[p. 51]
Aan N. Beets
- O Beets, wat zijt gij groot!
- Als God het niet verbood,
- Dan zou ik u aanbidden...
- Nu laat ik dat in 't midden:
- Toch val ik voor u neêr
- En breng u lof en eer:
- Wat is uw muze rijk...
- En dichterlijk!
-
- Vol speelsch vernuft, o ja!
- Is wel uw Camera-
- Doch dat was maar een grapje,
- Een dartlend eerste stapje;
- Doch boven Hildebrand
- Steeg hoog de Predikant:
- Die heeft eerst goed geschreven!
- En zoo verheven!
-
- De godsvrucht was uw heil...
- Gebonden werd uw stijl,
- En dat was eerst het ware:
- Aandachtig zit de schare
- En staart bewondrend aan.
- Hoe bundels najaarsblaân
- In vromen stroom ontglippen
- Uw grijzen lippen!
|