[p. 21]
II Het jawoord
- Nu moet ik haar gaan vragen-
- O welk een bange dag!
- Doe God! mijn wenschen slagen-
- Verschoon mij van dien slag!
-
- Uw grootheid zal ik eeren,
- In aller eeuwigheid,
- Mocht ik met haar verkeeren
- In deugd en eerbaarheid.
-
- Ik voel mijn boezem prangen
- Door bangen twijfelmoed-
- Doch rein is mijn verlangen,
- En mijn positie goed.
-
- Haar vader kent mijn ijver
- En duldt mijn nadering,
- Als veelbelovend schrijver
- En deugdzaam jongeling.
-
- Hoop doet mijn hart herleven
- En slaan met blijden slag:
- Mijn bellen, haar gegeven,
- Draagt zij nog iedren dag.
-
- Doch mocht zij 't woord niet spreken,
- Waarnaar mijn boezem haakt,
- Dan zal het hart mij breken,
- Wijl het is afgeraakt.
-
- Dan zal ik eeuwig blijven
- Versmolten in mijn smart,
- Dan ga ik verzen schrijven,
- Met wanhoop in het hart.
-
[p. 22]
-
- Maar toch, o, Heer der Heeren!
- Al loopt het heden mis-
- Ik blijf Uw wil toch eeren,
- Daar dat het veiligst is.
|