[p. 28]

VIII Waterweelde

 't Was verruk'lijk zomerweder,
      Niet te warm en niet te koud:
 't Schuitje dobberde op en neder,
      Onder 't overhangend hout.
  
 Welk een weelde voor een dichter
      Op dien stillen effen plas-
 't Was mij of ik nog veel lichter
      Dan een vlugge vlinder was.
  
 En dan aan mijn groene zijde
      Truide, teêr door mij bemind,
 Lachend lievend, blozend blijde
      Als een speelsch en dartel kind.
  
 't Leven scheen mij enkel zoetheid,
      En de lachende natuur
 Kondde luide Scheppers goedheid
      Op dit wonderzalig uur.
  
 Nimmer zal ik u vergeten,
      Zelfs al word ik hoog bejaard,
 Zoete tijd met haar gesleten,
      Spelevarend op de vaart!