terug  begin  verderprepost
[p. 155]

Dromencahier 3

Op de kaft van het derde cahier, een schoolschrift met een halfharde, zwart-kartonnen kaft, bevindt zich een etiket met het opschrift ‘Waarnemingen in den slaap’. Het cahier bevat 188 pagina's die allen zijn beschreven. De aantekeningen lopen van september 1903 tot 2 maart 1909.

[p. 157]

september 1903

Ik merkte in mijn droom van 26-27 Sept nog op dat ik tegen droomgestalten op een ongepast hartstochtelijke wijze [driftig, spottend, sensueel] te keer ging. De hartstocht laat zich zeer slecht beheerschen in den slaap. Het vurige, dankbare en verrukte bidden is mogelijk zonder den schroom die het overdag belemmert, - maar ook lage driften zijn niet te beteugelen, al is men er zich volkomen van bewust. Ik maak mij soms woedend driftig, of geef toe aan uitingen waarvoor ik mij overdag schamen zou.

[Ik heb mij nu voorgenomen, in de eerstvolgende heldere droom v.H. te vragen of hij nu rust heeft.]

2 november 1903

Er is één heldere droom geweest, waarin ik met mijn vriend Frans Waller liep, en tegen hem zei: ‘nu wandelen wij met elkaar, maar jij slaapt op dit oogenblik in Delft en ik in de hut bij Amsterdam.’

Ik had daarbij maar een vage herinnering van wat mijn eigenlijk thuis was.

28 november 1903

De eerste heldere droom sints langen tijd. Na wakker gelegen te hebben door rheumatische pijn in mijn schouder kwam de tweede slaap en ik zag een stads-gezicht, een plein. Ik herkende terstond de sensatie en riep dankbaar uit: daar is het eindelijk weer. Langen tijd dankte ik en bad. Ik zag een straat of binnenplein, somber en kaal. Ik zei ongeveer: nu ja, dit is nu maar somber en leelijk, maar het is er toch weer, en ik bad dat ik vooral goed onthouden mocht, God niet vergeten. Ik hield mijn oogen wijd oopen en dacht: als ik dit blijf doen, wat zal er dan gebeuren. Toen bemerkte ik dat ik weer het gevoel kreeg van in een verkeerde kamer terecht te komen, een eenigszins spookachtige angstige gewaarwording.

Later droomde ik gewoon, dat ik iemand die naast me zat, vroeg of hij bemerkt had dat ik bewegingen en geluiden maakte in mijn

[p. 158]

slaap. ‘O ja’ zei hij, het was zeer merkbaar geweest.

Maar toen ik werkelijk ontwaakte begreep ik dat er niets van merkbaar was geweest.

30 november 1903

Ik droomde dat ik met mijn moeder buiten stond, in een dreigend onweer, en ieder oogenblik den bliksem meende te zullen zien inslaan. Het was groot en angstig, maar het onheil kwam niet.

17 december 1903

Ik droomde van een prachtige landschap een dennebosch. Ik kwam er langs een smalle dijkje door 't water. Het was een eiland of schiereiland en liep vèr door. Ik sprak Russel Wallace en vroeg of hij nog orchideeën kweekte, maar hij had ze weggedaan. Het landschap was in Engeland [Dorset] maar er was geen helderheid.

26 december 1903

Ik was als den geheelen nacht in het andere land, maar toch niet de volle helderheid. Ik sprak met verschillende wezens - demonen - over den toestand en legde hun uit wat het kenmerkend onderscheid was tusschen het waakleven en het leven in den slaap. Dat de werkelijkheid, het omringende, er niet vast is maar gemaakt wordt door de ziel. Dat men gauw door hartstocht wordt meegesleept. Ik zei tegen een: en leef je nog? waar ligt je lichaam? Ik zag ook mooie landschappen en dacht aan Huet of Pierson die ze zoo gemaakt hebben.

28 december 1903

De vorige dag een lange wandeling daarna gelezen over Virgilius en Cicero en hun geloof aan 't leven na den dood. De droomen eerst niet zeer mooi of aangenaam. Maar tegen 7 uur weer ingeslapen en een heldere droom. Het was lente en ik had van zonderlinge en mooie bloemen gedroomd. Nu zag alles groen en ik dacht, hoe spoedig de lente weer gekomen was. Dat scheen mij de gelegenheid te geven tot beter vergelijking door 't sneller gaan van den tijd. Toen voelde ik de echte helderheid en ik herinnerde mij dat ik Dante wilde oproepen, en van Hoogstraten. Ik riep eerst ‘Dante!’ zeer luid en krachtig. Tot antwoord zag ik een bolwerk van een kleine Hollandsche stad met saaie, nette, keurige villa's. Ik begreep dat deze omgeving mij hopeloos van hem afscheidde. Ik wilde naar de zon kij-

[p. 159]

ken, er was zonlicht, ik dacht dat ik nu de zon wel zou kunnen aanzien. Maar, als altijd, de zon onttrok zich, hoe hoog ik keek.

Toen riep ik van Hoogstraten, en ik zag Betsy, in haar liefste gedaante, achter een groot spiegelruit. Maar ik riep zeer luid: ‘ik bedoel Sam, Sam van Hoogstraten.’ Ik voelde dat mijn verwachting juist was en dat hij meer vrede had. Ik meende hem te zien, achter dat venster, bij Betsy, maar toen hij naar voren kwam was het zijn zoon Willy.

29 december 1903

Gedroomd van Gerlof van Vloten. In verkeer met hem geweest, zonder bepaalde helderheid. Hij zeide mij o.a. dat hij nu ‘kritiek uitoefende te huis zijnde’ of iets dergelijks, de juiste woorden weet ik niet. Ik begreep in den slaap zijn bedoeling goed. Waar hij nu was, was hij thuis en van daar uit kritiseerde hij de dingen. Ik droomde ook van een college van prof Wijsman, waar de studenten in eens allen op de maat begonnen te zingen: ‘door dík en dún, door dík en dún’, al tikkende op hun lessenaars. Toen werd ik wakker en bemerkte dat het het tikken van mijn wekker was ‘door dík en dún’

30 december 1903

Gedroomd van een Noorsch huisje, mooi gelegen, waar bekenden woonden. In de kamer ontmoette ik Karel Thijm. Ik zag hem zonder hoofd. Een hooge boord, maar daarboven niets. Ik besprak dat met een ander en hield het voor een hallucinatie. Ik had ze vroeger nooit gehad. Wat later zag ik hem duidelijk, met zijn hoofd. Maar toen hij mij zag werd hij kwaad. Ik stak mijn hand uit, maar hij weigerde die aan te nemen.

1 januari 1904

Ik droomde te zweven door een laan. Ik nam sprongen, maar zweefde eindelijk geheel vrij door. Ik had een bepaalde houding, alsof ik een geweer droeg en te paard zat. Mijn voeten waren donkerroode mos-rozen. Ik kwam bij voorname mooi-gekleedde menschen, de koningin was er pas langs geweest of zou komen. Ik presenteerde mijn geweer. Toen zag ik het landschap helder en werd bewust. Maar ik wist niet gauw genoeg wat ik zou doen. Toen riep ik ‘Sammy! Sammy!’ Ik zag wel iemand die op hem leek. Ik keek omhoog en wilde mij omdraaien. Bij dat omdraaien werd ik wakker.

De droom scheen mij gunstig, als nieuw jaars droom.

[p. 160]

6 januari 1904

Ik sliep zeer verkwikkend. Heel kort zag ik even een ontzachlijk vergezicht, met helderheid. Het was zoo diep en duidelijk, dat ik er van duizelde. Ik handelde niet.

11 januari 1904

Een nacht vol aangename droomen, waaronder één oogenblik van prachtige helderheid. Ik zag een neerglooiend terrein voor me, met boomen en bloemen. Ik zweefde er over. Ik lette op de bloemen en zag fijne blauwe ster-bloemenx. Het was er heerlijk en ik was bewust en bad om kracht en moed en vertrouwen. Ik vergat echter om aan Paul te denken zooals ik me voornam. Daarop kwamen zooals altijd, de demonen-droomen en het bedrog. Ik droomde weer dat iemand mij zeide dat ik in mijn heldere droom duidelijk gepraat had. En ik zag de zon schijnen en dacht: als ik in de zonneschijn slaap dan droom ik zoo mooi.

Ik droomde van iemand die gehypnotiseerd werd en niet wakker kon gemaakt worden, omdat het niet in Gods naam gebeurde. Ik zag de demonische invloeden, als spreuken verschijnen en ik overwon ze. Een kikker of pad, groot, groen en giftig. Een groote visschenbek. Het eigenaardige is dat mijn slaap verkwikkend was en de droomen allen gunstig waren, hoe vol spokerij ook.

17 januari 1904

Ik sliep niet zeer verkwikkend omdat mijn neus verstopt was. Eerst droomde ik van een gebouw, [schouwburg?] waarin ik zat en zag marmer. Een kolom met blauwe figuurtjes [druiven] zeer scherp en duidelijk. Hooger op prachtig marmeren zuilen. [Later in het Hotel du Lac te Lucerne herkende ik dezen droom]

Toen lette ik er op dat ik mijn hand bewoog en ik voelde dat het mijn droomhand was en dat mijn lijf-hand stil lag. Ja, een oogenblik voelde ik mijn rechterhand, die in de linker lag, als die van een vreemde.

Toen zag ik plotseling, alsof er een scherm opging, een landschap. Een dorps-gezicht, wegen met dicht-belooverde boomen, alles in heerlijke zomer zonneschijn.

[Telkens als de helderheid komt, word ik even bedrogen door een gedachte: dit lijkt er wel op maar t'is het rechte niet]

Ik zag het zeer helder, en herinnerde mij dat ik Paul zou roepen.

[p. 161]

Eerst bad ik, en beloofde ‘geduldig en gehoorzaam’ te zijn. Toen riep ik Paul. Maar mijn stem was zwak. Het duurde lang en er kwam niemand. In de verte zag ik een figuurtje, maar dat kwam niet nader. Ik verwonderde me want ik verwachtte zeker dat hij komen zou. Eindelijk kwam er een blond jongetje met lang haar, die zeer weinig op Paul leek. Maar ik sprak hem toch als Paul toe, en bad om Gods zegen voor hem. ‘Je gelooft toch’ zei ik ‘dat Hij je zegenen kan?’

Mijn stem was zoo zwak als van een stervende en ik sprak met de grootste moeite.

Daarna droomde ik weer gewoon, van een bootreis. Ik was niet zeker of ik naar Indië of naar Engeland ging. Ik zat in mijn flanellen pak.

25 januari 1904 Harrow

Sliep nog niet best door neus. Een kort oogenblik van helderheid, waarin ik zeide: daar is het weer. Ik kan niet goed herinneren wat ik zag, maar voelde mijn lijf zeer duidelijk. Daarop demonen met lubrieke voorstelling. Half symbolisch.

7 februari 1904

Een goede nacht met kortstondige helderheid. Ik zag het licht en begon te bidden. Maar ik wist niet recht wat ik zeggen zou. Ik legde mijn beide handen op mijn voorhoofd, en vroeg vooral om opgewektheid en geschiktheid om te werken. Ik suggereerde mezelf.

Ik herinner me dat op 't oogenblik van ontwaken ik géén bizondere opgewektheid voelde, en van morgen ben ik gewoon, wel goed, maar niet bizonder in conditie.

Het treft me bij overlezen van vorige droomen hoe weinig ik er van herinner, het lijkt dan heel lang geleden.

5 maart 1904

Op reis door Friesland had ik één heldere droom. Ik sliep in een arbeidershuisje in een bedstee, en door de vreemdheid, viesheid en het gezelschap van man en vrouw sliep ik slecht. Maar tegen de morgen sliep ik even in en droomde helder. Ik zag een binnenplaats, maar bad en vroeg om licht tot dat het kwam.

Ik droom dezer dagen nog al van berglandschappen, in anticipatie van mijn reis met moeder.

10 maart 1904 Lucerne

Gedroomd dat men met het ms. van dekl.

[p. 162]

Joh. aan 't keilen was. Mijn vader wierp het zeer hoog op, tot het weer neerviel en de bloemen er af stoven. Ik zeide dat ik het niet meer hebben wilde. Het was demonisch-symbolisch. Ook zag ik Betsy weer en Martha.

20 maart 1904 lugano

Een heldere droom. Ik had de laatste dagen niet zoo goed geslapen en in 't begin van den nacht ook niet. Nu zag ik de bergen voor me, en ik voelde de klaarheid. Maar ik lette goed op, dat het een gansch ander soort zien was als overdag. Vager, vlottender. Ik bad, dankbaar en deemoedig. Vragend om kracht. Om den zons-opgang. Toen zag ik weer het licht van de zon, rechts van mij, maar uit onzichtbare bron. Ik zag de zon zelf niet. Daarna weer een benauwde kamer. Ik bad weer, vooral om hulp tegen zinnelijke gedachten. Ik weet ook dat ik blij zeide te zijn dit te mogen zien ‘met mijn geestelijk oog.’ Weer zag ik het zonlicht, nu verborgen achter een grijze regenboog. Daarna kwamen de demonen. Ik streed er tegen, en herinner me dat ik van hen sprak als ‘ellendelingen’ en dat verbeterde in ‘arme schepsels’. Een trachtte mij door sensueele voorstelling te verleiden, en toen ik weerstond was het alsof hij uiteenspatte.

2 mei 1904

Gister voor 't eerst weer een heldere droom, na ruim vijf weken. Bij 't overlezen van de vorige schijnen zij zeer ver weg, lang geleden. Ik was gezond maar had veel drukte. Ik had 's avonds 20 km. gevietst en was behagelijk moe. Ik was zeer verheugd toen ik in den slaap een heldere blauwe lucht zag, maar had moeite mij snel te bezinnen en mijn voornemens te herinneren. Ik bad zooals gewoonlijk en zeide volgens mijn voornemen: ‘is hetgeen ik thans onderneem goed? Ik ben begonnen, ik heb besloten en wil niet terug, maar ben ik op den goeden weg? Geef mij een teeken.’

Ik zag niets, als de blauwe lucht en het landschap. Toen riep ik om mijn geleider, zooals ik van plan was. Maar er kwam niemand, maar ik herinner me heel duidelijk een klein grijs wolkje, dat van rechts den hemel begon te betrekken. Het was als het fronsen van een voorhoofd, een zacht waarschuwen.

Daarop kwam ik weer in een kamer bij de demonen. Een was enkel een hoofd, dat op een tafel stond. Maar zoo frisch en beminnelijk jong gezicht, dat ik twijfelde of het een demon was.

[p. 163]

Verkwikt wakker.

Hedennacht droomde ik [niet helder] dat Hoekstra weer op Walden was. Mijn moeder zou naast ons komen wonen en had hem in dienst genomen. Ik was verontwaardigd over zijn schaamteloosheid. Ik had mijn flanellen pak aan.

24 mei 1904

In den nacht van 21-22 sliep ik te Vianen, met Martha op één kamer. Eerst droomde ik spookachtig. Ik zag een demon in de gedaante van mijn vader en beval hem weg te gaan. Toen riep ik Martha die sliep op een bed aan de overzij van de kamer. Ik zag haar, maar het was een dik, blauwig onkenbaar gezicht, met kaal hoofd. Ik riep als in nood. [Zij heeft inderdaad iets klagelijks van mij gehoord.]

Wat later was ik helder. Ik zag weer ruimte en blauw. Weer bad ik en vroeg of ik op den goeden weg was. Ditmaal kwam er een antwoord, een stem die ‘ja’ zeide.

Den volgenden nacht sliep ik nog beter, maar had spot-droomen over mijn sociaal werk.

25 juni 1904

Voor 't eerst weer een helderen droom. Ik was moe, na veel geestes-inspanning en had door mijn neus-catarrh niet zeer goed geslapen. Toen kwam tegen den morgen de helderheid, met een gevoel als: nu kan het komen als ik maar wil.

Het was binnenshuis. Ik zag wel blauw en bad om buiten te komen, en de vrije lucht te zien. Maar ik bleef binnen. Het was echter niet somber, nette, vroolijke weelderige kamers. [Dat is altijd symbolisch]

Ik wist weer niet wat ik doen zou. Maar ik bad. Ik had een herinnering van het leelijke boek van de Haan en sprak in groote vervoering tegen de demonen, wier kwaad ik bestrijden wilde. En ik bad, welsprekend: ‘laat mij sterk zijn om te strijden tegen het onreine en slechte in mijzelve’

Ik was den volgenden dag zeer geestelijk verkwikt en versterkt.

2 juli 1904

Ik had de laatste nachten niet zeer goed geslapen. Dezen nacht, al vrij laat, misschien 7 a 7½ uur kwam even een prachtige heldere droom. Ditmaal was ik buiten en zag de heldere blauwe lucht. Het was als een akker, het land lag in voren geploegd, een paar boompjes en een heerlijk blauw. Ik was letterlijk sprakeloos van ver-

[p. 164]

rukking en wist niet wat te zeggen van opgetogen dankbaarheid. Het was als een onverwachte genade. Ik zeide dan ook iets, als een dankgebed, maar ik dacht: wat ik voel is genoeg, ik hoef het niet te zeggen. Toen had ik tijd om mij te bezinnen. Ik dacht aan Bauer, en al eer ik hem riep, zag ik hem. Hij geleek wel, maar vooral duidelijk was zijn stem. Ik vroeg hoe het ging en hij zeide: ‘zoo! zoo!’ Ik was blij en zei ‘nu zie je dan toch, dat we elkaar weerzien.’ Hij zei ‘ja, maar mijn gevoel is nog zoo onduidelijk.’ Ik trachtte hem te doen voelen dat ik het werkelijk zelf was.

Op 't laatst zag ik hem niet meer maar ik sprak nog met hem, zooals men doet bij 't afscheid van een vriend, van wien men gescheiden wordt. Ik hoorde zijn stem nog, toen ik hem in 't geheel niet meer zag.

Terwijl ik hem zag, zag ik de figuur van een brieven-besteller om ons heen loopen.

Ik was zeer opgewekt van morgen.

Donderdag 7 juli 1904

Ik heb nog een droom gehad, niet geheel en al helder, maar waarin ik wees op mijn droomlichaam en zei dat ik weer een eigen lichaam kon maken. Ik had bloote voeten.

Donderdag 21 juli 1904

Nog een droom waarin ik veel demonen om mij zag en toesprak. Mijn vader, in allerlei gestalten. Ik trad weer krachtig op. Ik was niet zeer helder, maar meer op mijn gemak, alsof ik den tijd had. Ik trachtte zelfs verzen te maken. Ik zag wel blauw, maar het was toch niet de vrije lucht. Meer een gewelf van blauwen steen.

27 juli 1904

Voor een paar dagen een droom met korte helderheid. Ik riep Willem Bauer, maar zag hem niet. Wel andere figuren.

19 augustus 1904

Van nacht voor 't eerst, in verkwikkende slaap weer vlieg-bewegingen en even beginnende helderheid.

27 augustus 1904

Gister droomde ik, ondanks zeer gunstige omstandigheden en goeden slaap, akelige dingen. Dat ik een moord had gepleegd en dat door een verzuim nu het geheele gezin vermoord zou worden. Overdag kwam een zeer onaangename scene in Amster-

[p. 165]

dam, geheel onvoorzien. Ook dezen nacht droomde ik onder den indruk daarvan.

6 september 1904

Voor 't eerst een droom of liever een reeks droomen met helderheid. Den vorigen dag had ik mij voorgenomen - als er helderheid kwam - te bidden om meer zulke droomen. Ik zag nu de blauwe lucht, maar als uit een binnenplaats. Ik heb niet anders gedaan als bidden, en gevraagd om meer heldere droomen. Ik zag de blauwe lucht geheel donker worden en ook weer opklaren. Ik herinnerde mij alles. Ook hoe vreemd het was over droomen te spreken in den droom. En hoe ik wist dat alles door wilskracht geschapen werd. Maar ik voelde mij niet sterk. Ik zag nog eenmaal den blauwen hemel, en dankte. Daarna droomde ik akelige dingen, van bloed en lijken, van excrementen, van een lascive vrouw.

Ik heb ook namen gehoord en veel moeite gedaan die op te schrijven in mijn notitie boekje. Freitag, Dr Schermer, ik zag ook den naam van Feuchtersleben. Maar mijn boekje was vol cijfers.

9 september 1904

Van nacht zeer merkwaardige waarnemingen. Ik had een drukke dag gehad en was tamelijk moe. Ik sliep spoedig in, werd tegen den morgen wakker, voelde eerst wat nerveus, en sliep toen weer heerlijk en diep in tegen 7 uur. Eerst kwam een droom waarin ik door een huis liep, dat geleek op een huis in Zaandam dat ik gisteren zag. Maar ik was helder. Het huis was vol vijanden geweest en die verdreef ik allen zoodat het geheel leeg was, en ik vroeg: ‘waar zijn de vijanden nu!’ Maar toen dacht ik aan mijn toestand en aan gebed, en ik zei: ‘laat ik eerst denken aan den grooten [of eenigen] Vriend’ meenende God. Maar de wijze waarop ik dit zei was wat overdreven, en dat beviel mij niet. [Men kan in dezen toestand nooit precies zijn zooals men wil zijn, het gemoedsleven en daarmee samengaande uitingen, zijn niet onder controle, of ten minste moeielijk. Het oordeel blijft er echter boven.]

Daarna weer slaap, en toen een toestand van langdurige helderheid zooals ik nog nooit gehad heb. Stemming niet bizonder verheven, maar waarneming ongeloofelijk klaar en beredeneerd. Ik stond aan een tafel voor 't raam. Op de tafel allerlei voorwerpen. Daarmee nam ik proeven om mijn toestand te onderzoeken. Dat ik droomde wist ik volkomen zeker. Ik probeerde nu glas te breken, door er op te slaan

[p. 166]

met een steen. Maar ik kon het niet. Ik legde een glazen plaatje tusschen twee steenen en sloeg er op met een anderen steen, maar het wou niet stuk. Ik sloeg met de volle vuist op een fijn drinkglas - er bij denkend hoe gevaarlijk dit zou zijn in gewonen toestand - maar het bleef heel.

Doch zie! toen ik er weer naar keek was het glas gebroken.

Het brak dus achterna, een beetje te laat. Dit gaf verrassend sterk den indruk van in een nagemaakte wereld te zijn. Zeer kunstig en nauwkeurig na gemaakt, maar soms met kleine fouten. Ik wierp het gebroken glas uit 't raam, het gaf een natuurlijk gerinkel beneden, en een paar honden die daar liepen keken zeer natuurlijk op. Ik overdacht hoe goed de comedie was nagemaakt.

Ik zag ook een kristallen kan staan met rood vocht. Ik proefde het en het proefde naar wijn, volkomen duidelijk. Ik wist dus ook dat smaak-gewaarwordingen mogelijk waren.

27 - 28 september 1904

Een heldere droom, beginnend met het gevoel op een hoogen muur te staan, een metselaar was er bezig, ikzelf wankelde en dacht: daar ga ik. Toen liet ik me gaan en zweefde neer, boven een rivier. Ik zag over den vloed, waarop de zon tintelde. Het was zeer mooi. Geen blauwe lucht. 't Eerste wat ik zei was ‘Dank!’ Ik was recht gelukkig en dankbaar. Toen bedacht ik me mijn tijd te gebruiken en ik bad om herhaling van deze van deze heldere droomen en om bedwang van mijn zwakheden.

Daarna kwam weer een langdurig omringd zijn met min of meer vijandelijke wezens [demonen] waartegen ik soms heftig optrad.

29 september 1904

Ik droomde wel van een berghelling, zeer steil en hoog, van waar ik neerzag. Het was bij Lugano en ik herkende, heel in de diepte, de spoorweg dam over 't meer bij Melide.

Maar ik was bang en durfde mij niet laten gaan. Er volgde ook geen helderheid. Later een oud logement bij Haarlem [of Noordwijk binnen] waar ik zoo goed den weg zeide te weten dat ik met gesloten oogen door het gebouw ging. En ik herinnerde het me nauwkeurig. De opkamer waar we gegeten hadden enz. Ik weet nu nog niet welk huis bedoeld is.

9 oktober 1904

Na eenige slechte nachten een goede. Droevige

[p. 167]

droomen, van moord en sterven en wanhoop. Een oogenblik van helderheid, met dit merkwaardige begin dat ik een armgebaar maakte, en daarop inzicht kreeg en toen dacht: ‘o nu kan ik altijd helder worden als ik wil, door dat gebaar te maken.’ Ik kon niet danken, want ik was te bedroefd. Ik schreide hevig, zooals ik nog nooit in den slaap gedaan had. Ik had nooit zooveel verdriet tijdens een heldere droom. [Ik was ontevreden op mezelven geweest, de laatste dagen]

12 oktober 1904

Een heldere droom veel mooier en gelukkiger dan de laatsten tijd. Ik zag een landschap, met blauwe lucht en boomen. Ik was gelukkig en dankte. Maar er blijft altijd iets angstigs, en dat schuilt in het idee dat dit den doods toestand is. Een zekere vrees voor het sterven is in die heldere droomen.

Ik zag Truida diep onder me. Ik riep haar en er kwam een ander boven.

Ik zag een menigte schimmen. Allen gestorvenen. Ik vroeg wanneer ze gestorven waren. In 1897 hoorde ik. Ik vroeg ‘zijn er ook krankzinnigen onder?’ omdat ik mij bizonder interesseer voor den staat van krankzinnigen na den dood. Ik kreeg geen duidelijke aanwijzing, maar 't antwoord was bevestigend.

6 november 1904

Gister, vroeg in den nacht, een korte, mooie heldere droom. De slaap was niet bizonder aangenaam, en ik werd terstond na den droom wakker, in diepe nacht. Het was een stadsgezicht, met zonneschijn en blauwe lucht. Mooi en blij. Ik zag de Westertoren van Amsterdam, zeer duidelijk, hij leek er werkelijk op. En toen kwam vóór de toren een ander, die vrij nauwkeurig op die van Dordrecht geleek, òf Rotterdam. De torens waren door de zon beschenen en zeer duidelijk.

17 november 1904

Gister droomde ik dat ik praatte tegen Marie Offermans, onze vroegere huishoudster. Ik zeide nadrukkelijk dat ik nu tegen haar sprak in den droom, en ik bedoelde daarmee dat het zou worden geconstateerd als een bewijs van echtheid. Ik verwachtte dat zij het waarnemen zou. [Zij was min of meer clairvoyant, en ik heb in jaren niet van haar gehoord]

[p. 168]

17 november 1904

Dezen nacht herinner ik mij ook in helderheid krachtig gebeden te hebben. Maar wat ik gezien heb weet ik niet meer en de herinnering aan het geheel is zwak.

25 november 1904

Na eenige nachten onverschillige slaap meer ontspanning en in dezen nacht, na een paar uren waken, verkwikkende slaap met een reeks heldere droomen. Ik kan haast zeggen dat ik mijn bewustzijn gestadig behouden heb, en niettemin heerlijk sliep. Maar de droomen beantwoordden symbolisch aan een min of meer droefgeestige, doffe stemming waarin ik verkeerde. Ik was binnenskamers, in donkere kamers, en zocht het licht. Ik wilde naar buiten, naar blauwe lucht en zonlicht, en telkens als ik de deur opendeed, zag ik wéér een donkere kamer. Er was één zolderraampje waardoor zonlicht drong, maar ik had als een voorgevoel dat ik 't niet te zien zou krijgen en zoo was het ook. Ik zei deze maal nadrukkelijk: ‘ik wil! ik wil helder blijven droomen! ik wil niet wakker worden!’ En dat gelukte vrij wel. Ik bad ook. Ik bekeek mijn handen en merkte op dat ze werkelijk geheel op mijn handen geleken. [Nu overdag komt mij voor dat ze weeker en molliger waren] Ik zag van mijn overige lichaam niets, maar 't kwam in mij op of ik ook mijn gezicht zou kunnen zien. Ik zag een handje dat zich om mijn rechterpols sloot.

29 november 1904

In den nacht van 27 - 28 een zeer helder droom-moment. Ik stond buiten en voelde mij vrij, ik zag mijn gansche lijf. Het was echter nevelig en bewolkt. Ik trachtte opwaarts te zweven en overwoog dat het beter zou zijn dat in 't algemeen te willen, dan het zoo geleidelijk uit te voeren, door bewegingen. Doch ik kwam niet hoog.

6 december 1904

Dezen nacht na een korten tijd van wakker liggen midden in den nacht, aan 't eind van veel droomen een helder moment. Ik was buiten en zag blauwe lucht en witte wolken. Ik begon onmiddelijk te bidden, want daar ik in den laatsten tijd mijn geest zeer ingespannen had en met groote moeielijkheden worstelde, had ik behoefte aan gebed en versterking. Ik bad in zuivere welgekozen woorden, mij verbazend over de zuivere juiste taal die ik sprak. Ik herinner mij de woorden niet allen meer nauwkeurig Maar de strekking was dat ik wáár mocht zijn en mijn waarachtige echte natuur

[p. 169]

mocht geven. En ook dat ik gesterkt mocht worden in het moeielijke werk, waar aan ik arbeid.

Boven me zag ik witte figuren in het blauw, als witte beelden.

28 - 29 december 1904

Een nacht met tamelijk dikwijls wakker worden en drukke droomen, door wat geestelijk overwerk. Akelige droomen [koeien slachten] en ook droomen met veel buiten zijn, bloemen en boomen, en veel licht. Daarna een zeer zonderling moment, waarin ik mij volkomen zeker verbeeldde wakker te zijn, en een zolderraampje opendeed [zooals dat in de logeerkamer van mijn moeders huis] en dacht: ‘als ik nu niet zeker wist wakker te zijn dan zou ik kunnen meenen dat ik helder droomde. Maar ik ben wakker want ik gevoel duidelijk mijn geheele lijf’ Toen zag ik op en zag weer de heldere blauwe hemel.

Bij mijn ontwaken zeer verbaasd hierover.

20 januari 1905

Langen tijd slecht geslapen, door zorgen. Toen een nacht rustig en daarin begin van helderheid. Ik voelde mij als meegesleept door een heftige stormwind. Ik vroeg om God.

25 - 26 januari 1905

Een nacht in Haarlem met weinig slaap. Aan 't einde een prachtig helder vizioen. Een wijd, licht landschap met blauwen hemel, een vallei vol licht en groen. Ik was zeer dankbaar en gelukkig en bad. Ik vroeg om kalmte in mijn werk en dat ik nog meer zulke heerlijke vizioenen mocht hebben.

[Ik was den volgenden dag zeer opgewekt en voorspoedig]

26 - 27 januari 1904

Weer een nacht met weinig slaap, na een drukken dag. Ik sliep in Amsterdam in een hotel. Een zeer korten slaap tegen zeven uur. Ik was wakker geworden en hoopte nog even in te slapen voor 't opstaan. Dat gebeurde en ik was terstond bij de demonen. Een met een wit gezicht met afschuwelijke roode strepen en vlekken. Ik verjoeg ze links en rechts, maar had moeite met het omkijken. Midden in dit werk zei ik: ‘ik ben toch blij dat ik nu even slaap’ Ik sliep dus vast en was volkomen bij mijn bewustzijn gebleven.

3 - 4 februari 1905

Voor eenige dagen nam ik mij voor, op te letten hoe het in een heldere droom was met de ademhaling, denkende

[p. 170]

aan Dante, die zichzelf van de schimmen doet onderkennen door de schaduw en de ademhaling. Dezen nacht sliep ik lang en goed, hoewel ik niet geheel wel was. Mijn droomen werden helder en ik voelde dat ik niet gemakkelijk wakker zou worden. Ik merkte toen op dat ik mij wel degelijk bewust was adem te halen, en dat ik dat niet kon nalaten zonder benauwing. Toen trachtte ik ook mijn pols te voelen, maar ik voelde maar één klop, toen niets meer. Dus het hart kloppen wordt in den slaap niet waargenomen, het ademhalen wel. Daarna beproefde ik zeer snel te loopen oplettend of de ademhaling versnelde. Doch de ademhaling bleef even snel, en ik lette op dat ik ten deele door mijn mond ademde. Ik sliep evenwel diep. Ik bad ook en werd veel later verkwikt wakker.

5 - 6 februari 1905

Ik sliep lang en verkwikkend. Ik droomde helder, terwijl ik diep sliep. Ik zag naast mij een persoon, met roodachtig haar en baard, en een bril, bleek, kromme neus. Ik sprak hem aan en zei ongeveer dit: ‘mijnheer, ik slaap op dit oogenblik, ergens bij Bussum, bij die hut. Ik ken u niet, hoewel het nu lijkt alsof we elkaar heel lang kennen. In 't werkelijke leven ken ik u niet. Schrijf mij nu een brief, aan mij, Dr Frederik van Eeden, dat ik in den droom tegen u gesproken heb. Dat is dan voor mij een evidentie.’

Op 't landschap lette ik niet veel. Een poos later droomde ik onhelder, en zag dezelfde persoon, en zei: ‘kijk! daar is hij al!’ Ik meende toen wakker te zijn.

2 maart 1905

Hedennacht laat naar bed, 1 uur. Tegen uur begon ik helder te droomen, even. Ik keek om naar de blauwe lucht eer ik een huis of tempel inging. Ik was in een vreemde mooie stad [Parijs?] Ik vatte mijn hoofd met twee handen en suggereerde mij een sterk frisch hoofd. Maar ik zei er bij, biddend: ‘ik verlang niet meer dan mij toekomt, en dat weet Gij beter dan ik’ - Ik bedacht dat ik plechtig sprak met Gij, en dat dat natuurlijk was, en ik herhaalde: ‘dat weet Gij beter dan ik.’

3 maart 1905

Een zeer goede nacht, met langdurige helderheid. Mijn moeder was er bij. Ik zweefde en werd belemmerd door telegraafdraden. Toen zag ik het wijde landschap. Uit een zolderraam zag ik een ontzachlijk panorama diep onder me, met zon en blauwen

[p. 171]

hemel. Ik liet mij zweven uit het raam en zeide tot mijn moeder hoe heerlijk het was. Het was een heerlijke toestand van verrukking.

Daarop een parkje, bolwerk met kale boomen, met eenige menschen. Ik riep toen eenige personen o.a. Aapje! aapje! maar er kwam niemand.

Toen een straat waarin demonen. Merkwaardig is dat ik aan een gestalte bemerkte of het een vijandige was, door een griezelig gevoel dat mij bekroop als ik er naar keek, zonder dat er iets bizonders aan te zien was. Ik verdreef ze door heftig optreden, uit de straat.

Aan 't eind van de straat waren echter vrouwen en toen kwamen lubrieke tooneelen waardoor ik in mijn optreden werd verzwakt. Ik zei: ‘dat is nu schande voor jou.’ Maar toen had ik spijt van mijn boosheid en verteederde geheel. [Dit is merkwaardig en duidelijk. Ik werd in mijn strijd als gepaaid en bedrogen, doordat zij gebruik maakten van mijn zwakheid.]

5 maart 1905

Van Zondag op Maandag weer een heldere droom. Langdurig. Maar ik had den zelfden dag geen tijd tot opschrijven, daardoor weet ik niet alles nauwkeurig. Ik weet dat Betsy v.H. er bij was en dat ik tot haar zeide: ik zie wel dat je niet precies je eigen gezicht hebt, maar ik weet toch wel dat jij het bent.

Ik zag ook een fraai landschap met blauwen hemel en nu was er naar mijn gevoel iets zeer bizonders. Ik was gelukkig, maar het scheen mij ook alsof mij meer direct een teeken gegeven werd. Dit teeken zag ik op den blauwen hemel als strepen, evenwijdige halo-strepen, kruis wijze langs de zon.

B. vergezelde mij in den ganschen droom. Ik was den volgenden dag weer zeer rustig, sterk en opgewekt.

8 maart 1905

Weer veel gezweefd in den droom, maar geen helderheid.

9 maart 1905

Heden morgen tusschen 7.30 en 8 uur, nadat ik reeds wakker was geweest en Hans gehoord had en de huisgenooten, een lange, zeer heldere droom. Ik observeerde uiterst nauwkeurig en scherp. Ik deed een deur open en zag het heerlijkst denkbare landschap in ruime wijdheid voor me. Ik lette alles op, zoo op mijn gemak als nooit te voren. Tusschen een groene bosschaadje zag ik een glanzig

[p. 172]

zwart paard staan. Ah! zei ik ‘een paardje.’ Terstond daarop zag ik er meer, die er te voren niet waren, ‘Nu wil ik een vogel zien’, zei ik, ‘een mooie vogel, een pauw’ En terstond zag ik een groote blauwe vogel, die veel op een pauw leek, te voorschijn komen. Geheel juist was hij niet. Ik lette op mijn handen, mijn knieën, 't was alles als wakende. Ik had een donkere broek aan. Toen zag ik ook, tot mijn groote verrassing, mijn eigen neus, precies zooals men die overdag ziet, als dubbel beeld, links en rechts, voor elk oog. Ik zei ‘a ha, mijn neus ook!’ Daarop riep ik weer ‘Aapje!’ maar er kwam niemand. Toen wenschte ik vooreerst: herhaling van deze heerlijke droomen, daarna een koel, sterk hoofd voor de groote zaken die ik thans bestuur.

Ik voel me, sints ik zooveel helder droom ook bizonder kalm en sterk en opgewekt.

Ik wil beproeven of ik iets aan mijn neus katarrh kan doen, door auto-suggestie in den droom.

25 maart 1905 Capri

Geen heldere droom, maar zeer vreemde onaangename droomen. Den eersten nacht aan land, na de zeereis. Ik droomde van een krankzinnige vrouw. Men zei dat ze naaktliep en ik ging kijken. Maar toen ik meende dat ze zich lascief zou toonen liet ze met echte krankzinnige gewichtigheid haar buik zien die had ze opengemaakt en van haar ingewanden had ze een altaartje geknutseld met kandelaars en heiligenbeeldjes, heel kunstig en peuterig. De krankzinnige symboliek er van - het door zelfkwelling opofferen en aan de godsdienst wijden van de sexueele functies - was duidelijk. Ik verwonderde over de vreeselijke pijnen die ze zich moest hebben aangedaan. Ik wendde voor het te bewonderen, maar zei: ‘het moet er toch uit’ daarbij voelde ik mijn medische impuls en kennis.

30 maart 1905 Capri

Heden nacht de eerste helderheid. Ik zag loof en boomen en was op een weg, door maanlicht beschenen. Ik had overdag bij 't zien der heerlijke vergezichten van Capri veel over mijn droomen gedacht, overwegend of het even mooi en duidelijk was. En nu zag ik dat wat ik zag lang niet zoo mooi en scherp was. Ik zei bij mijzelf: het lijkt er niet op, zooveel minder duidelijk. Ik zag mijn handen, en de schaduw er op van voorwerpen achter me in 't maanlicht. En om te laten zien dat het heel wat anders was dan een gewone

[p. 173]

hand, boorde ik mijn vinger door de droomhand heen. In het landschap zag ik ook alles veranderen na mijn fantasie. De droom was niet verkwikkend. Ik probeerde de maan te zien, dat kostte eenige moeite, hij was rechts achter me.

Later vertelde ik in een gewone droom de heldere droom, en droomde dat ik de maan werkelijk zag en zei: daar staat hij werkelijk.

18 juni 1905

Tot mijn verdriet zijn er geen heldere droomen geweest sints 30 Maart. Gister nam ik mij vóór, zoodra ik weder helder droomde, naar de reden te vragen, waarom ze zoo lang wegbleven. Heden nacht was het warm en ik was wakker van half vier tot half zes. Toen sliep ik in en begon de helderheid. Ik zeide: als ik deze deur hier opendoe zal er iets heel moois te zien zijn. Ik deed de deur open maar ik zag een leelijke, kale kamer met gescheurd behangsel, stoffig en zonder meubels [herinnering aan Assumburg] Toen begreep ik mijn helderheid en bedacht mijn voornemen. Ik liep naar buiten en riep: ‘hoe komt het toch, dat het zoo lang geduurd heeft. God, zeg het mij.’ Maar ik kon het niet diep-ernstig zeggen, het klonk frivool en een beetje dwaas. Toen stond ik voor menschen, en dicht voor een man, met bleek geel gezicht en vroeg hem dringend: hoe komt het toch, geef me een raad, een verklaring. Ik zag hoe hij zijn best deed te spreken, maar er kwam alleen onverstaanbaar gemompel.

8 juli 1905

Nog geen heldere droomen en ik kan niet nagaan waardoor. Alleen dezen nacht een duidelijke droom over Spanje. Barcelona en een ander stadje San Juan de Luz[?] Het was zeer duidelijk, alsof 't een waardroom was.

12 juli 1905

Eergister 10 Juli was ik opgewekt en lag tot laat wakker. Tegen 4 uur sliep ik in en bevond mij op een straatje, helder. Ik suggereerde mijzelven kracht en opgewektheid, want dat had te wenschen overgelaten. Ik wilde buiten zijn, in de vrije lucht, want dat was ik niet. Maar ik zag een vrouw, die schudde ‘neen!’ Ik zag haar vlakbij, en vroeg verbaasd: ‘wie ben je? ik ken je niet.’ Toen antwoordde ze brutaalweg: ‘God!’ Daarna kuste ze me. Het was dus demonen bedrog, maar ik was toch opgewekter den volgenden dag.

11 augustus 1905

Nog geen helderheid. Maar voor een paar da-

[p. 174]

gen een hevige strijd met demonen, waardoor ik 's morgens wat opgeknapt was. Nu van nacht weer, maar nu was 't er maar één. Ik zag hem plotseling, [in verband met mijn tante Mas, op wier plaats hij zat] en hij zag bizonder gemeen, een mefisto-gezicht.

Het plotseling elkaar ontdekken is in waarheid geducht en vervaarlijk. We zien elkaar aan als twee woedende tijgers, en dan stuif ik op hem af en jaag hem van de eene hoek naar den andere. Maar meestal heeft hij een wijkplaats, waarheen ik mijn hoofd niet wenden kan. En dan doe ik moeite mijn hoofd naar hem te wenden. Want ik moet hem recht aanzien om hem weg te drijven.

Van nacht zag ik dien éénen tweemaal in twee verschillende droomen. De tweede maal was hij brutaler dan de eerste en wachtte mij af, in plaats van te wijken.

Ik droomde van mijn schoonmoeder en van mijn tante, de twee oudjes die bijna dood zijn.

Voor een paar dagen droomde ik van Björnstern Björnson.

Zondag 13 augustus 1905

Ik was gister avond opgewekt en sliep niet gemakkelijk in. Doch tegen den morgen was er beginnende helderheid. Ik droomde gestorven te zijn en te wachten op het omhooggaan. Toen kwam een engel en nam mij mijn kleederen af, het was op een grasveld. Ik strekte mijn twee armen omhoog, en voelde dat ik opzweven kon. Boven mij zag ik boomtakken met tallooze knopjes of vruchtjes. Het was mij of ik van het booze en aardsche bevrijd werd. En ik had een innig gevoel van dankbaarheid jegens den engel.

Dinsdag 22 augustus 1905

Gister morgen voor 't eerst een oogenblik echt helder in den droom. Ik zag een groene belooverde boom, en een blauwe licht bewolkte zomerlucht. Ik voelde ook mijn stem op de eigenaardige manier. Maar ik had geen tijd of besef om te wenschen of te zeggen. Het deed mij toch goed, want het was gunstig.

Woensdag 23 augustus 1905 Wijk aan Zee

Hedennacht, na een onweer, slaap waarin langdurige helderheid, telkens weer. Het was mij alsof ik in het bekende land terug kwam waar ik een half jaar bijna niet was geweest. Maar het was nog niet mooi, en vol bezwaren. Een wand van rot.hout, waar ik mij doorheen moest werken, alles wil-

[p. 175]

lend, door machtwoorden. Ik was nu zoover dat ik mij begon te suggereeren tegen mijn booze gedachten. Maar dat ging in 't eerst niet zeer goed. Maar later ging het beter en toen sprak ik veel tot God en voelde mij ontroerd onder 't spreken, tot tranen. Ik herhaalde de suggestie, nu krachtiger. Ik zag ook mijn zwager Frank, en zei hem dat ik droomde. Hij liet mij telefoneeren, ver weg. Ik weet niet meer wat. Ik zag veel wezens en gestalten en trad daartegen heftig op. Maar één zei mij dat zij werkelijk niet allen boosaardig waren en het zoo niet verdienden. Toen zei ik dat het mij speet, en hij antwoordde dat zij geduldig weer terugkwamen. Opvallend was het vage en wisselende in de gezichten, ze veranderen aldoor. En toch vertegenwoordigen ze bepaalde personen.

Vrijdag 1 september 1905

Ik sliep goed en hoewel mijn droomen niet geheel helder waren droomde ik toch dat ik met Paul op een tram stond in Amerika en tegen hem zeide: ‘Let wel! Paul, nu droom ik, en toch ben ik in Amerika. En jij droomt ook, bedenk dat goed. En je slaapt op dit oogenblik in Bussum. Onthoud nu dat ik dit tegen je gezegd heb in den droom.’

Waar ik zelf sliep herinnerde ik mij niet. Ik had den vorigen dag Paul een brief gestuurd met een briefkaart uit Amerika er in.

Amerika zag ik zeer reëel. Alsof ik het zelf ook eens zien zal, binnen niet langen tijd.

Zondag 10 september 1905

Ik voelde niet geheel lekker, door wat spijsverterings-bezwaar, maar sliep goed. Toen droomde ik van een groot hotel, waar een voorname Engelsche familie was. In hun bijzijn begon ik mij op eens door de lucht te bewegen, zooals ik dat in droomen kan. En ik gaf er acht op hoe hun conversatie plotseling verstomde van verbazing. Ik zwem dan door de lucht in alle richtingen, tot aan de zoldering. Toen zweefde ik 't vertrek uit, en bevond mij in een zeer ver doorloopende serie van vertrekken of groote portalen. En daar voelde ik eenigszins het besef komen, alsof ik helder werd. Maar met een wonderlijk bijgevoel, dat ik nooit gehad had, alsof mij gezegd werd dat die helderheden eigenlijk maar ziekelijk waren. Ik had nauwelijks tijd iets te zeggen, toen was 't alweer weg.

Maar ik droomde veel weelde-droomen, van de Wurfbain's, een villa the Chelsea, de handteekening van Nelson. En van Egypte. Een

[p. 176]

nieuw ontdekt graf, de kleur van het land zeer duidelijk, het bruine en groene.

Donderdag 14 september 1905

Ik sliep in 't was kamertje. Het eerste gedeelte van den nacht goed en droomde van iemand die ter dood gebracht moest worden, ik zou het doen en de beul vroeg mij of ik zelf wel onschuldig was. Ik antwoordde: wie kan dat zeggen? Toen zei hij: ik kan het zeggen. En ik: Doe jij het dan. Ik kan het niet zeggen.

Daarop droomde ik van ijzeren balken die aan 't rollen waren boven mijn hoofd, en men riep ‘vluchten!’ [herinnering aan de fabriek te Hörde] Ik kon niet weg en begreep dat het mijn dood zou zijn en bracht dat in verband met hetgeen ik den vorigen dag gehoord had over een vizioen van mij, dood, gezien door Johannes Greeve aan boord van een schip in de Atlantische oceaan.

Na een korten tijd waken sliep ik weer in en had een helderen droom, met de allergrootste verrukking. Ik zag een prachtige hemel, en sprak nu met veel zelfbeheersching en waardigheid dank aan God. Ik zag zonderlinge figuren aan den hemel en zeide o.a. ‘het heelal is onbegrensd en mij nog niet ruim genoeg.’

Ik vroeg eerst, in volkomen onderwerping, wat ik nog in dit leven te wachten had. En toen zag ik een weelderig gemeubelde kamer, beteekenende ‘rijkdom’.

Maar ik vergat wat ik mij voorgenomen had te doen n.l. mijzelven genezend te suggereeren. Heilsuggesties tegen mijn neus en tegen onreine gedachten.

Ik liep in een laantje, ook helder, en meende het precies te herkennen uit 't gewone leven. Ik riep Truida en hoorde haar antwoorden maar zag niet duidelijk haar geheele gestalte.

Maandag 18 september 1905

Gister een ganschen dag vergaderd. Ik sliep terstond in, met zeer snelle verwarring van gedachten. Ik werd om vijf wakker, niet zeer aangenaam voelend. Toen droomde ik veel en drukke, min of meer onaangename droomen. Ik was bij van 't Hoff op college, hij was al zeer oud, en maakte zich driftig. Er kwamen veel menschen, uit het volk, binnen en riepen allen ‘van Eeden! van Eeden!’ dat maakte van 't Hoff kregel en jaloersch.

Toen droomde ik een klein beetje helder, maar het was niet mooi

[p. 177]

of gunstig. Het was of mij lappen benauwden. Ik zag een fijne groenachtige avondlucht, en was toen even helder. Ik voelde toen zeer duidelijk dat ik op mijn buik lag, en daarna dat ik op mijn rug lag. En ik overdacht zelfs, of dat onplezierige gevoel voortkwam uit het op den rug liggen. Het gevoel was volstrekt duidelijk. En toen, langsamerhand wakker wordend merkte ik dat ik al den tijd rustig en aangenaam op mijn linkerzij gelegen had. Mijn lichaam voelde aangenaam, maar mijn geest bleef somber en onplezierig.

Dinsdag 3 oktober 1905

Een diepe lange slaap, maar mijn geest was niet opgewekt. Een droom, niet helder, maar toch op weg - ik liet mij van een hoogte vallen - en symbolisch. Ik zag muren, banken van een zaal of kamer. En ik zeide tegen aanwezigen dat dit alles demonisch maaksel was en dat men er zich dóór kon bewegen. Toen deed ik dit en liep dwars door wanden, muren en getimmerten heen of het damp was. Ik hield mijn armen boven 't hoofd, als een die door 't water waadt. En ik voelde nu en dan hevige moeheid in mijn armen, die dan weer verdween. Die moeheid was 't gevolg van de geweldige wils-inspanning noodig om door deze werkelijkheid als schijn heen te loopen. Ik dacht daarbij aan mijn depressie van den laatsten tijd, als een noodwendig en tijdelijk gevolg van mijn harden strijd tegen vijandige invloeden.

Vrijdag 13 oktober 1905

Geen helderheid maar een merkwaardige droom van een gesprek met een afgestorvene waarbij ik nauwkeurig uitvroeg hoe zijn leven en gewaarwordingen waren.

Het was zoo merkwaardig en troostrijk dat ik spijtig voelde bij 't ontwaken, dat het maar een droom was.

[27 nov. eigenaardig is het snelle vergeten van zulk een droom. Ik herinner mij er heden bijna niets meer van] [17 april 1906 totaal den droom vergeten]

Maandag 27 november 1905

Den vorigen nacht in den droom gezweefd of gezwommen, een paar meter boven den grond of het water. Inspannend. Ik overdacht hoe dit zweven aan bepaalde wetten gebonden was. Men kan zich volstrekt niet geheel naar willekeur bewegen.

Hedennacht droomde ik eindelijk een kort oogenblik helder. Ik

[p. 178]

was verkouden en daarom vroeg gaan slapen, en enkele malen wakker. Toen een heerlijk moment, met helder zilverig licht, prachtig landschap met blauwe lucht en zonneschijn. Ik voelde de warmte van de zon heerlijk door mijn leden. Ik bad en smeekte dat ik versterkt mocht worden en vooral rein. Ik wil het, zei ik er bij. Toen was 't voorbij, het duurde kort.

30 november 1905

Hedennacht de schoonste heldere droom die ik ooit gehad heb. Het was zoo duidelijk, zoo grootsch, zoo rijk, en zoo overweldigend dat ik geheel verbluft was en nagenoeg sprakeloos. 't Eenige wat ik uitriep was: ‘O! hoe zal ik dit alles beschrijven!’ Want het vertoonde zich in een volheid en verscheidenheid, die me geen tijd liet tot nauwkeurig opmerken. Het was landschap en wereldstad tegelijk. Een ontzachlijke vallei waarop ik van boven af nederzweefde, komende van een hoogen berg. En die vallei was vol boomen, groen, bloemen, gebouwen, beelden en menschen. Vlak voor mij was een reusachtige azalea boom geheel met roode bloemen overdekt, verderop een zeer lange arcade die van boven af neerliep tot den bodem van het dal, hij was met klimop begroeid. Dan een witte tempel met zeer lange, dunne witte pijlers, enorm hoog en ook met klimop begroeid. In 't midden van 't dal stond een reuzegroot bronzen beeld, alleen een kop, ik zag de zon er op glanzen. En verder overal gebouwen en duizende, duizende menschen. En dat alles te samen gaf een indruk van geluk en schoonheid, die onbeschrijfelijk was. Ik riep maar: ‘hoe heerlijk! hoe heerlijk!’ Tweemalen zag ik het, en de tweede maal zag ik de met klimop begroeide arcade van een anderen kant, van terzijde. Ik deed mijn uiterste best alles goed op te merken, om het te onthouden en te beschrijven. Maar ik voelde dat het boven mijn krachten zou gaan. En de schoonheids-aandoening was de tweede maal zoo hevig, dat ik uitriep: ‘het is te heerlijk! ik kan het niet dragen!’ En toen voelde ik dat het mij ontging en dat ik wakker moest worden. Ik ontwaakte ook, nog sterk ontroerd en aangedaan, en poogde mij alles te binnen te brengen.

Denzelfden nacht had ik nog andere, meer gewone droomen, over den Duitschen keizer, geloof ik, zonder beteekenis.

De droom liet mij aanvankelijk onrustig en droevig, in 't begin van den morgen. Ik begreep dat niet, omdat ze mij gewoonlijk gelukkig maken. Totdat ik op eenmaal verband bracht tusschen een brief die

[p. 179]

ik dien morgen kreeg, en den droom. Daarna was ik den ganschen dag geruster en opgewekt.

15 december 1905 Berlijn

Ik sliep weinig, zooals al deze dagen hier. Maar was rustig en opgewekt, vol plannen. Even insluimerend om 8 uur, droomde ik dat ik struikelde over een trottoir en voorover viel, maar heel licht en zonder me te bezeeren. Tegelijk een spottende demonen-stem ‘de centen!’ Bedoelende dat ik daardoor viel.

Dit sloeg op mijn bezigheid en gedachten hier. Ik begreep het sarkasme, maar tevens dat het spot en bangmakerij was, zonder beteekenis.

5 januari 1906

Ik droomde van Max Reger. Alsof ik met hem in aanraking zou komen.

11 januari 1906

Ik droomde iets mooier, alsof er weer heldere in aantocht zijn. Een mooi bosch. Ik was ook op een ijzerfabriek, en zag werken met gesmolten ijzer. Het leek wel op Hörde maar het was veel primitiever en ik wist dat. Het had ook iets symbolisch, maar niet zeer duidelijk.

2 op 3 februari 1906

In vrij goede slaap, na een paar slechte nachten [neus katarrh] een blauwe lucht met steenen bogen. Ik zei: dit is de blauwe lucht uit mijn heldere droomen, zonder te beseffen dat het een droom was.

19 februari 1906 Harrow

Steeds slechte droomen. Deze nacht een zeer typische, van een examen dat ik nog altijd moet doen, het laatste. Ik heb dat meermalen gedroomd, maar nooit zoo intensief als deze maal. Het was zoo sterk dat ik overdag, ook nu nog, een dag er na, eventjes denken moet: ‘is er werkelijk niets van aan? Is er niet een examen dat ik heb overgeslagen of achterwege gelaten?’ Maar ik kan niet nagaan wat er de aanleiding van kan zijn.

1 maart 1906

Eindelijk, na een week thuis te zijn, en een aantal goede nachten, kwam van nacht de helderheid. Het was binnenshuis, maar 't eerste wat ik zag was een groote, prachtige kathedraal. Veelkleurige zoldering, Byzantijnsch, en groote marmeren kolom-

[p. 180]

men. Ik bad, dankend voor wat ik goeds ondervonden had, vragend om kracht. Toen kwam een intermezzo waarin een priester in dien kathedraal begon te spreken, en het was onwaar, onecht. Toen een korte liefdescene tusschen een mij vreemde vrouw met een fijn gezicht, en mezelf. Daarop weer de kerk met het veelkleurig gewelf. Nu wilde ik de vrije lucht, en ik ging naar buiten en zocht de blauwe hemel. Maar onder mij was afgrond, grondeloos diep. Ik bleef naar boven zien en overwon mijn vrees. Boven werd de hemel langsaam bleek-helder, maar niet blauw. Ik sprak mijn liefde uit tot den Vader, en dacht aan het nieuwe begrip in me, van Hem, als de ziel en geest van alles. Eer de helderheid kwam, was ik in staat te zweven, en hoorde ik de verbaasde uitroepen der menschen die mij zagen.

Zaterdag 3 maart 1906

Diepe slaap. Driemalen hoorde ik schellen, in den nacht. Maar ik wist dat het niet waar was. Toen zag ik een paar demonen, vlak bij me, een kleine en een grootere. En ik was beklemd en kon hen niets doen. Een machteloosheid, zooals ik die in den laatsten tijd zelden meer ondervind. Maar even gelukte het mij den kleinsten demon op den kop te slaan, dat hij inkromp. Maar ze betrokken samen een hondenhokje, vlak bij me, en ik voelde met ergernis mijn zwakte.

Toen kwam goddank! helderheid en een blauwe hemel. Ik bad zeer aandachtig en kalm, vragend wat mij zoo zwak had gemaakt, en biddend om kracht. Ik weet dat ik ‘gij’ zeide in het gebed, en dacht waarom ik niet ‘je’ kon zeggen. Ik had het gevoel van snel voorwaarts bewegen, en de lucht was blauw en lichtbewolkt, als na den regen, zonnig. Ik vroeg of ik op den goeden weg was, en voelde rust en bevestigend antwoord.

Toen zag ik voor me een rots landschap, blauwgrijs, met witten waterval. En ik zweefde er heen vroeg hoe 't mogelijk was dat ik op den goeden weg was, hoewel rotsen den doorgang schenen af te sluiten. Maar het was toch goed.

Wakker geworden was ik zeer opgemonterd. Ik kreeg ook een goeden brief van mijn moeder. En meen in het rotslandschap een vóór vizioen te hebben gehad van onze reis.

Donderdag 8 maart 1906

Vorige nacht was slecht geweest, ik was laat ingeslapen en telkens ontwaakt uit een droom waarin ik hevig

[p. 181]

schreidde. Doch ik was gisteren vrij goed en opgewekt.

Deze nacht sliep ik zeer goed. Ik bemerkte dat ik helder was en zag buitenlucht en blauwe hemel. Ik bad, God dankzeggend voor de vorderingen die ik den laatsten tijd gemaakt had. Ik gebruikte den naam ‘God’ maar vond daarin nog iets onbevredigend, en zeide ‘de geest die in alles leeft en die mij kent en waarvoor ik strijd.’ Ik dacht tevens dat, nu ik zoo rustig mijn zelfbesef had, ik niet gejaagd behoefde te overdenken wat ik doen zou. Maar het ging toch sneller voorbij dan ik hoopte. Ik zag glazen deuren, en wilde naar buiten, maar dan waren er weer glazen deuren, en telkens weer, zoodat ik buiten wel zag, maar er niet kwam. Maar de glazen deuren waren fraai en netjes, hetgeen een beter voorteeken is.

Toen kwamen, zooals gewoonlijk, de demonen weer. En even als de vorige maal, voelde ik tamelijk machteloos. Ik zag ze vlakbij, en had toch niet het vermogen ze weg te drijven.

[Heden, overdag, een onaangename scène met een onbeschofte klerk van de Eendracht. Een oogenblik maakte het me nerveus, maar niet lang.]

23 maart 1906 Locarno

Gisteren een weinig zweven in den droom. Dezen nacht neerzweven in een groote zaal met mozaïekvloer, met flauw begin van helderheid.

3 april 1906 Bellagio

Sints eenige dagen lijd ik aan kiespijn, daardoor lag ik dezen nacht wakker. Ik voelde even onuitsprekelijk somber. Toen ik insliep was ik plotseling in de demonenwereld. Ik was mij volkomen bewust, ook van de kiespijn, die ik niet meer voelde, maar er toch nog was, ik was blij dat ik sliep. Dat ik in de demonensfeer was voelde ik, onmiskenbaar. En ik zag voor mij, eigenaardig spookachtig helder een uitstalling van een menigte voorwerpen, huishoudelijke enz. Ik herkende het demonen werk en zei bij mezelf wat blijft het onveranderlijk! Ik kon mijn oogen sluiten en als ik ze weer open deed, zag ik alles weer precies op zijn plaats, als te voren. Ik kreeg een eng gevoel van onderste-boven te vallen, zooals men duikende in 't water heeft, angstig. Maar ik zei: geen nood! ik ben in Gods hand. Toen kwamen de demonen en toen ik hen wou verjagen was mijn stem geheel geluidloos, en voelde ik machteloos. Ik was niet bevreesd, maar verwonderd hoe ik zoo zwak

[p. 182]

kwam. Ze kwamen dicht bij me, deden me geen kwaad, maar ik kon hen niets doen. Ik was zoo bedroefd daarover, en ik vroeg aan een: hoe komt het dat ik machteloos ben. Hij zei iets van ‘door de warmte’ en ik dacht of ik soms de verwarmings toestel in de hotelkamer waar ik sliep had opengelaten. Maar ik begreep spoedig dat het ironie of domheid was. Toen sprak ik de demonen - het waren er drie of vier, vlak bij me, en sommigen van hun maakten een gebaar van eerbied, het afnemen van den hoed - aldus aan: ‘Nu ben ik zwak, en kan jelui niet verdrijven, maar ik bezweer je, de goede God is op mijn zijde, en ik zal volhouden en mijn geduld niet verliezen.’

Toen ik Gods naam uitsprak hield ik even in, om te zien of het indruk maakte.

Toen sliep ik verder den nacht rustig en goed, en voelde geen pijn.

4 april 1906 Bellagio

Nadat gister de zieke kies getrokken was sliep ik deze nacht veel vaster en dieper. Ik was een oogenblik volkomen bij besef, maar het was een donker kaal vertrek, met steenen vloer. Geen licht of uitzicht. Ik meen dat ik God aanriep. Maar het duurde zeer kort.

17 april 1906 Walden

Ik droomde dat ik mijn oom Henri - die voor eenige jaren stierf - zag opstijgen aan een luchtballon, zonder schuitje. Ook mijn moeder - maar hiervan ben ik niet zeker. Hij was in 't wit, en sprak onder 't stijgen. Toen ik daarna keek, werd ik helder, met klaar besef, en ik dacht daarbij dat er maar eenvoudig een gedachte voor noodig was om besef te krijgen. [Het onvoldoende van deze overweging zie ik nu pas in] Ik zag toen een blauw doorbrekende lucht en bad. Ik voelde zeer duidelijk de beweging van mijn mond. Ik dankte God, want ik begreep dit alles als gunstige teekenen. Ik zei dit zeer correct en duidelijk. Ik bedoelde ook die opstijgende gestalten, dus de voorafgaande droom. Ik zag die nog gelijk met de helderheid. Een vermenging van gewone en heldere droom zooals ik nog nooit gehad heb.

8 mei 1906 Walden

Van 6 - 7 mei een heldere droom. Ik had eerst redelijk goed geslapen, maar nog niet gansch verkwikkend. Toen wakker, en daarna de helderheid. Ik zag een gedeeltelijk blauwe

[p. 183]

lucht, en daarop een donkergrijze, dikke wolk. Ik keek er ingespannen naar om te zien of hij optrok, en ik meende hem te zien verkleinen. Ik zag een teeken van beter toekomst en dankte vurig. Mijn spreken voelde ik zoo duidelijk, dat ik weer zeker dacht dat het gehoord zou worden. Ik bad ook om rust en veerkracht.

Daarna kwamen - als altijd - de demonen. Vlak bij mij. Menschelijke gezichten. En ik merkte tot mijn groote vreugde dat ik ze weer aan kon. Ik joeg ze links en rechts weg, en beval hen kleiner te worden enz. Er waren ook oude leelijke vrouwen, met lascive gebaren.

Het einde van de helderheid was echter een dichte grauwe nevel. Dit verontrustte mij niet, en ik was den volgenden dag goed en opgewekt.

8 mei 1906

Ik droomde van Betsy v.H. Ik liep met haar en zag haar volkomen duidelijk. En terwijl wij samen praatten merkte ik op dat zij in den droom-toestand was terwijl ik volkomen bij besef was. Zij toonde niet te weten dat ze droomde, en ze had allerlei oordeels fouten en herinneringsfouten en denkfouten, zooals men die in den droom heeft. Maar ik wist precies dat ik droomde en waar ik was. En ik zeide haar dit, met veel nadruk: ‘Ik ben heelemaal bij kennis, ik weet dat jij en ik nu slapen en droomen, maar jij weet dat niet’ zei ik.

11 mei 1906

Deze nacht droomde ik tweemalen, wat ik ook voor een paar dagen droomde, n.l. dat ik op een snelstroom wegdreef. Uit een meer vloeide de rivier, soms onder een grot door, - en ik liet mij afdrijven met goed vertrouwen, maar niet wetend waarheen. De eerste maal was ik met Martha. Nu deze twee malen alleen. Maar te voren had ik met Truida in ijsbootjes gezeild.

Ik droomde ook eenige dagen geleden dat ik slapeloos was, en onrustig heen en weer woelde. De zonderlinge gewaarwording als men daaruit wakker word, en bemerkt geslapen te hebben.

17 mei 1906

Ik had twee nachten zwaar en diep geslapen, ook overdag. Gepaard met bekende neerslachtige stemming.

Daarna had ik weer beter gevoeld en had drukker gepraat en vergaderd.

Toen sliep ik in 't begin van den nacht slechter, en werd midden

[p. 184]

in den nacht, om 5 uur, wakker, Ik vreesde niet weer in te slapen.

Maar ik sliep toch. Droomde van een leeuw en een ander tijgerachtig dier, waar ik langs liep. De leeuw deed een uitval maar ik gaf er niet om, denkende: ik droom toch. En terstond begreep ik mijn toestand en was helder. Ik zag boomen, een kring heerlijk groene hooge boomen [ herinnering van het mei-groen] en daarboven een lichtblauwe wijde hemel.

Ik was gelukkig en sprak woorden van dank, omdat ik beter voelde in den laatsten tijd. Letterlijk zei ik o.a. dit, terwijl ik de hand op 't hoofd legde: ‘ik wil een sterk man zijn’ en toen mij bedenkende dat ik dit niet zeggen kon: ‘dat wil zeggen, ik wil verstandig gebruik maken van mijn krachten’ Toen trachtte ik het noodigste te suggereeren en zei: ‘Ik zal nu diep slapen, heel diep, en morgenavond...’

terwijl ik die woorden zei, voornemend ook den slaap van morgen te suggereeren, werd ik benauwd alsof men mij een doek voor den mond deed, en toen ontwaakte ik. Ik moest lachen om de mislukte suggestie. Toch sliep ik nog weer in, zonder droomen. En ik voelde mij 's morgens goed.

22 mei 1906

Een paar nachten lichter geslapen. Gister avond nog gewerkt. Ik liep snel in en was nog al slaperig. Maar ik werd om 6 uur wakker droomende te schreien van droefheid, zooals dat in de laatste maanden meer gebeurd is. Toen lag ik wakker, en wilde zoo graag voor 't opstaan nog even slapen, maar vreesde dat het niet gaan zou.

En toen nadat Martha mij al geroepen had, dus kwart voor acht, sliep ik in en had een prachtige heldere droom. Het was een parkachtig landschap, een vijver, met helder groen gras, lage boomen. Ik was intensief verrukt, en sprak mijn dank. Ik zag alles buitengewoon scherp en helder, en ook mijn handen die ik vooruit strekte in verrukking. Maar ik voelde dat ik zeer snel bewoog, ik vloog in vliegende vaart stil langs het geziene. Toen keek ik op en zag de hemel bijna geheel helder. De zwarte wolk van de vorige maal was bijna weggetrokken. En wat ik nooit zag, ik zag de zonneschijf, achter de wegtrekkende nevelen. Dit scheen mij zulk een genadige openbaring dat ik alleen ‘O! O!’ kon roepen in extase. En toen voelde ik dat ik schreien ging van geluk. Daarna werd ik wakker, het was 8.10. Ik was den morgen verkwikt en goed bestand tegen moeielijkheden.

[p. 185]

25 mei 1906

Een zeer goede nacht. Aan 't eind een korte heldere droom, waarin ik uitsluitend suggereerde tegen booze aanvechtingen. ‘Ik wil het’ riep ik krachtig. Ik was in een laan, nevelig licht-zonnig.

De uitwerking was gering of niets.

2 juni 1906

Sints eenige dagen minder diepe slaap, toen van nacht wakker om 3 uur, een tijdje niet in slaap kunnen komen. En toen ik weer tot besef kwam liep ik met Hans door een zaal waar groote spiegels zich bevonden. Telkens als ik langs de spiegels kwam, lette ik op ons beeld en zag dat het niet uitkwam. 't Eene oogenblik zag ik alleen mezelf, 't andere oogenblik alleen Hans. Ik maakte Hans daarop opmerksaam en zei: ‘dat is niet in orde.’ Toen gingen we voor den spiegel staan en zagen één persoon die eigenlijk niet op ons leek. Iets vaags, veranderlijks. Toen begon ik te begrijpen dat ik sliep en droomde. En ik zei tegen Hans: ‘Ik droom, ik was erg moe, ik ben ergens in slaap gevallen.’ En daar ik mij niet herinneren kon wáár ik in slaap was gevallen maakte ik mij ongerust. ‘Wie weet waar ik lig te slapen, misschien ergens op straat of op een trap, aangekleed’

 

En uit ongerustheid vond ik het beslist noodig wakker te worden om te zien waar ik sliep. Met eenige inspanning kon ik willekeurig wakker worden, en bemerkte dadelijk dat ik behagelijk en veilig in bed lag. Dat was een geruststelling en ik sliep dadelijk weer in tot den morgen.

Dinsdag 5 juni 1906

Ik droomde van een zwaarbeschaduwde singel of gracht, met een recht verschiet tusschen reien boomstammen [gister een groote laan gezien] En ik was zeer helder en rustig. Ik zag weer mijn handen. Doch ik wist niet anders te doen dan tegen onreine gedachten te suggereeren. ‘Ik wensch mij rein, rein’ riep ik nadrukkelijk.

Bijna onmiddelijk daarop zag ik een demon in de gestalte van een vrouw, die haastig voor mij wegliep. Ik ging haar onmiddelijk zonder aarzeling of scrupules achterna, hoewel ze niets bizonders aantrekkelijks had, en de zelfsuggestie werd onmiddelijk gelogenstraft. Ik besefte hoe ik bespot en bedrogen werd - vooral omdat de vrouw mij quasi trachtte te ontwijken - maar ik had hoegenaamd geen zedelijke macht over mezelf.

[p. 186]

Dinsdag 12 juni 1906

Een goede slaap. Een oogenblik van helderheid. Ik zag een groote boom, maar er hing een groot etiket aan, een kaart, en dat bedierf alles. Het was wel mooi en vrij, maar mijn gevoel was niet verheven en ik kon ook niet veel. Ik lag luid te zingen maar het was niet mooi en ik voelde dat ik niet mooier zou kunnen. Toen kreeg ik, in den droom, twijfel aan de beteekenis van deze droomen, zooals ik die gewoonlijk er aan hecht. En ik bedacht ook dat de reïntegratie deze maal gebrekkig was, vooral in ethischen zin.

Ik begreep later dat demonische invloeden tijdens den droom werksaam waren.

Zaterdag 16 juni 1906

Een lange slaap, diep, met veel droomen. Door de droomen liep een element van somberheid, zinspelende op den dood. Maar toen kwam een zeer lange en rustige helderheid. Doch juist omdat het zoo lang duurde en zoo stabiel was, was ze ook niet zeer helder. De reïntegratie was onvolkomen. Vruchteloos trachtte ik mij te binnen te brengen wat ik al zoo van plan was geweest te doen. ‘Nu is de toestand er, en ik heb den tijd, en nu weet ik niet wat ik doen zal.’ Dit duurde vrij lang. Ik zag stadsgezichten, en ik steeg zeer hoog op. Tot groote verrukking kwam ik niet. Het begon met een diner met Japanners, Admiraal Togo.

Vrijdag 29 juni 1906

Een goede nacht, vóór mijn reis naar Harrow. Een vrij langdurige helderheid met lichtbewolkte lucht, blauwachtig. Ik bad, maar ik dacht er niet aan B. te roepen zooals ik voornemens was. Ik herinner me dat ik ‘Hemelsche vader’ zeide, en mijn stem iets rhetorisch vond.

Daarna een soort gevecht met handjes die niet los wilden laten. En ik bedacht op eens: dat zijn natuurlijk demonen, want die komen immers altijd na een helderen droom. Ik kon ze toen gemakkelijk bedwingen.

Zondag 9 juli 1906 Harrow

Mijn droomen hebben vaak iets helders tegenwoordig. Ik weet bijna altijd dat ik droom. Deze nacht waren ze echter niet bizonder gunstig. Ik was met vreemden, Franschen, en ik zeide hen dat als ze met mij meegingen naar boven dat ze met mij uit de bovenverdieping konden springen zonder gevaar. Toen ik dit zei overwoog ik even of ik wel degelijk droomde en het

[p. 187]

dus beloven kon. En toen was ik zeker dat ik droomde en dus zonder gevaar uit het venster springen kon. Maar toen ik hen den weg zou wijzen en goed overdacht hoe we naar boven moesten gaan, kwam alles anders uit als ik me meende te herinneren. Steeds meer trappen en zolders en geen uitweg.

[Dit kan symbolisch zijn, daar ik dezer dagen op 't congres, waar voornamelijk Franschen komen, over mijn werk wil spreken]

20 juli 1906 Langenschwalbach

Van nacht in 't hotel goed en diep geslapen, dieper dan in den laatsten tijd. En toen weer droomde ik het wakker worden in de demonen-wereld, zooals dat meer gebeurt na diepen slaap. Ik werd wakker, zag mijn bed van een vreemd, hard soort metaal, mijn kamer, en ik wist terstond dat ik ‘verkeerd’ was. Deze gewaarwording is nu voor mij onmiddelijk herkenbaar. Het is precies het verdwaald zijn, het niet op de juiste plaats te zijn aangeland, in een andere wereld, niet de mijne, de gewone waakwereld.

Het komt mij nu ontwijfelbaar zeker voor, dat dit een opzettelijke misleiding is, dat de slapende ziel, met opzet, in een verkeerde wereld wordt geleid, een angstige, lage, griezelige wereld, waar men alles doet om het bedrog een poos vol te houden.

Ik spande mij in en ontwaakte, met voldoening bemerkend dat ik juist gezien had en in een spookwereld was.

Ik droomde ook van neerzwevingen over zeer wijde valleien. Maar weinig of geen helderheid.

25 juli 1906 L. Schwalbach

Ik droomde van een hotel waarin iemand zich voor Jezus uitgaf. Op 't laatst kwam de lift waarin hij komen zou ledig neer, en het heette dat hij ten hemel was gevaren. Toen zag ik hem echter ter sluiks ontsnappen, ik herkende hem aan zijn lange haar. President Krüger die daar ook bij was, werd woedend om die bedriegerij, en stelde zich zoo razend aan dat ik bang was dat hij gek zou worden.

27 juli 1906 L. Schw.

Vorige nacht zeer goed. Deze aanvankelijk minder goed. Toen ontspanning. Daarin droomde ik van de hel en de folteringen. Ik zag ze, als huizen op een gracht, gloeiend ijzer. Ik wist dat ik dat alles vreesloos moest ondergaan [herinnering aan Minnestral] Maar voelde nog iets anders, namelijk de spoken griezel, die

[p. 188]

ik door optreden overwon. Toen zag ik achter me, naar een donkerblauwen hemel, zoo donker dat het nacht leek. Daarbij werd ik helder. En ik zag de zonneschijf, maar bleek, als de maan. En ik begreep het toch als vergeving en genade.

28 juli 1906 L. Schwalbach

Een nacht na een dag ingespannen schrijfwerk. Of liever langdurig schrijfwerk, want ik voelde geen inspanning. Ik was slaperig en sliep gauw en diep in. Toen werd ik wel twee of drie malen ‘verkeerd’ wakker. De eerste maal hoorde ik hevig gestommel op den gang, alsof een groote koffer door de gang woei, en toen een geweldige plof. Toen begreep ik dat ik niet recht wakker was. Een andermaal zag ik drie ramen in plaats van twee, en ik wist nu telkens zeer goed, dat ik maar schijnbaar wakker was. Toen werd ik, heel even, echt wakker, en zag de twee ramen die ik herkende, en ik hoorde de nacht-stilte en begreep dat het altijd stil was geweest. [Ons lichaam heeft dus twee herinneringsfuncties] Toen kwam een gansche reeks droomen beurtelings demonendroomen en heerlijke helderheid. Middenin een prachtige echt heldere droom, met helderblauwe hemel zooals uit den goeden tijd. Ik was zeer op mijn gemak, zag mijn handen, mijn voeten, mijn heele lichaam. Ik dankte God voor de heldere blauwe hemel en zei: ‘nu zie ik dat het nog steeds helderder en intensiever kan worden’, en dat verheugde mij. Toen riep ik Betsy. Ik zag haar onmiddelijk, zeer scherp en gelijkend. Ze zag mij niet en ging voorbij. Maar ik riep haar totdat ze mij zag. Maar ze keek koel en hard. Ik voelde dat ze onder demonischen invloed stond.

Vóór en na deze helderheid een reeks halfheldere en spookdromen. Eerst was ik midden in een menigte demonen, en ik zong zeer luid en galmend. Toen gingen zij, daar ik mij slecht beheerschte, als boosaardige, half-wilde en kinderachtige wezens meedoen met mijn zingen, en ik voelde dat ik daardoor niet alleen mijn prestige zou verliezen, maar ook zelf hoe langer hoe gekker zou worden. Ik begon al, met hen mee, meer en meer uitgelaten te doen met lakens en kussens te gooien enz. Dat maakte mij bezorgd. En ik zag er één, die mij het minst boosaardig toescheen, en die een gezicht trok als zei hij: ‘dat loopt mis.’ Ik keek hem aan. Zijn gezicht was niet geheel dom, eenigszins sympathiek. Ik vroeg: wat zal ik doen? Toen zei hij dat ik ze de zweep moest geven ‘over den naakten rug’. Ik dacht aan Dan-

[p. 189]

te's schimmen, die ook de zweep vreezen.

Ik maakte - schiep - een zweep, van riemen met looden kogels. En ik dreigde er mee, en sloeg er hier en daar fel op. Hoewel het mij moeite kostte. Toen werd het plotseling stil om me, en ik zag de demonen links en rechts met godzalige gezichten wegsluipen, of ze van niets wisten.

Ik had nog veel strijd. Stevende in volle vaart door zware wanden heen, zag nog een soort volgebouwde Acropolis voor mij en velerlei tafreelen.

Dit was alles midden in den nacht, en omgeven door een sfeer van sombere gevoelens.

Tegen den morgen sliep ik echter vreugdevol, als geheel uitgerust na een overwinning, ik droomde nog veel, maar gewoon, zonder helderheid, en werd zeer verkwikt, en opgewekt wakker. Beter dan in langen tijd.

Zondag 12 augustus 1906 Langenschwalbach

Ik was een week in Holland en sliep daar weer slecht. Hier sliep ik weer heerlijk en hedennacht had ik weer een prachtig vizioen. Het duurde kort en ik deed of sprak niets bizonders, voor zoover ik weet. Maar ik zag een helder verlicht, kleurig en prachtig tafreel. Ik kan echter niet meer zeggen wat het was.

Vrijdag 12 oktober 1906

Nu eerst, na twee maanden weer een heldere droom. Ik had een paar nachten, na hard werk overdag, zeer verkwikkend geslapen. De dag was buitengewoon druk geweest, 's avonds voelde ik zeer slaperig. Tegen den morgen tusschen 7 en 8 bemerkte ik de helderheid. Terstond groote verrukking en uitdrukking van dank aan God. Ik was in de tuinkamer van mijn ouderlijk huis, Gedempte O. Gracht te Haarlem. Ik zag den blauwen hemel door de ruiten, en ik kon de deuren open doen en naar buiten gaan. Buiten verhief ik mij in de lucht aan de takken van de bekende bruine beuk die in den tuin stond van dat huis. Ik zag ook de zon schijnen, en de lucht werd wat beneveld, grauw.

Een poosje later kwamen weer de demonen. Er was echter weinig strijd.

Ik was zeer verfrischt en opgewekt.

Gedurende den droom was er evenwel een duidelijk gevoel van

[p. 190]

scepsis, zooals ik dat soms meer in die droomen heb, en dat verdrietig is. Het komt mij voor van demonischen aard te zijn.

Gedurende twee maanden was er absoluut geen helderheid in mijn droomen. Zonder naspeurlijke reden. Maar ik sliep ook niet zoo heerlijk als juist den laatsten tijd voor dezen droom.

Donderdag 25 oktober 1906

De nachten zijn goed geweest, bijna altijd geheel verkwikt. Dezen nacht lag ik echter, zooals wel meer gebeurt, een poos wakker en voelde niet zoo aangenaam. Toen droomde ik van Kloos, die beproefde intiem tegen mij te doen, hij vleide zijn gezicht tegen mij aan, en ik verdroeg het geduldig, hoewel bedenkend of zijn uitslag ook besmettelijk kon zijn. Toen zag ik een vrouw, Adèle heette zij, ik meende haar goed te kennen, maar nu herinner ik mij haar in 't geheel niet. Ze zag eerst pokdalig, maar later zeer mooi. Ze vroeg schertsend: ‘hoe gaat 't met de studie?’ en ik schertste terug ‘och, dat ééne laatste examen!’ daarbij wist ik zeer goed dat het gekheid was, en dat ik van een droom-examen sprak.

Toen was ik in de duinen en zag een groote diepte voor me, de zon scheen op lage boschjes en het volle besef, de volle helderheid kwam. Het was een prachtig gezicht en een onbeschrijfelijk gevoel van vrome verrukking. Ik kon niet zeggen als: ‘Dank! Dank! ik dank u, God!’ en toen viel me in te zeggen: ‘ik bid u om uw zegen en uw heiliging

Ik zei dat wel overwogen en het voldeed me, ik vond dat ik niets meer behoefde te zeggen. Daarna voelde ik dat ik weer achteruit naar binnen ging, en ik zag de kamerwanden ter weerszijden het prachtige landschap maskeeren. Maar ik was zeer gesterkt en weldadig aangedaan. Ik zag ook geen demonen.

Zondag 18 november 1906

Geen helderheid, maar ik zag in den droom een man die mij zei ‘met ... raken jelui vast’ Daarmee ‘de Eendacht’ bedoelende. Terstond begreep ik met een demon te doen te hebben en ik trad tegen hem op, zeggend: ‘in den grond jij!’ En hij verdween, in den grond zakkend, al kleiner en kleiner wordend, tot ik alleen een rond plekje van zijn hoofd zag.

[Ik was in onrust en zorg over ‘de Eendracht’]

Vrijdag 23 november 1906

Weer geen helderheid, maar een demon. Hij trad mij dicht bij te gemoet en was het type van brute, harde

[p. 191]

gemeenheid. Ik kon hem echter aan, en dreef hem onmiddelijk terug zonder moeite, tot hij heel ver achteruit stoof, en aan 't einde van een lange rechte allee verdween. Maar bij wijze van plagerij, om mij aan 't schrikken te maken, zag ik een groote plas bloed vóór mij worden uitgestort.

[Ik zag in den demon het ruwe element van het personeel aan ‘de Eendracht’ waarmee we thans te doen hebben]

Zaterdag 1 december 1906

Voor een paar dagen een droom waarin ik tegen iemand zei goed er van bewust te zijn dat ik droomde, - dus een begin van helderheid.

Van nacht, droomende, van een duinlandschap, zag ik dat al duidelijker en grootscher worden en had ik een kort moment van beginnende helderheid. Maar dat werd verstoord door een baldadige impuls in mij die mij dreef een dicht bij mij staand persoon plotseling zonder reden een harden klap in 't gezicht te geven.

Ik schaamde mij daarvoor en besprak daarop, in mijn droom, het vreemde en droevige van zulke impulsen.

De geslagen persoon was geen demon, maar de impuls zelf was van demonischen oorsprong. Dit voel ik beide nauwkeurig. Daarmee werd de helderheid verstoord.

Donderdag 6 december 1906

Na een paar nachten zeer goede slaap begon van nacht de helderheid. Ik zag een landschap, begon te bidden, strekte de rechterarm uit en zag duidelijk mijn hand en arm, met een zwarte mouw. Toen legde ik een mes en een zakdoek op mijn nachttafeltje, met de bedoeling dat den volgenden morgen te bemerken. Daarop droomde ik dat ik na dien droom ontwaakte en den ganschen droom met een paar anderen [Jo Termaat o.a.] besprak, en zij zeiden niets gemerkt te hebben.

Ook gedroomd van mevr. Waller [onlangs gestorven] en haar kinderen. Geen demonen.

[Dien morgen zeer frisch en verkwikt]

Zaterdag 8 december 1906

Tegen den morgen een droom, waarin ik mij stellig medeplichtig wist aan een moord. Een metselaar of stukadoor was vermoord, het lijk in stukken gesneden en begraven of vernietigd, de man was verdwenen en er werd niet naar gezocht.

[p. 192]

Ik was in de geheele zaak nauw betrokken. In mijn geest het gevoel van betrekkelijk veilig-zijn doordat de zaak zoo stil was maar dan weer plotseling de mogelijkheid van ontdekking voor oogen, en de gevolgen. Overweging: heeft ooit een beroemd dichter voor zoo iets in de gevangenis gezeten. De zekerheid van het gebeurde zeer duidelijk. Maar tevens een vermoeden: als ik wakker word is het misschien minder erg. Spoedig daarop wakker worden, en de verruiming dat er niets van waar was.

[Terwijl ik dit schrijf nog een plezierig gevoel dat ik het gerust kan opschrijven, omdat het niet waar is]

Donderdag 13 december 1906

Ik merk nu op dat telkens als ik voor 't eerst in een vreemd bed slaap, in een geheel nieuwe omgeving, ik eigenaardig angstige en ziekelijke droomen heb, die eerst tegen den morgen plaats maken voor geheele rust.

Ik herlees nu mijn dagboek uit den tijd van Capri, toen waren ze er ook, en nu weer, eerst in Hotel Central, van nacht bij Mirauer. [zie droom 25 Mrt 1905] In Hotel Central droomde ik over Else Otten en slechte invloeden waaronder ze stond, van nacht over den heer Mirauer - die lang dood is en mij geheel onbekend - en over allerlei akelige operaties.

Ik maak de gevolgtrekking dat het de invloeden zijn van een bepaalde omgeving, waaraan ik niet gewend ben, die mij dan verontrusten. Het duidelijkst was dat in het kamertje van juffr. Brutel de la Rivière in Assen, waar ik al haar ellende voelde en later hoorde hoe zij dat haar martelhok noemde.

In Capri sliep ik toen tegen den morgen zeer vast, in Central werd ik ook rustig, maar hier waren de ongunstige machten sterk en ik bleef den ganschen morgen neerslachtig.

Zeer merkwaardig schijnt me dat ik van daag den droom in Capri voor den geest had, ook met die vreemde griezelige operatie. En nu eerst bedenk dat beide droomen een soortgelijken grond hadden. Voor den droom van Capri is als verklaring mogelijk dat ik het katholieke bijgeloof toen rond mij zag. Maar ook kan het een meer geheimzinnige invloed zijn van de kamer en de omgeving.

15 december 1906

De strijd in het sombere huis van Mirauer. Hedda Gabler en de verschrikkelijke droom. Zie dagboek. [dezen

[p. 193]

nacht pleegde mijn broer zelfmoord]

17 december 1906

Nu de verwachtte gunstige droom met duidelijke symboliek. Dit zijn precies de droomen zooals ze verleden jaar ook hier waren in dit hotel.

In tegenstelling met den droom van eergisteren, de wedstrijd zonder hoop in het sombere moeras, - nu de wedstrijd met zekerheid van overwinning, zwevende over de duinen, met een omweg naar 't Noorden, in gezelschap van een vriend [Kahane]

Daarbij een aansluiting aan 't dagleven in de automobiel-tocht van gister avond waarvan de snelle beweging duidelijk in het snelle vliegen in den droom herkenbaar was.

Van morgen bericht van Emons dat hij in zware zorg zit omtrent de geldmiddelen van de Eendracht. Misschien is dat ook op de droomen van Zaterdag van invloed geweest.

 

Langsamerhand, door nauwkeurige observatie, en registratie, zal ik op 't spoor van de eenheid trachten te komen in deze merkwaardige verschijnselen. Dat is de beteekenis van dagboek en droomenboek. Het kan geen oplossing geven, maar wel materiaal voor toekomstige wetenschap.

Belangrijk is juist dat ik mij volkomen gezond gevoel, in uitstekend physisch en psychisch evenwicht.

25 december 1906

Ik voelde de rust den vorigen dag komen en had ook heden, in den naslaap, even duidelijke helderheid. Maar nog niet voldoende, want juist het gelukkige besluit wat mij vervult, was ik in den droom vergeten, en toch had ik daarna willen vragen. Ik bad echter wel en vroeg om zegen, maar 't was alles nog maar vaag en gebrekkig.

Ik zag één zeer kenbare demon, doch streed niet met hem. Ik weet niet hoe hij is verdwenen. De droomen er na waren ook nog niet geheel zuiver, - niet vrij van demonischen invloed. Er was symboliek in, een jongen werd geheel herboren, de nieuwe mensch ontwaakte. Daarvoor moest hij echter zich dooden en dat deed hij met een degen en er was veel bloed. Dit was een kinderverhaaltje en ik vond het ongeschikt.

[p. 194]

12 januari 1907

Hedennacht voor 't eerst een zwak begin van helderheid. Ditmaal met een breed water en daarop scheepsmasten. Ik bedacht in den droom, dat dit nu een soort gezichten was die helderheid aanduidden. Maar ik wist niet dat ik droomde. Ook deed ik niet wat ik voornam n.l. raad vragen omtrent 't besluit.

21 januari 1907

Ondanks zware zorgen en verdrietelijkheden slaap ik diep, rustig en aangenaam. Van Berlijn droomde ik niet, wel van Engeland. Het blijkt nu ook dat ik eer naar Engeland zal gaan als naar Berlijn. Heden droomde ik mooie muziek [na twee dagen met Reger] En ook van een land in Zuid-Europa, maar in een warmer jaargetij en met meer groen en bloemen dan ik er ooit had bijgewoond en gezien.

22 januari 1907

Hedennacht echte helderheid. Een landschap zooals ik nog nooit gezien heb. Rotsachtig, grootsch en indrukwekkend, maar geheel naakt en bar, zonder plantengroei. Eenigszins een herinnering aan een teekening van Heyenbrock, de tufsteen mijn. Maar de rotsen waren blank, schitterend, kwartsachtig, en overal blonken kleurige kristallen, als topaas en agaat, violet, rood, groen, in groote zuilenbundels en groepen.

Ik vouwde mijn handen en sprak ‘dank!’ Dit deed ik, zonder eigenlijk goed te weten waarom. Ik begreep dat nu de zoo lang begeerde toestand er eindelijk was, maar kon mij maar niet te binnen brengen, waarom ik er zoozeer naar verlangd had, en wat ik had voorgenomen te doen.

Eerst van morgen, lang nadat ik was opgestaan, herinnerde ik mij dat ik natuurlijk ter wille van het conflict waarin ik leef, naar zulk een droom had verlangd. Maar het was alsof ik opzettelijk belemmerd werd aan dat conflict te denken, en het in den droom te pas te brengen.

28 januari 1907

Weer echte helderheid. Ik was gaan slapen met een bezorgd, gedrukt gevoel omdat Emons mij verzocht den volgenden morgen tijdig op 't kantoor te zijn, daar hij een staking of andere moeielijkheden verwachtte. Doch ik sliep spoedig in en had zeer rustige, gunstige gewaarwordingen in den slaap. Eindelijk zag ik een heuvelachtig landschap, met kleine huisjes in een dal, een heerlijk pro-

[p. 195]

spect. Ik meende eerst te waken, totdat ik beproefde mij vliegend in de ruimte te storten. Dit gelukte en toen begreep ik dat ik droomde. Ik was zeer gelukkig en dankbaar, doch het kwam niet tot gebed of uitroep.

Ik begreep bij 't ontwaken dat dit van gunstige voorbeteekenis was. En werkelijk waren er in Amsterdam geen moeielijkheden van beteekenis. En ik meen dat het vizioen betrekking heeft op een toekomstige reis of woonplaats. Ik vatte heden het plan naar Fransch Zwitserland te gaan, als de meest geschikte voorloopige woonplaats. Ook omtrent andere moeielijkheden kwam heden gunstiger vooruitzicht.

6 februari 1907

Een goede onafgebroken slaap, en tegen 't ontwaken een oogenblik helder. Het begon met een luid galmen of schreeuwen, dat ikzelf uitbracht, een trompet nadoende, op een fraaie wandeling. Ik deed het om de echo op te wekken. De wandeling was naar Noordwijk, en plotseling zag ik de zee en de laatste duinrand. Een huis stond zoo dicht aan den rand dat ik zei: dat blijft geen jaar staan. Toen zag ik een duinvallei voor me, en bedacht dat ik er wel over kon vliegen. Ik deed dit, en had toen vol besef, en uitte dat ook. Maar eer ik mijn zinnen genoeg bijeen had om Johan te roepen - zooals ik voornam - ontwaakte ik.

16 februari 1907

De vorige nacht was vrij slecht geweest daar ik verkouden en koortsig was. Deze nacht voelde ik beter en sliep daardoor goed. Ik had gister avond nog aan Reinald geschreven. Ik droomde toen dat ik met iemand over dat werk sprak en dat hij zeer bedenkelijk deed, omdat niemand in 't derde bedrijf de draad zou kunnen volgen. Waarop ik sarkastisch zei dat ik voor menschen geheel zonder hersens niet schrijven kon. Toen bemerkte ik in een nauwe straat te loopen en geheel bij besef te zijn, en ik riep uit dat wat men ook van mijn werk zeggen zou, of het gewaardeerd zou worden of niet, dat ik toch onverdroten door zou gaan en zou blijven strijden om Godswil. ‘Ik ben al zoo dankbaar’ riep ik ‘dat ik nu spreken kan!’ Daarmee bedoelde ik dat mijn droom zoo helder was, dat ik spreken kon. Toen bedacht ik ook dat ik Johan zou roepen. Ik deed het dringend en krachtig. Des te meer omdat alles wat ik zag verbazend scherp en duidelijk was en ik dus hoopte hem goed te zien. Maar hij kwam niet. Ik kwam op een wijde vlakte, de lucht was grijs en dam-

[p. 196]

pig, maar het was toch heerlijk ruim. Ik meende een oogenblik dat ik wakker zou worden en dat mijn stem in de kamer zou gehoord kunnen worden, als een zacht kreunen. Doch daarna was ik weer geheel helder en riep nogmaals om Johan. Eindelijk zag ik een brieven besteller, die mij een brief gaf. Ik sprak hem dringend en haastig aan, daarbij het gevoel hebbend dat ik langs hem heendreef en dus voort moest maken. Ik hoopte uit den brief iets wijzer te worden, maar dat gaf niets. En Johan kwam niet.

[Vreemd dat ik ook bij 't roepen om Bauer een brievenbesteller zag.]

28 februari 1907

Dezen nacht droomde ik van Johan maar zonder helderheid. Hij speelde piano. Wat later droomde ik van een aantal menschen die ik gedeeltelijk herkende, alsof ik ze op reis had gezien. Eenigszins mondaine menschen. Ze waren allen nat en een hoestte echter en tobde over de nattigheid. Een jong zonverbrand man.

Toen ik wakker werd begreep ik tusschen de verongelukten van de Harwich boot te zijn geweest. Als altijd komen overledenen tegelijk. Ik herinnerde me niet dat Johan dood was.

1 maart 1907

Heden nacht het wijde uitzicht van een heldere droom. Een prachtig dal, waarin ik neerzweefde met Paul op mijn rug. Dit had ik nog nooit ondervonden. Geheel helder werd ik niet. Ik had ook moeite toen ik eenmaal neergezweefd was, mij te verheffen.

9 maart 1907

Eerst weer de gewone reis-droomen met voorgevoelens van zuidelijke steden. Bloemen. Toen droomde ik te wandelen langs een snelstroomende rivier, en ik wist dat ik droomde. Het geruisch was zeer sterk en ik merkte op dat het volkomen 't geruisch was van de zee op 't strand. Ik dacht aan 't vers ‘het zeegeruisch’ en dat ik dat geluid hooren kon terwijl mijn ooren buiten functie waren. Toen zag ik de steilte links van mij, en was op 't punt er in neer te zweven, zeer goed wetend dat het kon zonder gevaar. Maar tot grooten helderheid kwam ik niet.

28 maart 1907 Berlijn

Ik droomde van Jacques Perk. Voor 't eerst

[p. 197]

van mijn leven. Hij was vriendelijk en de droom was gunstig. Hij doopte een bloem naar Martha.

30 maart 1907 Berlijn

Ik had de laatste nachten niet diep geslapen. Licht, zonder behagen. Hoewel ik geheel uitgerust en gezond voel. Gister avond was mijn gemoed ook niet rustig, en de laatste dagen minder goede gedachten. [zie dagboek] Toen kwam van nacht dieper slaap, en daarin de helderheid. Het begon met een droom over vrouwen die heftig aandrongen op intimiteit [den vorigen avond de omvang der prostitutie in Berlijn bemerkt, waar ik te voren niet op gelet had] Ik vluchtte, in snelle vaart, en wilde vliegende dwars over 't land naar Bussum terugkeeren.

Toen kreeg ik besef en dankte God. Maar de gevoelens van verheffing en geluk bleven uit, en het bleef schemerig. Hetgeen ik begreep uit mijn eigen conditie. Ik zag duidelijk mijn bloote voeten, omhoog [ik doe des morgens gymnastische oefeningen met bloote voeten] en ik voelde hoe <