[p. 65]
Het dichten
- O, wat is het dichten zoet!
- Altijd... als men dichten moet,-
- Dichten is niet ieders zaak,
- Geen ontspanning of vermaak.
-
- Dichten is: uit vol gemoed
- Storten zijn gedachtenvloed,
- Als een breeden waterval,
- In zoetvloeiend woordgeschal.
-
- Moest ik zoeken naar een woord-
- 'k Zou niet dichten, zooals 't hoort;
- Moest ik denken bij mijn lied-
- 'k Vond mijn inspiratie niet.
-
- Onbelemmerd, onbeklemd,
- Al naar God mijn cither stemt,
- Zing ik, op een warmen trant,
- God ter eer en 't Vaderland!
|