[p. 52]

Aan Tollens
Hollands dichtroem gehandhaafd

 Tril cither! dichtvuur blaak! O gij, mijn lier, sta pal!
 Klinkt! snaren van mijn hart, met daav'rend woordgeschal,
 Sterk, God! mijn luide stem die door de hallefronden
 Den lof van Hollands dichters gaat verkonden;
 Wat snoeft ge, o Brit! wat stoft ge, o wufte Gal!
 Met brommend snorken en verblind gebral,
 Op uwen dichterroem en dichterkoren!
 Als waar bij ons geen Tollens ooit geboren?
 Wat pocht ge, o Albion, op Shakespeare of op Byron,
 Alsof soms Tollens 't niet veel mooier nog dan zij kon.
 Richt eereteekens op, gaat monumenten bouwen,
 Wij hebben Tollens óók in marmer uitgehouwen!
 .......................
 ....................... *  
 *  Deze lofzang op Tollens beslaat 1200 verzen. Wij geven hier alleen den aanhef; het vervolg in eventueel volgende bundels.