[p. 49]
Aan J.J.L. ten Kate
- Ten Kate! Ten Kate!
- O koning der cantate!
- Die hupp'lend in het priesterkleed,
- Den lusthof onzer taal betreedt,
- De schoonste bloemen plukkend, menglend,
- Met bonten zwier ze strikkend, strenglend,
- Verenglend 's levens duistre sfeer,
- Ons minzaam dichtend naar den Heer!
- O, J.J.L. ten Kate,
- Wie zou u kunnen haten?
-
- Ten Kate! Ten Kate!
- O, dichter boven mate!
- Uw ademtocht is Poëzie,
- Uw lach is Kunst, uw traan Genie,
- Wanneer uw wiekjes speelsch zich reppen,
- Of als een aad'laar opwaarts kleppen,
- Bij 't scheppen van de Schepping zelf,
- Kompleet, met aarde en stargewelf.
- O, J.J.L. ten Kate!
- O, vorst van rijm en maten!
-
- Ten Kate! Ten Kate!
- Hoe glanst gij in uw state
- Van ethisch en irenisch licht!
- Beheerscher van 't godsdienstig dicht!
- Van Gods genade spelemeijer
- Met onze taal! Wie kan er blijer
- En vrijer zingen tot Gods eer!
- Wie schendt u aan, wie velt u neer?
- Neen, J.J.L. ten Kate!
- Laat vrij benijders praten!
-
[p. 50]
-
- Zing op! zing op! ten Kate!
- (Gij kunt het toch niet laten)
- Laaf onze ziel aan Harmonie,
- Al wat gij zingt is Poezië!
- Zing dartel, speelsch of vroom van zinnen
- Op kerken, vorsten of vorstinnen,
- Wij minnen alles wat gij doet:
- Want wat ten Kate schrijft is goed!
- Zing, J.J.L. ten Kate,
- Ten aller vromen bate!
|