[p. 15]
Aanhef
- Laat andren vrij gewrongen rijmen knutselen
- Door hoofd noch hart geleid,-
- Ik zal mijn smijdig Hollandsch niet verhutselen,
- Ik wil slechts duid'lijkheid.
-
- Ik zing, naar vrijen lust, van eigen leven,
- Uit zuivren zieledrang:
- Mijn leus is Eenvoud, Waarheid is mijn streven,
- En Godsvrucht mijn gezang.
-
- Wat stelt ge u, dwazen, vruchtloos op de toonen,
- En ziet niet van nabij?
- Zoekt óm en ín u-dáár is 't ware schoone,
- En de echte Poëzij.
-
- In Neêrlands roem, in Neêrlands oude deugden,
- In Godgewijden lof,
- In zelfgevoelde smarten, eigen vreugden,
- Vind ik in mijn rijkste stof.
-
- Wat zou ik knoeien, wikken, woorden tellen,
- Zooals geen dichter doet?
- De zangen slechts, die recht uit 't harte wellen,
- Gaan recht ook tot 't gemoed.
-
- Dus zal ik zingen, naar mijn hartsbegeeren,
- Van eigen huis en haard,
- En in ootmoedigheid den Schepper eeren,
- Naar vaderlandschen aard.
|