[p. 32]

XII Bange nacht

 Ach hemel, wat moet ik beginnen!
      Dat God zich nu mijner erbarm!
 De dokter ging flusjens naar binnen,
      En reeds is de luiermand warm.
  
 O, ure van angst en verrukking!
      Hoe is mij de ziele vervaard-
 Doch denk, zonder 's Hemels beschikking
      Valt immers geen muschje ter aard...