Roemers schreef, had dit ingezien.

Voor menig puntdicht, ja, in 't algemeen voor elk gedicht dat hoofdzakelijk eene volksstrekking heeft, heeft eene vrijere maat dan die welke de sylben meer telt dan weegt, hare bijzondere waarde. Dan dit pleit is elders gevoerd, doorgezet en, meenen wij, voldongen(2).

[p. 111]

Onze Roemer verdient dus heden in sommige deelen tot model te dienen. Veel zijner puntdichten, aan wier verzameling hij allerlei vreemde namen gaf, brengen ons den vorm der vroegere Priamelen te binnen. Een der kortste toont ons hoe veel zins hij in weinige woorden kon samenvatten:

 
Wijsheyt gekocht van kloecke verstanden,
 
Edelheyt gekocht aen wapens en landen,
 
Liefde gekocht van schoone vrouwen,
 
Mach men die wel voor eygen houwen(1)?

Roemer liep zeer hoog met de poëtische gave; en te rechte. Zij was het hoofdsieraad zijner twee bevallige dochteren, dien tijdgenoot en nakomeling letterkransen hebben gevlochten.

Het schetst de eigenaardigheid van Roemer wel af, dat hij den lof, of zoo hij, op zijn Amsterdamsch stelt 't Lof der Rhetorica, van de wat losse rijmen op 't Lof van de Mutse laat volgen. Met deze laatste hebben wij ons hier niet op te houden.

Hij prees de Rhetorica in den hem eigen trant, zonder verheffing, niet zonder puntigheid, in verzen, die van vier tot zes slagen hebben.

 
Nu, haren rechten naem en weet ick niet;
 
D'een seydt datse Rhetorica, d'ander Poësis hiet,
 
Maer hierom willen wy ons soo seer niet quellen,
 
Soudt ghy de liefste die met jonst op u siet
 
Laten varen om de naem van Nel of Tiet?
 
Beantwoordt dit eerst, ghy goede gesellen!

Er is menige critische zet in dit stuk, waarin hij, die catholiek was gebleven, de predikanten, die destijds tegen de tooneeldichters, zoo als Coster ijverden, aan de kaak brandt; of wat wil anders dit couplet?

 
Momus heeft ghenoegh in den hemel te beslechten,
 
Om der schijn-goden pleyten te berechten,
[p. 112]
 
Dat hy niet bedillen mach dese kluchten;
 
Maer heeft Rethorica hier op der aerden
 
Gestelt als sijn stadthoustere van waerden.
 
Hier uyt spruyt dat schijns-volck haer niet mogen luchten.

Hij sluit zijn inderdaad te lang pleidooi met een eigenaardigen trek:

 
Hola, mijn penne! het wordt seer laet.
 
Ghy zijt moede (weet ick), maer onversaet,
 
Om van de konst prijs en eer te seggen.
 
Rust, segh ick, rust uw gespleten lip,
 
Scheyter uyt, als de schipper uyt sijn schip,
 
Die latet midden in 't water leggen.

VI. Gysbert van Hogendorp
Geboren in 1564; overleden in Den Haag na 1635.

Dit lid van de Delftsche Kamer, die het eerst den hoogen toon van het treurspel aansloeg (1616), verdient dat wij zijner herinneren.

In zijn stuk: De tocht van Xerxes, daar hij den justum et tenacem propositi virum afschildert, glimt er een zweem van classicisme door die tirade heen.

De vrijheidszucht was zijn eerste hartstocht; dit getuigde, evenals het voorgaande, zijn treurspel op Willem I, waaraan zulk eene onderscheidene eer te beurt viel. Zijn naam pronkte in die gelegenheid, als treurspeldichter, nevens Hooft, die als kluchtspeldichter optrad. Verweerde deze het vaderland met zijne pen, die hij eens aan de geschiedenis des lands zou offeren, Van Hogendorp had pen en degen aan de zaak, die hem de ziel ontvlamde, toegekend. Hij was bij de lijfwacht van Prins Maurits, en schijnt ook buiten het land gediend te hebben.

Hij mocht het dus als een plicht beschouwen

[p. 113]

Oranje te bezingen, hem uit den marteldood, voor 't oog des volks, weer te doen optreden, te bezielen met zijne eigene Bataafsche dichtertaal. Hoe heeft hij zich van dien plicht gekweten?

Wij zullen die vraag trachten te voldoen met er over mede te deelen wat wij deswege bij een geleerden schrijver aantreffen(1).

Treffend is in dit stuk de juiste voorstelling van Philip II, zooals hij geheel in zijn karakter, overdreven trotsch, optreedt, en zich vol waan vertoont, over het verre reiken van zijnen scepter.

 
Wat volck, wat tael, wat lant, daer menschen doch in leven,
 
Die voor myn scepters roem niet schricken, en niet beven?
 
 
 
Van waer de blonde son des morgens coomt getreden,
 
Of waer hij weer verpoost syn jachten afghereden,
 
Men buycht sich voor den glans van myn bepeerlde croon.
 
Hispaengien heeft ghebout in Oost en West zyn troon, enz.

En wat verder:

 
Ick ben een Godt op aerden!
 
Wanneer ick my verset ten troone, sich vervaerden
 
Des werelts volk'ren meest, en 's aertrycx princen al,
 
Een yder waent verschrickt dat het hem ghelden sal.

De dichter legt de Inquisitie de volgende taal in den mond:

 
Waarom het recht ghenoemt?... Ha, 't recht hier niet en gelt.
 
't Gemeen roemt van het recht, de princen van ghewelt.
 
Wat heeft den vorst voor recht of onrecht doch te vresen?
 
Men hangt, men brant, men moort, als 't ons maer nut kan wesen.

Zijner waardig is de rede, waarmede Willem I, in het derde bedrijf, ten tooneele tredend, Philip's

[p. 114]

trots beschaamt door 't Opperwezen te verheffen, waarmede de dwingelanden zich zoo vermetel gelijk stellen. In zijn opvolgend onderhoud met Louisa de Coligny, bij haar wel te pas gebrachte verhaal der verschijning haars vaders, in een droom, en Willems troostredenen heerscht dramatisch gevoel en kracht, waarop de rei, klassieker wijze, aanheft in den geest van een der schoonste reien van Hooft(1), en zingt:

 
Wel hem, die met een vry ghemoet niet sparen
 
Wil 't edel bloed voor 't vaderlands welvaren!
 
Wel hem, die onversaecht neemt in de handt
 
Het snydent swaert, tot scherm van 't vaderland!
 
 
 
Die niet en lyd dat werden snoot vertreden
 
Voor-vaders wetten goet, en vrye zeden;
 
Maer, in 't gevaer van duysent laghen boos,
 
Handhaeft het recht van 't vaderland altoos.

Treffend is dezelfde rei, de klacht aanheffende over 's Prinsen dood, en die van Louisa de Coligny is inderdaad roerend.

‘Aan den tijd’, zegt Collot d'Escury, dien wij hier op 't spoor volgen, ‘waarin het stuk vervaardigd werd, moet men de onvolkomenheden welke men nevens dit voortreffelijke ontwaart, in redelijkheid toegeven; geloovende ik voor mij, dat wie in dien geest dit treurspel leest, het uitmuntend zal moeten achten, en waardig dat met de vertooning van het zelve Coster's eerste schouwburg geopend werd (1617).’

Wij kunnen dien lof niet beter bevestigen dan met een fragment, dat van zijne dichterlijkheid

[p. 115]

getuigt, weer te geven. Het is eene uitbreiding der spreuk Omne solum viro forti patria en komt voor in 't reeds gemelde treurspel De tocht van Xerxes, waar de dichter den Atheenschen Aristides aldus sprekend invoert:

 
De gantsche weerelt is der vromen vaderlandt.
 
O Phania, gelooft, dat in geen plaets of steden
 
Ons vaderlandt bestaet. De ziel verselt met reden,
 
(Wiens oorspronck godlick is), daelt uyt des hemels troon,
 
En vest haer woonst int lijf, door eygen schick der Góón,
 
Daers' in gekerckert blijft, als vremdelijck op aerden,
 
En heeft altijt het oog haer 'shemels dack vol waerden,
 
Als vol genegen lust om daer weer heen te gaen.
 
Dit is het gene dat ons so 'tgemoet port aen
 
Tot oeffening des deuchts, tot eeren, staet en machten,
 
En schelt het trage lijf van onvermogen krachten,
 
Verslenst in lusten vuyl, als in't vervolgen flou
 
Naer 'tgeen des hemels vonck hem garen stieren wou;
 
Dat's naer een vry gemoet, bezwalkt met gener vresen,
 
Die 'swerelts lust versmaet, en naer 'tonsterflijk wesen
 
('tWelck wis die [den] mensch bekoomt) vergadert door de deucht.
 
Dus, Phania, altijt leeft int gemoet verheucht.
 
Den vromen, waer hij is, en treet 'tgeval met voeten;
 
Haer blixems dwarssen sach (slach) noch donders grof ontmoeten
 
Verschricken sijn gemoet, maer poocht steets-wijs gezint
 
Met onvertsaechder hert, naer 'tgeen hy nodichst vint(1).

Uit De moordt begaan aen Willem I (een historisch mythologisch spel) vindt men een koor op de Godsvrucht in J.-A. Alberdingk Thijm's Gedichten uit de verschillende tijdperken(2), dat door de insluiping der mythologische denkbeelden al zijne kracht verliest. Beter kunnen wij den hem toegezwaaiden lof bevestigen.

Wij mogen deze tirade naast die der dichterlijke kunstbegrippen van dien tijd stellen.

Deze rederijker, neen, deze dichter behaalde

[p. 116]

te Vlaardingen eveneens den prijs niet, die in acht tinnen stoopflesschen bestond(1).