[p. 27]
VII Herademing
- Heb dank, o Heer! 'k heb mij vergist:
- Ik heb mijn Truitje weder!
- Hoe smart'lijk heb ik haar gemist,
- Die oogen lief en teeder.
-
- De lonken had zij niet verstaan,
- Zij voelde wel een laars,
- Doch zag hem voor den mijnen aan...
- 't Was die des makelaars.
-
- O juich thans, hemelsche Eng'lenschaar!
- Want de onschuld bleef gespaard:
- Van middag gaan wij met elkaar
- Weer roeien op de vaart.
|